Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-10-11
ECLI:NL:RBNHO:2023:9806
Civiel recht; Goederenrecht, Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
4,758 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/342772 / KG ZA 23-427
Vonnis in kort geding van 11 oktober 2023
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [plaats 1],
eiseres,
advocaat mr. A.J. Robbers te Amsterdam,
tegen
[de man]
,
wonende te [plaats 1],
gedaagde,
advocaat mr. H. Vosmeijer te Amstelveen.
Partijen zullen hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de uitgebrachte dagvaarding van 19 september 2023 met 4 producties
productie 1 zijdens de man
de pleitaantekeningen van de vrouw
de pleitnota van de man.
1.2.
Na uitroeping van de zaak zijn verschenen:
de vrouw
mr. Robbers voornoemd
de man
mr. Vosmeijer voornoemd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De zaak in het kort
2.1.
Partijen hebben hun samenleving beëindigd. De vrouw wil de gezamenlijke woning verkopen, terwijl de man die zelf wil overnemen. Ter zitting is niet voldoende duidelijk geworden dat de man de woning níet zal kunnen overnemen. Mede vanwege de tussen partijen reeds aanhangige bodemprocedure tot verdeling van de eenvoudige gemeenschap en de nog onduidelijke onderdelen die daarin aan de orde zullen moeten komen, zal de vordering tot (machtiging tot c.q. medewerking aan) verkoop van de woning worden afgewezen. Gelet op het aanbod van de man ter zitting wordt de vordering met betrekking tot de gebruikersvergoeding (deels) toegewezen.
Feiten
3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben met elkaar samengewoond in een door partijen gezamenlijk aangekochte woning aan de [adres] te [plaats 1] (hierna: de woning). De door partijen bij aankoop van de woning gesloten samenlevings-overeenkomst is per 4 januari 2022 beëindigd. De vrouw heeft de woning op 15 juli 2023 verlaten.
3.2.
Na beëindiging van de relatie hebben partijen afspraken gemaakt over verdeling van de gemeenschappelijke bezittingen. De man wenst de woning over te nemen. Daarover hebben partijen vooralsnog geen overeenstemming bereikt.
3.3.
Bij dagvaarding van 18 september 2023 heeft de man een bodemprocedure aanhangig gemaakt tot verdeling van de eenvoudige gemeenschap tussen partijen, waarin hij onder meer toescheiding van de woning aan hem voor een waarde van € 401.000,- vordert, hij een vergoedingsrecht jegens de vrouw van € 39.698,- stelt te hebben en vordert dat de vakantiewoning van partijen te [plaats 2] wordt verkocht en verdeeld.
Geschil
4.1.
De vrouw vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis samengevat –haar te machtigen tot verkoop van de woning met alles wat daarvoor nodig is en de man te veroordelen zijn medewerking daaraan te verlenen, althans subsidiair de man te veroordelen de makelaar opdracht tot verkoop van de woning te geven, een en ander op straffe van een dwangsom, alsmede om te bepalen dat de man gehouden is de vrouw een gebruiksvergoeding te voldoen ter hoogte van de helft van de gebruikerslasten, met veroordeling van de man in de proceskosten.
4.2.
Aan haar vordering legt de vrouw – zakelijk weergegeven – ten grondslag dat zij niet gehouden kan worden om de door de man aanhangig gemaakte bodemprocedure af te wachten, omdat de man op basis van zijn inkomen en zijn (gebrek aan) privémiddelen de woning niet kán financieren.
4.3.
De man voert tot zijn verweer – kort gezegd – aan dat hem de gelegenheid moet worden geboden te onderzoeken of hij de woning kan overnemen, maar dat daarvoor mede van belang is de uitkomst van de bodemprocedure met betrekking tot de door hem gestelde vergoedingsrechten jegens de vrouw, alsmede de waarde van de vakantiewoning te [plaats 2]. Zonder die duidelijkheid is verkoop van de woning prematuur. Daar heeft de vrouw bovendien ook geen (spoedeisend) belang bij, temeer daar de man bereid is de rentelasten van de woning per 15 juli 2023 en de gebruikerslasten (geheel) voor zijn rekening te nemen.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
5.1.
