Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-05-15
ECLI:NL:RBNHO:2023:8377
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,520 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknummer : 10364908 \ WM VERZ 23-162
CJIB-nummer : 245518331
Uitspraakdatum : 15 mei 2023
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van
[betrokkene]
1Het verloop van de procedure
1.1.
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De zaak is behandeld op de zitting van 25 april 2023. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.
Overwegingen
2.1.
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: 4 km per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom.
2.2.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift aangevoerd dat het voertuig ten tijde van de gedraging verhuurd was.
2.3.
De kantonrechter overweegt dat in gevolge van het bepaalde in artikel 5 WAHV betrokkene als kentekenhouder aansprakelijk is voor de geconstateerde gedraging, tenzij één van de gevallen als genoemd in artikel 8 WAHV zich voordoet. Eén van die uitzonderingen is dat de auto voor een termijn van ten hoogste 3 maanden krachtens een schriftelijke bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst is verhuurd en betrokkene de huurovereenkomst overlegt.
2.4.
De boete in onderhavige zaak is opgelegd op 6 november 2021. Uit het overgelegde huurcontract blijkt dat de verhuur van het voertuig zou eindigen op 3 november 2021. Uit de door betrokkene overgelegde factuur van d.d. 10 november 2021 blijkt echter dat het voertuig door de verhuurder daadwerkelijk pas is geretourneerd aan betrokkene op 11 november 2021.
2.5.
Gelet op de strekking van artikel 8, moet de term huurovereenkomst ten gunste van de verhuurder worden uitgelegd, zodat voldoende is dat uit een schriftelijk stuk blijkt van de bedoelde huurovereenkomst en van de tijd waarvoor de overeenkomst is aangegaan. Een uitgeprinte tekst waarop met betrekking tot de huurovereenkomst begin- en eindtijdstip alsmede de voor het te betalen bedrag noodzakelijke gegevens zijn vermeld, kan in deze opvatting onder het begrip huurovereenkomst worden begrepen . Op basis van de overgelegde factuur is zodoende voldoende komen vast te staan dat de verhuurtermijn van het voertuig in onderhavige zaak eindigde op 11 november 2021.
2.6.
Uit de door betrokkene overgelegde gegevens kan worden vastgesteld dat er sprake is van een bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst, dat het voertuig is verhuurd voor een periode van minder dan 3 maanden en dat het voertuig ten tijde van de gedraging was verhuurd, zodat de uitzondering in artikel 8 WAHV opgaat. Het beroep is daarom gegrond. De aan de kentekenhouder opgelegde inleidende beschikking wordt vernietigd.
De uitspraak
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de
boete is opgelegd;
‒ bepaalt dat de officier van justitie het bedrag dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Woerdman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending:
Vgl. de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 september 2019, te vinden op www.rechtspraak.nl met zoekterm ECLI:NL:GHARL:2019:6372.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknummer : 10364908 \ WM VERZ 23-162
CJIB-nummer : 245518331
Uitspraakdatum : 15 mei 2023
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van
[betrokkene]
1Het verloop van de procedure
1.1.
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De zaak is behandeld op de zitting van 25 april 2023. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.
Overwegingen
2.1.
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: 4 km per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom.
2.2.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift aangevoerd dat het voertuig ten tijde van de gedraging verhuurd was.
2.3.
De kantonrechter overweegt dat in gevolge van het bepaalde in artikel 5 WAHV betrokkene als kentekenhouder aansprakelijk is voor de geconstateerde gedraging, tenzij één van de gevallen als genoemd in artikel 8 WAHV zich voordoet. Eén van die uitzonderingen is dat de auto voor een termijn van ten hoogste 3 maanden krachtens een schriftelijke bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst is verhuurd en betrokkene de huurovereenkomst overlegt.
2.4.
De boete in onderhavige zaak is opgelegd op 6 november 2021. Uit het overgelegde huurcontract blijkt dat de verhuur van het voertuig zou eindigen op 3 november 2021. Uit de door betrokkene overgelegde factuur van d.d. 10 november 2021 blijkt echter dat het voertuig door de verhuurder daadwerkelijk pas is geretourneerd aan betrokkene op 11 november 2021.
2.5.
Gelet op de strekking van artikel 8, moet de term huurovereenkomst ten gunste van de verhuurder worden uitgelegd, zodat voldoende is dat uit een schriftelijk stuk blijkt van de bedoelde huurovereenkomst en van de tijd waarvoor de overeenkomst is aangegaan. Een uitgeprinte tekst waarop met betrekking tot de huurovereenkomst begin- en eindtijdstip alsmede de voor het te betalen bedrag noodzakelijke gegevens zijn vermeld, kan in deze opvatting onder het begrip huurovereenkomst worden begrepen . Op basis van de overgelegde factuur is zodoende voldoende komen vast te staan dat de verhuurtermijn van het voertuig in onderhavige zaak eindigde op 11 november 2021.
2.6.
Uit de door betrokkene overgelegde gegevens kan worden vastgesteld dat er sprake is van een bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst, dat het voertuig is verhuurd voor een periode van minder dan 3 maanden en dat het voertuig ten tijde van de gedraging was verhuurd, zodat de uitzondering in artikel 8 WAHV opgaat. Het beroep is daarom gegrond. De aan de kentekenhouder opgelegde inleidende beschikking wordt vernietigd.
De uitspraak
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de
boete is opgelegd;
‒ bepaalt dat de officier van justitie het bedrag dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Woerdman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending:
Vgl. de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 september 2019, te vinden op www.rechtspraak.nl met zoekterm ECLI:NL:GHARL:2019:6372.