Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-08-23
ECLI:NL:RBNHO:2023:8473
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,335 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 10650845 \ CV EXPL 23-3490
Uitspraakdatum: 23 augustus 2023
Verstekvonnis in de zaak van:
de besloten vennootschap
Billink Financial Solutions B.V.
gevestigd te Rotterdam
de eisende partij
gemachtigde: Deurwaarderskantoor Van Lith B.V.
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
Procesverloop
1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
Beoordeling
2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 105,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast vordert zij veroordeling van de gedaagde partij in de proceskosten.
2.2.
De gedaagde partij is een consument, althans wordt vermoed een consument te zijn.
2.3.
De eisende partij stelt dat de gedaagde partij bij een webwinkel een bestelling heeft geplaatst en heeft gekozen voor de achteraf betaalmethode van de eisende partij, waarbij de gedaagde partij de algemene voorwaarden van de webwinkel heeft geaccepteerd. De eisende partij licht toe dat direct na het voltooien van de koopovereenkomst de uit de verkoop ontstane geldvordering op de koper door de webwinkel aan haar wordt gecedeerd. Volgens de eisende partij gaat zij zelf geen overeenkomst aan met de klant en verstrekt zij ook geen krediet; de eisende partij treedt slechts in de rechten van de webwinkel voor wat betreft de op de gedaagde partij rustende betalingsverplichting.
2.4.
Uit de stellingen van de eisende partij volgt dat sprake is van een hoofdsom die de gedaagde partij verschuldigd is op grond van een met een webwinkel gesloten koopovereenkomst. De omstandigheid dat de gedaagde partij daarbij heeft gekozen voor betaling achteraf aan de eisende partij (en/of dat de webwinkel de vordering tot betaling aan de eisende partij heeft gecedeerd), maakt dat niet anders, althans het sluit niet uit dat niet ook sprake is van een consumentenkoop. Dat betekent dat de eisende partij gemotiveerd moet stellen en onderbouwen dat is voldaan aan de (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW). Anders dan de eisende partij stelt, is de kantonrechter verder van oordeel dat ook sprake is van een consumentenkredietovereenkomst. Hierop wordt in het onderstaande nader ingegaan.
Uitstel van betaling, kredietovereenkomst
2.5.
Partijen zijn overeengekomen dat de gedaagde partij het aankoopbedrag van de bij de webwinkel bestelde goederen binnen veertien dagen na levering van die goederen aan de eisende partij betaalt. Het aan de gedaagde partij verlenen van uitstel van betaling is een vorm van kredietverstrekking (artikel 7:57 lid 1 sub c BW).
2.6.
De eisende partij dient in een dergelijk geval (ook) te stellen en te onderbouwen dat is voldaan aan de bepalingen van titel 7:2A BW, in het bijzonder de informatieplichten van artikel 7:60 BW, en de kredietwaardigheidstoets van artikel 4:34 lid 1 Wet op het financieel toezicht, of dat sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 onder e BW.
2.7.
De eisende partij heeft niet gesteld en onderbouwd dat sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 onder e BW. Daarom gaat de kantonrechter ervan uit dat de bepalingen van titel 7:2A BW op deze overeenkomst van toepassing zijn.
2.8.
De eisende partij heeft echter niet gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de bepalingen van titel 7:2A BW en daar is ook niet van gebleken. Ook is niet (voldoende) onderbouwd dat de eisende partij een kredietwaardigheidstoets heeft uitgevoerd.
Wat is hiervan het gevolg?
2.9.
Op grond van artikel 111 lid 2 onder d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet de dagvaarding de eis en de gronden daarvan vermelden en op grond van artikel 21 Rv moet de eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aanvoeren.
2.10.
De eisende partij heeft niet aan deze eisen voldaan. Daarom wordt de vordering afgewezen.
2.11.
De eisende partij wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt de eisende partij tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de gedaagde partij worden vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter