Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-06-28
ECLI:NL:RBNHO:2023:6038
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
13,445 tokens
Inleiding
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zaaknummer: C/15/339439 / KG ZA 23-228
Vonnis in kort geding van 28 juni 2023
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf 1] B.V.,
gevestigd te [plaats],
hierna te noemen: [bedrijf 1],
advocaat: mr. F.E. van ‘t Hek,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf 2] B.V.,
gevestigd te [plaats],
hierna te noemen: [bedrijf 2],
advocaat: mr. E. van der Spek,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [bedrijf 1] c.s.,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf 3] B.V.,
gevestigd te [plaats],
hierna te noemen: [bedrijf 3],2. [gedaagde],
wonende te [plaats],
hierna te noemen: [gedaagde],
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagde] c.s.,
advocaat: mr. P. van Boxtel te Waalre.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in kort geding met 71 producties; - de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie met 33 producties;
- aanvullende producties 72 tot en met 77 van de kant van [bedrijf 1] c.s.;
- de mondelinge behandeling van 1 juni 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitaantekeningen van [bedrijf 1] c.s. - de spreekaantekeningen van [gedaagde] c.s..
1.2.
Nadat de zaak op verzoek van partijen twee weken is aangehouden, hebben partijen om vonnis gevraagd.
2De zaak in het kort
2.1.
[betrokkene] (hierna: [betrokkene]) en [gedaagde] zijn via hun respectievelijke holdings [bedrijf 2] en [bedrijf 3] ieder voor 50% aandeelhouder en (enig) bestuurders van [bedrijf 1]. [bedrijf 1] richt zich via twee dochtervennootschappen YEA en YRA op relocation en recruitment van expats. Waar [bedrijf 2] ([betrokkene]) zich binnen het bestuur van [bedrijf 1] bezig houdt met financiën, personeels- en juridische zaken, neemt [bedrijf 3] ([gedaagde]) de marketing, sales en communicatie voor haar rekening.
2.2.
In februari 2023 is een geschil ontstaan over vier facturen die [bedrijf 3] op eigen naam heeft verstuurd aan Stichting DutchStartHub (Techleap) voor consultancy werkzaamheden op het gebied van diversiteit en inclusie, ook wel ‘DEI’. [bedrijf 1] c.s. menen dat deze werkzaamheden binnen de scope van [bedrijf 1] vielen en vanuit [bedrijf 1] gedeclareerd hadden moeten worden. Volgens hen is door onrechtmatige concurrentie sprake van een materiële tekortkoming van [bedrijf 3] ([gedaagde]) in haar verplichtingen uit de management- en aandeelhoudersovereenkomst of van een onrechtmatige daad. [bedrijf 3] c.s. betwisten dit.
2.3.
Dat bedoelde DEI consultancy werkzaamheden onder de activiteiten van [bedrijf 1] vielen, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden. Aldus is ook niet aannemelijk geworden dat sprake is van onrechtmatige concurrentie en worden de vorderingen in conventie onder 1 tot en met 3 afgewezen.
De vordering tot schorsing van [bedrijf 3] als bestuurder van [bedrijf 1] dan wel schorsing van haar stem- en/of vergaderrecht, wordt eveneens afgewezen. Weliswaar is sprake van een impasse op bestuurs- een aandeelhoudersniveau, maar niet is voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van wanbeleid aan de kant van [bedrijf 3] of van een zwaarwegende reden die meebrengt dat van de vennootschap in redelijkheid niet kan worden gevergd dat [bedrijf 3] nog langer haar taken als bestuurder uitoefent. Van een (spoedeisend) belang bij de 843a Rv vordering is ten slotte evenmin gebleken, zodat ook die vordering wordt afgewezen.
2.4.
Gelet op het vorenstaande is niet aannemelijk geworden dat [bedrijf 1] bevoegd was om de managementvergoeding van [bedrijf 3] op te schorten en/of de daar aan ten grondslag liggende overeenkomst te beëindigen. Omdat het verweer van [bedrijf 1] c.s. dat [bedrijf 3] de laatste maanden niet of nauwelijks werkzaamheden heeft verricht, evenmin slaagt, worden de vorderingen in reconventie ten aanzien van het (voorschot) op de managementvergoeding en toegang tot het bedrijfspand en de systemen van [bedrijf 1] toegewezen.
Feiten
3.1.
[betrokkene] (hierna: [betrokkene]) en [gedaagde] werken sinds 2019 samen.
3.2.
[gedaagde] heeft ervaring in de recruitment industrie en had een eigen recruitment label. In het kader van uitbreiding van het recruitment business model op het gebied van expats, hebben [gedaagde] en [betrokkene] vanaf 2019 gebouwd aan Your Expat Agency (hierna: YEA).
3.3.
Vanaf 2020 hebben [betrokkene] en [gedaagde] een juridische structuur voor hun samenwerking opgezet.
3.4.
[betrokkene] en [gedaagde] zijn bestuurder/enig aandeelhouder van hun respectievelijke eigen holdings [bedrijf 2] en [bedrijf 3].
3.5.
[bedrijf 1] is op 13 september 2021 opgericht. [bedrijf 2] en [bedrijf 3] hebben ieder 50% van de aandelen in [bedrijf 1] en zijn beiden alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van [bedrijf 1]. [betrokkene] en [gedaagde] hebben binnen het bestuur van [bedrijf 1] een onderlinge rolverdeling afgesproken waarbij [bedrijf 2] ([betrokkene]) financiën, personeels- en juridische zaken en [bedrijf 3] ([gedaagde]) de marketing, sales en communicatie voor haar rekening neemt.
3.6.
[bedrijf 1] is 100% aandeelhouder van YEA en (het later opgerichte) Your Recruitment Agency (hierna: YRA).
3.7.
[betrokkene] en [gedaagde] hebben als onderdeel van de juridische structurering in december 2020 opdracht gegeven aan de advocaat van [bedrijf 1] om een aandeelhouders- en twee managementovereenkomsten op te stellen (hierna: de aandeelhoudersovereenkomst respectievelijk de managementovereenkomst(en)).
3.8.
De aandeelhouders- en de managementovereenkomsten zijn niet getekend.
3.9.
In het laatste concept van de managementovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 3] van februari 2021 is – voor zover relevant – het volgende opgenomen, waarbij voor “Vennootschap” [bedrijf 1] moet worden gelezen en voor “Bestuurder” [bedrijf 3]:
Artikel 3 – Managementvergoeding
3.1
De door de Vennootschap uit hoofde van deze Managementovereenkomst aan de Bestuurder verschuldigde vergoeding bedraagt EUR 7.000 (excl. BTW) per maand (de
Managementvergoeding
).
(…)
Artikel 6 – Duur en beëindiging
(…)
6.3
Onverminderd het bepaalde in artikel 6.1 van deze Managementovereenkomst, is ieder van de Partijen bevoegd deze Managementovereenkomst met onmiddellijke ingang schriftelijk op te zeggen in geval van een materiële toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit hoofde deze Managementovereenkomst door de andere Partij en, na daartoe schriftelijk te zijn aangemaand, deze andere Partij nalaat deze materiële toerekenbare tekortkoming binnen tien werkdagen te herstellen of ongedaan te maken.
Artikel 7 – Non concurrentie-, anti-wervings- en relatiebeding
7.1
De Bestuurder verbindt zich jegens de Vennootschap, gedurende de duur van deze Managementovereenkomst, direct noch indirect, in welk vorm of hoedanigheid dan ook, anders dan voor de Vennootschap, in alle landen waar de Vennootschap alsdan activiteiten uitoefent:
a. betrokken te zijn en/of belang te hebben bij ondernemingen of activiteiten die concurrerend zijn met de activiteiten van de Vennootschap.
3.10.
In het laatste concept (6) van de aandeelhoudersovereenkomst van november 2021 tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 3] is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
3Algemene vergadering en besluitvorming
(…)
3.6
In geval van een impasse in de besluitvorming van de Algemene Vergadering zal gedurende een periode van twee maanden onder leiding van de raad van advies intensief worden getracht de impasse te doorbreken. (…)
7Verplichte aanbieding
7.1
Een aandeelhouder is, op schriftelijk verzoek van de Vennootschap of de andere Aandeelhouders gehouden binnen 10 werkdagen na een dergelijk verzoek haar Aandelen en de Vennootschap aan te bieden indien:
i) (…)
ii) sprake is van een onrechtmatige daad of materiële tekortkoming van een Aandeelhouder in haar verplichtingen voortvloeiende uit deze overeenkomst of haar management vereenkomst, waarvan de schade of welke tekortkoming de Aandeelhouder, voor zover herstel mogelijk is na aansprakelijk of in gebreke te zijn gesteld niet binnen 10 werkdagen heeft vergoed of hersteld;
(…)
15Non-concurrentie
15.1
Ieder van de Aandeelhouders, waaronder in dit verband ook worden begrepen mevrouw [betrokkene] en mevrouw [gedaagde] (…), zal zolang zij enig Aandeel houdt niet direct of indirect, voor zichzelf of voor anderen, tegen vergoeding of om niet:
(i) in enigerlei vorm werkzaam zijn voor, of betrokken zijn bij, dan wel belang hebben bij enige (rechts)persoon of organisatie die activiteiten verricht die vergelijkbaar zijn of concurreren met die van de Vennootschap.
(…)
15.3
Bij overtreding van artikelen 15.1 of 13.2, verbeurt de overtreder zonder dat een ingebrekestelling of andere mededeling vereist is, aan de Vennootschap een direct opeisbare boete van EUR 50.000,- per overtreding en van EUR 1.000,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, een en ander onverminderd het recht van de Vennootschap om nakoming van deze verplichtingen en/of vergoeding van haar schade te vorderen.
15.4
Mevrouw [betrokkene] en mevrouw [gedaagde] (…) tekenen deze overeenkomst mee ter erkenning en bevestiging van het in dit artikel 15 bepaalde.
(…)
16Zakelijke kansen
(…)
16.2
De Aandeelhouders en hun betrokken uiteindelijke begunstigden zullen zakelijke mogelijkheden en/of kansen die zij zien of krijgen op het werkterrein en van de Vennootschap en die aansluiten bij het doel van de Vennootschap en de samenwerking in het kader van deze overeenkomst, na overleg met de andere Aandeelhouders in beginsel gunnen aan de Vennootschap. (…)
21Diversen
21.1
Deze overeenkomst wordt pas van kracht nadat zij door alle Partijen rechtsgeldig is ondertekend.
3.11.
[gedaagde] c.s. hebben van oktober 2022 tot en met januari 2023 uit naam van [bedrijf 3] door middel van vier facturen (hierna: de facturen) een bedrag van in totaal € 34.362,72 aan Stichting DutchStartHub (hierna: Techleap) in rekening gebracht voor consultancy op het gebied van diversiteit en inclusie (hierna: DEI-activiteiten).
Geschil
in conventie
4.1.
[bedrijf 1] c.s.. vorderen om bij wijze van voorlopige voorziening, uitvoerbaar bij voorraad:
1. ten aanzien van de managementovereenkomst:
a. vast te stellen dat een managementovereenkomst werd overeengekomen tussen [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 3] B.V.; en/of
b. vast te stellen dat door onrechtmatige concurrentie sprake is van een materiële tekortkoming van [bedrijf 3] B.V. in haar verplichtingen voortvloeiende uit de managementovereenkomst, althans van een onrechtmatige daad van [bedrijf 3] B.V. jegens [bedrijf 1] B.V.; en
c. indien het gevorderde sub a en b werd toegewezen: vast te stellen dat deze managementovereenkomst werd beëindigd door een vertegenwoordigingshandeling van zelfstandig bevoegd bestuurder JHRM Holding B.V., en indien en voor zover nodig, waarvoor een bestuursbesluit was genomen door alleen [bedrijf 2] B.V. in verband met het aanwezige indirecte persoonlijke tegenstrijdige belang van mevrouw [gedaagde]; en
d. [bedrijf 3] B.V. te veroordelen tot het aan [bedrijf 1] B.V. betalen van een voorschot op de in een bodemprocedure te verwachten toe te wijzen schadevergoeding ter grootte van € 34.362,72, althans een zodanig bedrag als U in goede justitie zal bepalen;
2. ten aanzien van de aandeelhoudersovereenkomst:
a. vast te stellen dat een aandeelhoudersovereenkomst werd overeengekomen tussen onder andere [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 3] B.V.; en/of
b. vast te stellen dat door onrechtmatige concurrentie sprake is van een materiële tekortkoming van [bedrijf 3] B.V. in haar verplichtingen voortvloeiende uit de aandeelhoudersovereenkomst, althans van een onrechtmatige daad van [bedrijf 3] B.V. jegens [bedrijf 1] B.V.; en
c. [bedrijf 3] B.V. te veroordelen tot het binnen 7 dagen na het te wijzen vonnis aanbieden van haar aandelen aan [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. in overeenstemming met artikel 7 van de aandeelhoudersovereenkomst, op straffe van een dwangsom, te verbeuren aan [bedrijf 1] B.V. van EUR 500 per dag met een maximum van EUR 50.000,00; en
d. één deskundige, althans drie deskundigen zoals bepaald in de statuten, te benoemen om de waarde van de aldus aangeboden aandelen van [bedrijf 3] B.V. in [bedrijf 1] B.V. vast te stellen; en
e. [bedrijf 3] B.V. te verplichten de handelsnamen “Your Recruitment Agency” en “Your Housing Agency” uit te schrijven uit het Handelsregister;
3. ten aanzien van de aandeelhoudersovereenkomst in geval van toewijzing van het onder 2.b gevorderde:
a. beide gedaagden hoofdelijk, te veroordelen tot het aan [bedrijf 1] B.V. betalen van een voorschot op de in een bodemprocedure te verwachten toe te wijzen boete ter grootte van:
i. vijf keer EUR 50.000,--, vermeerderd met een bedrag van EUR 1.000,-- per dag dat de overtreding voortduurt vanaf 11 oktober 2022, 6 november 2022, 2 december 2022, 4 januari 2023 en 12 mei 2023, althans
ii. twee keer EUR 50.000,--, vermeerderd met een bedrag van EUR 1.000,-- per dag dat de overtreding voortduurt vanaf 11 oktober 2022 en 12 mei 2023, althans
iii. een zodanig bedrag als U in goede justitie zal bepalen,
althans
,
b. beide gedaagden afzonderlijk, te veroordelen tot het aan [bedrijf 1] B.V. betalen van een voorschot op de in een bodemprocedure te verwachten toe te wijzen boete ter grootte van:
i. vijf keer EUR 50.000,--, vermeerderd met een bedrag van EUR 1.000,-- per dag dat de overtreding voortduurt vanaf 11 oktober 2022, 6 november 2022, 2 december 2022, 4 januari 2023 en 12 mei 2023, althans
ii. twee keer EUR 50.000,--, vermeerderd met een bedrag van EUR 1.000,-- per dag dat de overtreding voortduurt vanaf 11 oktober 2022 en 12 mei 2023, althans
iii. een zodanig bedrag als U in goede justitie zal bepalen,
althans
,
c. mevrouw [gedaagde] te veroordelen tot het aan [bedrijf 1] B.V. betalen van een voorschot op de in een bodemprocedure te verwachten toe te wijzen boete ter grootte van
i. vijf keer EUR 50.000,--, vermeerderd met een bedrag van EUR 1.000,-- per dag dat de overtreding voortduurt vanaf 11 oktober 2022, 6 november 2022, 2 december 2022, 4 januari 2023 en 12 mei 2023, althans
ii. twee keer EUR 50.000,--, vermeerderd met een bedrag van EUR 1.000,-- per dag dat de overtreding voortduurt vanaf 11 oktober 2022 en 12 mei 2023, althans
iii. een zodanig bedrag als U in goede justitie zal bepalen,
althans
,
d. [bedrijf 3] B.V. te veroordelen tot het aan [bedrijf 1] B.V. betalen van een voorschot op de in een bodemprocedure te verwachten toe te wijzen boete ter grootte van:
i. vijf keer EUR 50.000,--, vermeerderd met een bedrag van EUR 1.000,-- per dag dat de overtreding voortduurt vanaf 11 oktober 2022, 6 november 2022, 2 december 2022, 4 januari 2023 en 12 mei 2023, althans
ii. twee keer EUR 50.000,--, vermeerderd met een bedrag van EUR 1.000,-- per dag dat de overtreding voortduurt vanaf 11 oktober 2022 en 12 mei 2023, althans
iii. een zodanig bedrag als U in goede justitie zal bepalen;
4. ten aanzien van de impasse in het bestuur:
a. [bedrijf 3] B.V. met onmiddellijke ingang na het te wijzen vonnis te schorsen als bestuurder van [bedrijf 1] B.V., althans het stem- en/of vergaderrecht van [bedrijf 3] B.V. in het bestuur van [bedrijf 1] B.V. te schorsen;