Met de vrouw is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet van haar gevergd kan worden dat zij na de beëindiging van de relatie van partijen langdurig in onverdeeldheid blijft zitten. Dat daarvan sprake is, is echter niet gebleken. Uit de door partijen overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat partijen tot relatief recent in overleg zijn geweest over de verdeling van de eenvoudige gemeenschap. Van een ‘stilzitten’ van (één van) partijen of het frustreren van de verdeling lijkt vooralsnog dan ook geen sprake. Daar komt bij dat de man daags vóórdat de vrouw de dagvaarding in de onderhavige kortgedingprocedure heeft uitgebracht een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt om juist tot die verdeling te (kunnen) komen.
5.2.
Met de man is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vragen die in díe procedure voorliggen – waaronder de waardering en verkoop van de vakantiewoning van partijen en de beoordeling van de wederzijds gestelde vergoedingsaanspraken op de andere partij – mede van belang zijn voor de vraag óf de man de woning kan overnemen en aan zich kan laten toescheiden. Zonder antwoord op die vragen is vooralsnog onvoldoende duidelijk hoe het financiële plaatje van de man eruit gaat zien en of toescheiding van de woning aan hem al dan niet haalbaar is. Wel is de voorzieningenrechter van oordeel dat de man in ieder geval in de gelegenheid moet worden gesteld te onderzoeken óf hij de woning zal kunnen overnemen.
5.3.
Partijen hebben op dit moment (nog) geen overeenstemming over de actuele marktwaarde van de woning. Geen van beide partijen heeft een taxatie van de woning in het geding gebracht, terwijl de (aanzienlijk verschillende) waarde van de woning waarop partijen zich in de onderhavige procedure baseren slechts op een aanname berust. Bij die stand van zaken, in combinatie met het feit dat ook over de overige vermogensbestanddelen en de over en weer gepretendeerde vergoedingsaanspraken op dit moment nog geen (enkele) duidelijkheid is, acht de voorzieningenrechter de door de vrouw gevorderde (machtiging tot) verkoop van de woning prematuur. Voor zover de vorderingen van de vrouw daarop gericht zijn (het in de dagvaarding onder I. tot en met VI. gevorderde), zullen deze dan ook worden afgewezen.
5.4.
Ten aanzien van de vordering om te bepalen dat de man gehouden is de vrouw een gebruikersvergoeding te voldoen ter hoogte van de helft van de gebruikerslasten, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
5.5.
Ter zitting heeft de man – bij monde van zijn advocaat – te kennen gegeven bereid te zijn vanaf 15 juli 2023 de rentelasten van de hypothecaire geldlening(en) op de woning en de gebruikerslasten van de woning geheel voor zijn rekening te nemen. Dit aanbod is door de vrouw (onder protest) aanvaard. Gelet hierop zal de vordering – voor zover die overeenstemt met het door de man gedane aanbod – worden toegewezen. Voor het overige komen de aan de woning verbonden kosten (eigenaarslasten), zolang de woning nog niet zal zijn verdeeld en dus nog in het gemeenschappelijk eigendom van partijen valt, ten laste van beide partijen, ieder voor de helft.
5.6.
Ondanks de wederzijds gevraagde proceskostenveroordelingen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om af te wijken van hetgeen in zaken als de onderhavige gebruikelijk is. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen dan ook worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De voorzieningenrechter
6.1.
bepaalt dat de rentelasten van de hypothecaire geldlening(en) op de woning en de gebruikerslasten van de woning vanaf 15 juli 2023 voor rekening van de man komen,
6.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.3.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.M.P. Langeveld op 11 oktober 2023.
