Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-06-08
ECLI:NL:RBNHO:2023:7455
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
2,634 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/2920
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juni 2023 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaats], verzoekster
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende het besluit van verweerder van 5 april 2023. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Met het bestreden besluit van 5 april 2023 heeft verweerder verzoekster gelast de splitsing van de bovenwoning aan de [adres] in [plaats] in twee separate woningen voor 15 oktober 2023 ongedaan te maken. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
5. De door verzoekster in twee separate woningen gesplitste bovenwoning worden beide bewoond door een huurder. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd de aan de last verbonden begunstigingstermijn te verlengen met zes maanden om meer tijd te krijgen om tot een oplossing te komen. Die ligt in ofwel het gedogen van de bestaande situatie, dan wel het vinden van twee nieuwe woningen voor haar twee huurders. In een nader bericht heeft verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd de begunstigingstermijn nu zo snel mogelijk te verlengen, omdat haar huurders eisen dat zij uiterlijk 5 juni 2023 een vaststellingsovereenkomst tekent waarbij zij akkoord gaat met een afkoopsom van € 16.000,- per persoon voor het beëindigen van het huurcontract. Gaat verzoekster daarmee niet akkoord, dan verlaten de huurders de woning niet voor ommekomst van de aan de last verbonden begunstigingstermijn, aldus verzoekster.
6. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Omdat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij alles heeft gedaan wat in haar macht ligt om de overtreding te beëindigen, maar direct heeft gevraagd de begunstigingstermijn te verlengen, ziet verweerder op voorhand geen aanleiding dat verzoek in te willigen. Verweerder geeft verder aan dat het bezwaarschrift binnen enkele weken op de zitting van de bezwarencommissie zal worden behandeld en dat binnen de begunstigingstermijn op het bezwaar zal worden beslist.
7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van een situatie van onverwijlde spoed als hiervoor bedoeld geen sprake. Aan verzoekster is een last onder dwangsom opgelegd met een begunstigingstermijn tot 15 oktober 2023. Niet valt in te zien waarom verzoekster de bezwaarprocedure niet kan afwachten nu deze, ook naar verwachting van verweerder, voor afloop van de begunstigingstermijn zal afgerond. In de bezwaarprocedure kan verzoekster haar stelling dat de begunstigingstermijn te kort is (ook) aan de orde stellen. De eis van de huurders van verzoekster om op zeer korte termijn een vaststellingsovereenkomst te tekenen, leidt evenmin tot het oordeel dat sprake is van een situatie van onverwijlde spoed. Voorop wordt gesteld dat de beëindiging van de huurrelatie tussen verzoekster en haar huurders en de wijze waarop dat gebeurt een civiele aangelegenheid is. Maar bovenal volgt uit de door verzoekster overgelegde huurovereenkomst met een van haar huurders dat de opzegtermijn voor het beëindigen van de huur 2 (kalender)maanden bedraagt. Gelet op de begunstigingstermijn is er nog voldoende tijd om deze termijn in acht te nemen. Het staat verzoekster en haar huurders uiteraard vrij om ruimschoots voor deze termijn tot een vaststellingsovereenkomst te komen met betrekking tot het beëindigen van de huur, maar dit leidt er, gelet op het voorgaande, niet toe dat er op dit moment sprake is van een voldoende spoedeisend belang bij het treffen van enige voorlopige voorziening.
Conclusie
8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/2920
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juni 2023 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaats], verzoekster
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende het besluit van verweerder van 5 april 2023. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Met het bestreden besluit van 5 april 2023 heeft verweerder verzoekster gelast de splitsing van de bovenwoning aan de [adres] in [plaats] in twee separate woningen voor 15 oktober 2023 ongedaan te maken. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
5. De door verzoekster in twee separate woningen gesplitste bovenwoning worden beide bewoond door een huurder. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd de aan de last verbonden begunstigingstermijn te verlengen met zes maanden om meer tijd te krijgen om tot een oplossing te komen. Die ligt in ofwel het gedogen van de bestaande situatie, dan wel het vinden van twee nieuwe woningen voor haar twee huurders. In een nader bericht heeft verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd de begunstigingstermijn nu zo snel mogelijk te verlengen, omdat haar huurders eisen dat zij uiterlijk 5 juni 2023 een vaststellingsovereenkomst tekent waarbij zij akkoord gaat met een afkoopsom van € 16.000,- per persoon voor het beëindigen van het huurcontract. Gaat verzoekster daarmee niet akkoord, dan verlaten de huurders de woning niet voor ommekomst van de aan de last verbonden begunstigingstermijn, aldus verzoekster.
6. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Omdat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij alles heeft gedaan wat in haar macht ligt om de overtreding te beëindigen, maar direct heeft gevraagd de begunstigingstermijn te verlengen, ziet verweerder op voorhand geen aanleiding dat verzoek in te willigen. Verweerder geeft verder aan dat het bezwaarschrift binnen enkele weken op de zitting van de bezwarencommissie zal worden behandeld en dat binnen de begunstigingstermijn op het bezwaar zal worden beslist.
7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van een situatie van onverwijlde spoed als hiervoor bedoeld geen sprake. Aan verzoekster is een last onder dwangsom opgelegd met een begunstigingstermijn tot 15 oktober 2023. Niet valt in te zien waarom verzoekster de bezwaarprocedure niet kan afwachten nu deze, ook naar verwachting van verweerder, voor afloop van de begunstigingstermijn zal afgerond. In de bezwaarprocedure kan verzoekster haar stelling dat de begunstigingstermijn te kort is (ook) aan de orde stellen. De eis van de huurders van verzoekster om op zeer korte termijn een vaststellingsovereenkomst te tekenen, leidt evenmin tot het oordeel dat sprake is van een situatie van onverwijlde spoed. Voorop wordt gesteld dat de beëindiging van de huurrelatie tussen verzoekster en haar huurders en de wijze waarop dat gebeurt een civiele aangelegenheid is. Maar bovenal volgt uit de door verzoekster overgelegde huurovereenkomst met een van haar huurders dat de opzegtermijn voor het beëindigen van de huur 2 (kalender)maanden bedraagt. Gelet op de begunstigingstermijn is er nog voldoende tijd om deze termijn in acht te nemen. Het staat verzoekster en haar huurders uiteraard vrij om ruimschoots voor deze termijn tot een vaststellingsovereenkomst te komen met betrekking tot het beëindigen van de huur, maar dit leidt er, gelet op het voorgaande, niet toe dat er op dit moment sprake is van een voldoende spoedeisend belang bij het treffen van enige voorlopige voorziening.
Conclusie
8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.