b. [bedrijf 3] B.V. en mevrouw [gedaagde] te verbieden om:
(i) [bedrijf 1] B.V. of een van haar groepsmaatschappijen in rechte te vertegenwoordigen, en
(ii) zich nog langer toegang te verschaffen tot de bedrijfspanden, bedrijfssystemen en de operationele bedrijfsgegevens van [bedrijf 1] B.V. of een van haar groepsmaatschappijen;
(iii) zich op sociale media uit te laten namens of over [bedrijf 1] B.V. of een van haar groepsmaatschappijen, en
(iv) in enigerlei vorm werkzaam te zijn voor, of betrokken te zijn bij, dan wel belang te hebben bij enige (rechts)persoon of organisatie die activiteiten verricht die vergelijkbaar zijn of concurreren met die van [bedrijf 1] B.V. of een van haar groepsmaatschappijen (recruitment, relocation, DEI), inclusief het geven van trainingen en adviezen over deze activiteiten, en
(v) werknemers, (potentiële) klanten, afnemers, leveranciers en andere relaties van [bedrijf 1] B.V. of een van haar groepsmaatschappijen ertoe te bewegen of trachten te bewegen hun verhouding met [bedrijf 1] B.V. of een van haar groepsmaatschappijen geheel of gedeeltelijk te beëindigen.
5. ten aanzien van de 843a Rv.-vordering:
a. beide gedaagden te veroordelen om binnen 7 dagen na het te wijzen vonnis aan [bedrijf 1] B.V., al dan niet onder nader door U te stellen voorwaarden, de volgende gegevens te verstrekken:
- alle bankafschriften,
- alle BTW-aangiftes, en
- alle uitgaande facturen,
van [bedrijf 3] B.V., Bureau Zwart-Wit B.V. en enige andere (indirect) door mevrouw [gedaagde] gehouden en/of gedreven vennootschap of onderneming, vanaf 1 januari 2022 tot aan maximaal 5 dagen vóór de dag van verstrekking;
b. het gevorderde onder 5.a. toe te wijzen op straffe van een dwangsom, te verbeuren aan [bedrijf 1] Holding B.V., van EUR 500 per dag met een maximum van EUR 50.000,--; en
6. gedaagden hoofdelijk, althans afzonderlijk, te veroordelen in de kosten en de nakosten van deze procedure.
4.2.
[bedrijf 1] c.s. leggen aan de vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag:
i.
Beoordeling
in conventie
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De rechter moet daarom eerst beoordelen of [bedrijf 1] c.s. ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang hebben. Daarnaast geldt dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
5.2.
Gelet op de stelling dat de besluitvorming en communicatie binnen het bestuur en tussen de aandeelhouders van [bedrijf 1] is vastgelopen, waardoor een impasse is ontstaan en de continuïteit van [bedrijf 1] in het geding is, hebben [bedrijf 1] c.s. een voldoende spoedeisend belang bij hun vorderingen.
Geschil
5.3.
Gelet op de standpunten van partijen, ziet de kern van het geschil op de vraag of DEI-activiteiten tot de activiteiten van [bedrijf 1] behoren, althans in de periode waarvoor [bedrijf 3] de facturen aan Techleap heeft gestuurd. Een positief antwoord op deze vraag is een voorwaarde voor het kunnen toewijzen van de gevorderde voorziening.
Achtergrond
5.4.
Tegen de achtergrond van dit kerngeschil speelt de aankondiging door [betrokkene] dat [bedrijf 1] het boekjaar 2022 met een kleine ‘min’ zou afsluiten, welk verlies begin januari 2023 veel groter leek te zijn. Achteraf is gebleken dat [bedrijf 1] 2022 positief heeft afgesloten en dat het verschil was veroorzaakt door het moment van het boeken van omzet en kosten. Dit was echter in februari 2023 nog niet bekend. Op 24 februari 2023 heeft [betrokkene] de facturen ter sprake gebracht en heeft [gedaagde] aangegeven dat deze werkzaamheden geen concurrerende werkzaamheden waren. [bedrijf 2] heeft vervolgens op 1 maart 2023 als bestuurder van [bedrijf 1] besloten om de managementvergoeding van [bedrijf 3] op te schorten, [bedrijf 3] gevraagd om per direct af te treden als bestuurder, [bedrijf 3] gewezen op de verschuldigdheid van boetes van in ieder geval € 200.000,00 en [bedrijf 3] verzocht om haar aandelen in [bedrijf 1] aan te bieden tegen 25% van de marktwaarde. In de weken daarna vindt tussen de advocaten van partijen een discussie plaats over de vraag of de aandeelhouders- en management overeenkomst(en) tot stand zijn gekomen. Op 16 maart 2023 laat [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] weten dat de managementovereenkomst met [bedrijf 3] is beëindigd, omdat [bedrijf 3] de gefactureerde bedragen niet op tijd heeft doorbetaald. Nadat eind maart 2023 een poging om tot een ontvlechting van de samenwerking tussen [gedaagde] en [betrokkene] te komen geen resultaat opleverde, heeft de advocaat van [bedrijf 3] op 7 april 2023 [bedrijf 2] in hoedanigheid van (mede)bestuurder aansprakelijk gesteld voor de schade die [bedrijf 3] lijdt door haar handelswijze. Op 12 april 2023 vond een aandeelhoudersvergadering plaats waarbij de stemmen staakten. De advocaat van [bedrijf 1] heeft op 23 april 2023 [bedrijf 3] per e-mail geïnformeerd dat sprake is van wanprestatie onder de management- en aandeelhoudersovereenkomst. Op de e-mails van de advocaat van [bedrijf 3] van 25 april en 3 mei 2023, waarin wordt voorgesteld om toe te werken naar een reële marktconforme exit, heeft de advocaat van [bedrijf 1] op 8 mei 2023 aangegeven dat dit voor [bedrijf 1] niet acceptabel is, omdat dit voorbij gaat aan de (vermeende) wanprestatie.