Conc.: 936
Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.
Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/342772 / KG ZA 23-427
Vonnis in kort geding van 11 oktober 2023
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [plaats 1],
eiseres,
advocaat mr. A.J. Robbers te Amsterdam,
tegen
[de man]
,
wonende te [plaats 1],
gedaagde,
advocaat mr. H. Vosmeijer te Amstelveen.
Partijen zullen hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de uitgebrachte dagvaarding van 19 september 2023 met 4 producties
productie 1 zijdens de man
de pleitaantekeningen van de vrouw
de pleitnota van de man.
1.2.
Na uitroeping van de zaak zijn verschenen:
de vrouw
mr. Robbers voornoemd
de man
mr. Vosmeijer voornoemd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De zaak in het kort
2.1.
Partijen hebben hun samenleving beëindigd. De vrouw wil de gezamenlijke woning verkopen, terwijl de man die zelf wil overnemen. Ter zitting is niet voldoende duidelijk geworden dat de man de woning níet zal kunnen overnemen. Mede vanwege de tussen partijen reeds aanhangige bodemprocedure tot verdeling van de eenvoudige gemeenschap en de nog onduidelijke onderdelen die daarin aan de orde zullen moeten komen, zal de vordering tot (machtiging tot c.q. medewerking aan) verkoop van de woning worden afgewezen. Gelet op het aanbod van de man ter zitting wordt de vordering met betrekking tot de gebruikersvergoeding (deels) toegewezen.
Feiten
3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben met elkaar samengewoond in een door partijen gezamenlijk aangekochte woning aan de [adres] te [plaats 1] (hierna: de woning). De door partijen bij aankoop van de woning gesloten samenlevings-overeenkomst is per 4 januari 2022 beëindigd. De vrouw heeft de woning op 15 juli 2023 verlaten.
3.2.
Na beëindiging van de relatie hebben partijen afspraken gemaakt over verdeling van de gemeenschappelijke bezittingen. De man wenst de woning over te nemen. Daarover hebben partijen vooralsnog geen overeenstemming bereikt.
3.3.
Bij dagvaarding van 18 september 2023 heeft de man een bodemprocedure aanhangig gemaakt tot verdeling van de eenvoudige gemeenschap tussen partijen, waarin hij onder meer toescheiding van de woning aan hem voor een waarde van € 401.000,- vordert, hij een vergoedingsrecht jegens de vrouw van € 39.698,- stelt te hebben en vordert dat de vakantiewoning van partijen te [plaats 2] wordt verkocht en verdeeld.
Geschil
4.1.
De vrouw vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis samengevat –haar te machtigen tot verkoop van de woning met alles wat daarvoor nodig is en de man te veroordelen zijn medewerking daaraan te verlenen, althans subsidiair de man te veroordelen de makelaar opdracht tot verkoop van de woning te geven, een en ander op straffe van een dwangsom, alsmede om te bepalen dat de man gehouden is de vrouw een gebruiksvergoeding te voldoen ter hoogte van de helft van de gebruikerslasten, met veroordeling van de man in de proceskosten.
4.2.
Aan haar vordering legt de vrouw – zakelijk weergegeven – ten grondslag dat zij niet gehouden kan worden om de door de man aanhangig gemaakte bodemprocedure af te wachten, omdat de man op basis van zijn inkomen en zijn (gebrek aan) privémiddelen de woning niet kán financieren.
4.3.
De man voert tot zijn verweer – kort gezegd – aan dat hem de gelegenheid moet worden geboden te onderzoeken of hij de woning kan overnemen, maar dat daarvoor mede van belang is de uitkomst van de bodemprocedure met betrekking tot de door hem gestelde vergoedingsrechten jegens de vrouw, alsmede de waarde van de vakantiewoning te [plaats 2]. Zonder die duidelijkheid is verkoop van de woning prematuur. Daar heeft de vrouw bovendien ook geen (spoedeisend) belang bij, temeer daar de man bereid is de rentelasten van de woning per 15 juli 2023 en de gebruikerslasten (geheel) voor zijn rekening te nemen.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
5.1.