Uitgangspunten
5.5.
Het lijdt geen twijfel dat in dit geding sprake is van een impasse tussen [bedrijf 2] ([betrokkene]) en [bedrijf 3] ([gedaagde]) als gelijkelijk bevoegde bestuurders en 50% aandeelhouders van [bedrijf 1]. De formele zeggenschap van de één is bij die stand van zaken niet minder dan die van de ander. Een voorziening zoals hier is gevorderd door en ten gunste van één van de aandeelhouders ([bedrijf 2]), kan bij die stand van zaken alleen worden toegewezen als hoogst aannemelijk is dat haar perspectief het moet winnen van dat van de ander. De beoordeling daarvan vindt plaats op grond van het debat zoals dat is gevoerd.
In aanmerking moet daarbij worden genomen dat de gevorderde voorzieningen er toe strekken dat [bedrijf 2] de uitsluitende zeggenschap over [bedrijf 1] krijgt en dat [bedrijf 3] wordt verplicht tot het aanbieden van haar aandelen tegen 25% van de waarde en tot betaling van (een voorschot) op de in de bodemprocedure volgens [bedrijf 1] c.s. te verwachten toe te wijzen boete van € 250.000,-. Dat zijn forse ingrepen, waarvoor een navenant forse rechtvaardiging moet kunnen worden gevonden.
5.6.
De voorzieningenrechter stelt verder voorop dat het verzoek tot het vaststellen van een rechtstoestand (voorziening 1a/b en 2a/b) een verklaring voor recht is, wat een oordeel vergt dat naar zijn aard niet voorlopig is en in beginsel niet past in een voorlopige voorziening. Daarbij komt dat toewijzing van de gevorderde voorzieningen ten aanzien van de management- en aandeelhoudersovereenkomst in samenhang met de gevorderde schorsing en aanbieding van aandelen, onomkeerbare gevolgen kan hebben door onder meer de aanbiedingsplicht van aandelen. De voorzieningenrechter moet daarom terughoudend zijn bij de beoordeling van deze voorzieningen en zal deze uitsluitend kunnen toewijzen als de rechtstoestand eenvoudig is vast te stellen.
5.7.
Voor zover [bedrijf 1] c.s. hebben gesteld dat sprake is van onrechtmatige concurrentie omdat medio mei 2023 via LinkedIn bekend werd dat [bedrijf 3] ([gedaagde]) het recruitment team van een concurrent gaat trainen, acht de voorzieningenrechter dit voor de beoordeling van de gevorderde voorziening niet, althans van ondergeschikt belang. Niet is immers gesteld of gebleken dat [gedaagde] deze opdracht op eigen naam en niet namens [bedrijf 1] heeft aangenomen. Daarbij komt dat als vast zou komen te staan dat de managementovereenkomst tot stand is gekomen én is beëindigd, zoals [bedrijf 1] c.s. stellen, deze opdracht - die twee maanden daarna zou zijn aangegaan - niet valt onder één van de activiteiten die [bedrijf 3] volgens de managementovereenkomst gedurende een jaar na beëindiging niet mag uitoefenen. Daar komt bij dat [bedrijf 1] c.s. niet hebben uitgelegd op grond waarvan dit onrechtmatige concurrentie is. De beoordeling zal zich daarom toespitsen op de DEI-activiteiten. Eerst zal echter worden ingegaan op de vraag of op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld of (een) management- en een aandeelhoudersovereenkomst zijn overeengekomen.
Management- en aandeelhoudersovereenkomst
5.8.
Vast staat dat de overgelegde laatste concepten van de management- en aandeelhoudersovereenkomst niet definitief zijn gemaakt en niet zijn getekend. Volgens artikel 21.1 van het concept van de aandeelhoudersovereenkomst wordt die overeenkomst pas van kracht, nadat zij door alle partijen rechtsgeldig is ondertekend. Nu dat laatste niet is gebeurd, kan de voorzieningenrechter niet (eenvoudig) vast stellen dat een aandeelhoudersovereenkomst werd overeengekomen. Voor zover daar gezien het declaratoire karakter van de vordering al aanleiding voor is, zal de vordering sub 2a daarom niet worden toegewezen.
Hoewel het concept van de managementovereenkomst een dergelijke ‘tekenbepaling’ niet kent, kan ook ten aanzien van die overeenkomst niet eenvoudig worden vastgesteld dat deze in volle omvang werd overeengekomen. In het bijzonder is op dit punt van belang dat [gedaagde] c.s. betwisten dat het non-concurrentiebeding tussen partijen is overeengekomen. Ter onderbouwing hebben zij gewezen op een e-mail van 21 januari 2021 aan de advocaat van [bedrijf 1] waarin [betrokkene] mede namens [gedaagde] aangeeft dat zij beiden nog hun vraagtekens hebben bij artikel 7. Nadat de advocaat een terugkoppeling gaf, hebben [gedaagde] en [betrokkene] hier niet meer over gesproken. Omdat [bedrijf 1] dit niet hebben weersproken, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat dit beding niet geldt. Daarom is niet aannemelijk geworden dat een managementovereenkomst werd overeengekomen met de tekst van het non-concurrentiebeding van het laatste concept. Wel is aannemelijk dat er enigerlei managementovereenkomst van kracht is die titel heeft gevormd voor betaling van management fees aan beide bestuurders. Voor toewijzing van de vordering sub 1a is echter geen aanleiding, omdat er in kort geding geen declaratoire uitspraken worden gedaan.