Met de vrouw is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet van haar gevergd kan worden dat zij na de beëindiging van de relatie van partijen langdurig in onverdeeldheid blijft zitten. Dat daarvan sprake is, is echter niet gebleken. Uit de door partijen overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat partijen tot relatief recent in overleg zijn geweest over de verdeling van de eenvoudige gemeenschap. Van een ‘stilzitten’ van (één van) partijen of het frustreren van de verdeling lijkt vooralsnog dan ook geen sprake. Daar komt bij dat de man daags vóórdat de vrouw de dagvaarding in de onderhavige kortgedingprocedure heeft uitgebracht een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt om juist tot die verdeling te (kunnen) komen.
5.2.
Met de man is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vragen die in díe procedure voorliggen – waaronder de waardering en verkoop van de vakantiewoning van partijen en de beoordeling van de wederzijds gestelde vergoedingsaanspraken op de andere partij – mede van belang zijn voor de vraag óf de man de woning kan overnemen en aan zich kan laten toescheiden. Zonder antwoord op die vragen is vooralsnog onvoldoende duidelijk hoe het financiële plaatje van de man eruit gaat zien en of toescheiding van de woning aan hem al dan niet haalbaar is. Wel is de voorzieningenrechter van oordeel dat de man in ieder geval in de gelegenheid moet worden gesteld te onderzoeken óf hij de woning zal kunnen overnemen.
5.3.
Partijen hebben op dit moment (nog) geen overeenstemming over de actuele marktwaarde van de woning. Geen van beide partijen heeft een taxatie van de woning in het geding gebracht, terwijl de (aanzienlijk verschillende) waarde van de woning waarop partijen zich in de onderhavige procedure baseren slechts op een aanname berust. Bij die stand van zaken, in combinatie met het feit dat ook over de overige vermogensbestanddelen en de over en weer gepretendeerde vergoedingsaanspraken op dit moment nog geen (enkele) duidelijkheid is, acht de voorzieningenrechter de door de vrouw gevorderde (machtiging tot) verkoop van de woning prematuur. Voor zover de vorderingen van de vrouw daarop gericht zijn (het in de dagvaarding onder I. tot en met VI. gevorderde), zullen deze dan ook worden afgewezen.
5.4.
Ten aanzien van de vordering om te bepalen dat de man gehouden is de vrouw een gebruikersvergoeding te voldoen ter hoogte van de helft van de gebruikerslasten, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
5.5.
Ter zitting heeft de man – bij monde van zijn advocaat – te kennen gegeven bereid te zijn vanaf 15 juli 2023 de rentelasten van de hypothecaire geldlening(en) op de woning en de gebruikerslasten van de woning geheel voor zijn rekening te nemen. Dit aanbod is door de vrouw (onder protest) aanvaard. Gelet hierop zal de vordering – voor zover die overeenstemt met het door de man gedane aanbod – worden toegewezen. Voor het overige komen de aan de woning verbonden kosten (eigenaarslasten), zolang de woning nog niet zal zijn verdeeld en dus nog in het gemeenschappelijk eigendom van partijen valt, ten laste van beide partijen, ieder voor de helft.
5.6.
Ondanks de wederzijds gevraagde proceskostenveroordelingen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om af te wijken van hetgeen in zaken als de onderhavige gebruikelijk is. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen dan ook worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De voorzieningenrechter
6.1.
bepaalt dat de rentelasten van de hypothecaire geldlening(en) op de woning en de gebruikerslasten van de woning vanaf 15 juli 2023 voor rekening van de man komen,
6.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.3.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.M.P. Langeveld op 11 oktober 2023.
Conc.: 936
Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.
Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.