DEI-activiteiten
5.9.
[bedrijf 1] c.s.
Dictum
De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen van [bedrijf 1] c.s. af,
6.2.
veroordeelt [bedrijf 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] c.s. tot dit vonnis vastgesteld op € 2.295,00,
6.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
6.4.
veroordeelt [bedrijf 1] tot betaling van (een voorschot) aan [bedrijf 3] van € 35.000,- exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf februari 2023 tot aan de dag van algehele voldoening,
6.5.
veroordeelt [bedrijf 1] dan wel [bedrijf 2] om binnen drie werkdagen na het te wijzen vonnis [bedrijf 3] c.s. toegang te verlenen tot:
het bedrijfspand aan de [adres] te [plaats]; en/of
alle computersystemen, online cloud- en emailomgevingen, (financiële) administratie en bankomgeving, waaronder begrepen Active Campaign (marketing en CRM systeem), het boekhoudsysteem Yuki, ter zake [bedrijf 1] B.V., Your Recruitment Agency B.V. en Your Expat Agency B.V. en zo nodig alle daarvoor benodigde wachtwoorden of andere middelen ter beschikking te stellen;
en zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 50.000,-,
6.6.
veroordeelt [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] c.s. tot dit vonnis vastgesteld op € 539,50,
6.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2023.
1621
Geschil
vordering tot betaling geldsommen en uitschrijving handelsnamen:
wanprestatie althans onrechtmatige daad. [bedrijf 3] is tekort geschoten in de nakoming van de uit de management- en aandeelhoudersovereenkomst voortvloeiende verbintenissen, waardoor zij schadevergoeding en contractuele boetes verschuldigd is. Zij heeft geadviseerd op het gebied van DEI dat al sinds 2021 en ook in 2022 een (nieuwe) activiteit van [bedrijf 1] betrof. [gedaagde] profileert zich als CEO van [bedrijf 1] ook als deskundige op dit gebied. Daarnaast was Techleap een (potentiële) klant van [bedrijf 1], aldus [bedrijf 1] c.s. In het geval geen sprake zou zijn van een rechtsgeldige aandeelhouders- en/of management overeenkomst, is sprake van onrechtmatige concurrentie. Naar mate de aandeelhouders meer betrokken zijn bij de vennootschap, wordt een vergelijking met een vennootschap onder firma (vof) relevant, binnen welk samenwerkingsverband het voor vennoten niet is toegestaan om concurrentie te bedrijven, aldus nog steeds [bedrijf 1] c.s.;
vordering schorsing
schending van de bijzondere zorgplicht die op [bedrijf 3] als bestuurder van [bedrijf 1] rust jegens [bedrijf 1] (de rechtspersoon) en [bedrijf 2] (de andere bestuurder / aandeelhouder). [bedrijf 3] heeft zich niet gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd;
vordering op grond van artikel 843a Rv
[bedrijf 1] c.s. hebben een rechtmatig belang bij inzage in / afschrift van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarbij verzoeker partij is.
4.3.
[gedaagde] c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [bedrijf 1] c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [bedrijf 1] c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [bedrijf 1] c.s. in de kosten van deze procedure.
4.4.
[gedaagde] c.s. voeren onder meer het volgende aan. Een deel van de vorderingen heeft een declaratoir karakter. Die vorderingen zijn daarmee naar hun aard niet voorlopig en dus niet toewijsbaar. Zij betwisten dat de aandeelhouders- en managementovereenkomst(en) tot stand zijn gekomen. Als dit al zo zou zijn, is geen sprake van een materiële tekortkoming als bedoeld in de concept management overeenkomst, omdat DEI activiteiten niet tot de activiteiten van [bedrijf 1] behoorden. Van onrechtmatige concurrentie of een onrechtmatige daad is daarom geen sprake. Daarnaast was [bedrijf 2] niet bevoegd tot beëindiging van de (concept) managementovereenkomst. Voor zover de voorzieningenrechter zich op dit punt bevoegd acht, is schorsing niet in het belang van de vennootschap en het ontnemen van stemrecht niet gerechtvaardigd. Het besluit tot het starten van deze procedure is daarbij niet rechtsgeldig genomen, omdat de goedkeuring van de algemene vergadering ontbreekt en [bedrijf 2] een tegenstrijdig belang heeft. Ten slotte hebben [bedrijf 1] c.s. geen belang bij inzage in stukken, omdat de vraag of sprake is van schending van het non-concurrentiebeding kan worden beantwoord op basis van de bescheiden die [bedrijf 1] c.s. al in bezit hebben. Eerst zal in een bodemprocedure moeten worden vastgesteld of een non-concurrentiebeding is overeengekomen en zo ja, of deze is geschonden. In de bodemprocedure kan zo nodig inzage in bescheiden worden gevorderd zodat een spoedeisend belang ontbreekt, aldus [gedaagde] c.s.
4.5.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
4.6.
[gedaagde] c.s. vorderen om bij wijze van voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [bedrijf 1] te veroordelen tot betaling van (een voorschot) aan [bedrijf 3] van € 35.000,- excl. btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf februari 2023 tot aan de dag van algehele voldoening, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
II. [bedrijf 1] c.s. dan wel YHRM te veroordelen om binnen drie werkdagen na het te wijzen vonnis [bedrijf 3] c.s. toegang te verlenen tot:
a. Het bedrijfspand aan de [adres] te [plaats]; en/of
b. Alle computersystemen, online cloud- en emailomgevingen, (financiële) administratie en bankomgeving, waaronder begrepen Active Campaign (marketing en CRM systeem), het boekhoudsysteem Yuki, ter zake [bedrijf 1] B.V., Your Recruitment Agency B.V. en Your Expat Agency B.V. en zo nodig alle daarvoor benodigde wachtwoorden of andere middelen ter beschikking te stellen;
en zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 50.000,-.
III. [bedrijf 1] c.s. hoofdelijk, de een betalende de ander van haar verplichtingen te zijn gekweten, te veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure in reconventie.
4.7.
[gedaagde] c.s. leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. [bedrijf 1] laat ten onrechte al sinds februari 2023 de maandelijkse managementvergoeding van [bedrijf 3] onbetaald. Zij dient deze betaalverplichting na te komen. Gelet op de mededeling van [betrokkene] namens [bedrijf 2] niet meer tot betaling over te gaan, is [bedrijf 1] in gebreke en in verzuim geraakt. [bedrijf 3] c.s. dienen in het belang van [bedrijf 1] en henzelf toegang tot het bedrijfspand en de systemen te krijgen, zodat [bedrijf 3] onder meer haar rol als bestuurder kan blijven vervullen en inkomen voor [bedrijf 1] kan genereren.
4.8.
[bedrijf 1] c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] c.s., met veroordeling van [gedaagde] c.s. in de kosten van deze procedure.
4.9.
[bedrijf 1] c.s. voeren het volgende aan. De managementovereenkomst is rechtsgeldig beëindigd en voor zover dat niet het geval is, heeft [gedaagde] de afgelopen maanden niet of nauwelijks werkzaamheden verricht namens [bedrijf 1]. Zij heeft daarom geen recht op de managementvergoeding, aldus [bedrijf 1] c.s.
4.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Geschil
hebben, ter onderbouwing van hun stelling dat advies op het gebied van DEI al sinds 2021 en ook nog in 2022 een (nieuwe) activiteit van [bedrijf 1] is, een factuur overgelegd van 4 oktober 2021 aan Techleap met omschrijving ‘D&I Day 2021 Sponsorship Techleap’ en de bij die de organisatie van die dag behorende kostenfacturen. Techleap was volgens [bedrijf 1] c.s. een (potentiële) klant / relatie van [bedrijf 1], omdat [bedrijf 1] voor de [bedrijf 1]- awards aan Techleap facturen heeft gestuurd voor de sponsoring daarvan. [bedrijf 1] c.s. verwijzen naar de plicht van [bedrijf 3] om op grond van de aandeelhoudersovereenkomst zakelijke kansen te gunnen aan [bedrijf 1] en geen concurrerende activiteiten te verrichten. Uitbreiding van de activiteiten van [bedrijf 1] met advisering op het gebied van DEI was zo’n zakelijke kans die zich in 2021 voordeed en waarvoor vanaf dat moment kosten werden gemaakt. Voor hun stelling dat [gedaagde] bij haar profilering als deskundige op het gebied van DEI gebruik heeft gemaakt van de naam van- en haar rol binnen [bedrijf 1], hebben [bedrijf 1] c.s. naar diverse internetpublicaties verwezen.
5.10.
[gedaagde] c.s. hebben aangevoerd dat [gedaagde] zich al vele jaren bezighoudt met DEI vanuit haar overtuiging dat ze zich hard wil maken voor mensen die het minder hebben. Vanwege het belang van DEI voor [gedaagde], is DEI iets wat zij veelvuldig uitdraagt – naast haar fulltime werkzaamheden – en wat voor haar een belangrijk onderdeel is van haar dagelijks leven. Daarom is zij een veel gevraagd spreker, iets wat [bedrijf 1] klanten heeft opgeleverd. Dit is een bewuste PR-strategie waar [betrokkene] altijd achter heeft gestaan en van heeft geprofiteerd, aldus [gedaagde] c.s. Zij verwijzen daartoe naar alle ‘likes’ die [betrokkene] heeft gegeven aan online publicaties over de werkzaamheden van [gedaagde]. [gedaagde] c.s. betwisten verder dat de DEI activiteiten, zoals het initiatief voor de [bedrijf 1]-awards activiteiten van [bedrijf 1] zijn. Deze zijn niet concurrerend, maar juist versterkend voor [bedrijf 1], omdat [gedaagde] zo veel nieuwe klanten kan aanbrengen en [bedrijf 1] meer bekendheid krijgt. [bedrijf 1] is een werving- en selectiebureau dat zich richt op sourcing, recruitment en relocatie van tech talent en biedt geen diensten aan op het gebied van DEI. Dat [betrokkene] de DEI activiteiten ook altijd als niet-concurrerend heeft beschouwd, blijkt onder meer uit het feit dat [betrokkene] geen voorbehoud heeft gemaakt dat [bedrijf 3] hiervoor geen vergoeding mocht vragen. Toen [gedaagde] tijdens een managementoverleg aangaf dat ze eindelijk een vergoeding kreeg van Techleap voor haar werkzaamheden, maakte [betrokkene] geen enkel bezwaar. Dat DEI niets te maken heeft met de activiteiten van [bedrijf 1] blijkt ook uit een e-mail van 20 februari 2023 van [betrokkene] waarin zij vraagt dat wanneer [gedaagde] post, zij dat doet over recruitment en relocation zodat dit direct bij kan dragen aan het resultaat [bedrijf 1]. De facturen van de [bedrijf 1]-award zien ook niet op consultancy op het gebied van DEI. [gedaagde] c.s. betwisten ten slotte dat Techleap een klant van [bedrijf 1] is en dat overeenstemming is bereikt over het non-concurrentiebeding in de concept management- en aandeelhoudersovereenkomst.
5.11.
De voorzieningen rechter stelt voorop dat gelet op de overwegingen hiervoor in r.o. 5.8 niet kan worden vastgesteld dat het non-concurrentiebeding en het zakelijke kansenbeding in de (concept) managementovereenkomst respectievelijk de (concept) aandeelhoudersovereenkomst, zijn overeengekomen. Voor zover die bedingen als intentie afspraken tussen partijen zouden moeten worden beschouwd (al dan niet in een vof-constructie), geldt het volgende.
5.12.
Het non-concurrentiebeding en het zakelijke kansenbeding, die enkel verwijzen naar ‘de activiteiten’ en ‘het werkgebied’ van [bedrijf 1], bieden op zich zelf geen antwoord op de vraag of DEI een activiteit is van [bedrijf 1] of op haar werkterrein ligt. Daarom moet aan de hand van wat [bedrijf 1] c.s. verder naar voren hebben gebracht, beoordeeld worden of het hoogst aannemelijk is dat hun perspectief het wint van dat van [gedaagde] c.s.
Gelet op het standpunt van [gedaagde] c.s. dat het organiseren de [bedrijf 1]-awards (slechts) versterkend is geweest aan de recruitment en relocation activiteiten en nergens uit is gebleken dat [bedrijf 1] naast de [bedrijf 1]-awards in 2021/2022 andere initiatieven heeft genomen op het gebied van DEI, is het onduidelijk wat er precies is afgesproken op het gebied van DEI-activiteiten. De door [bedrijf 1] c.s. overgelegde power point presentatie met als titel “Diversity & Inclusion Programme 2023” doet daar niet aan af, omdat [gedaagde] onweersproken heeft verklaard dat deze is gemaakt om te kijken of ze de activiteiten van [bedrijf 1] per 2023 konden gaan uitbreiden. Het lijkt er daarbij op dat [betrokkene] ([bedrijf 2]) op de hoogte was van de advisering voor eigen rekening van [gedaagde] ([bedrijf 3]) op het gebied van DEI. Hoewel er wellicht argumenten kunnen worden bedacht om te verdedigen dat de DEI-activiteiten binnen de scope van de gezamenlijke onderneming / het werkterrein van [bedrijf 1] moeten vallen, kan niet worden vastgesteld dat tussen partijen een duidelijke omschrijving en afbakening van de grenzen van die scope is overeengekomen. Dat leidt tot de vaststelling dat aannemelijk en begrijpelijk is dat daarover onduidelijkheid is ontstaan. Die onduidelijkheid is aan partijen beide toe te rekenen en had voor [bedrijf 2] en haar adviseurs aanleiding moeten zijn om in lijn met de intentieafspraken in de aandeelhoudersovereenkomst (waar over een raad van advies wordt gesproken die impasses tussen de aandeelhouders en de bestuurders kan helpen doorbreken) overleg en bemiddeling te zoeken, in plaats van de escalatieladder op te gaan.
5.13.
Omdat de visie van [bedrijf 1] c.s. op de DEI-activiteiten het niet wint van die van [gedaagde] c.s., is niet, althans onvoldoende aannemelijk geworden dat DEI-activiteiten vóór 2023 tot het werkgebied van [bedrijf 1] behoorden. Daarom is ook niet, althans onvoldoende aannemelijk geworden dat door onrechtmatige concurrentie sprake is van een materiële tekortkoming of onrechtmatige daad van [gedaagde] c.s. jegens [bedrijf 1] dan wel [bedrijf 2].
[bedrijf 1] was daarom ook niet bevoegd tot beëindiging van de managementovereenkomst met [gedaagde] c.s.. De vraag of [bedrijf 2], gelet op het ontbreken van goedkeuring van de algemene vergadering en een mogelijk tegenstrijdig belang, het besluit tot beëindiging mocht nemen, kan dus in het midden blijven.
5.14.
De gevorderde voorzieningen onder 1, 2 en 3 zullen gezien het vorenstaande worden afgewezen.
Impasse / schorsing bestuurder
5.15.
[bedrijf 1] c.s. wil de impasse binnen [bedrijf 1] doorbreken door het schorsen van [bedrijf 3] als (mede)bestuurder, althans het schorsen van haar stem- en vergaderrecht. Zij leggen daaraan ten grondslag dat [bedrijf 1] in zwaar weer verkeert en een sterk bestuur nodig heeft. [gedaagde] is al maanden minder actief voor [bedrijf 1] geweest dan [betrokkene] en [gedaagde] heeft zich nooit verdiept in de cijfers. Daarnaast is de managementovereenkomst beëindigd, zodat zij is gehouden ontslag te nemen, maar weigert zij dit. Zij heeft zich niet gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.
5.16.
[gedaagde] c.s. betwisten dat schorsing via een voorlopige voorziening jegens [bedrijf 3] gerechtvaardigd is. Een schorsing kan gerechtvaardigd zijn als bijvoorbeeld het functioneren van de bestuurder niet kan voortduren hangende het oordeel over een ontslag en die schorsing in het belang van de vennootschap, maar daar is in dit geval geen sprake van.
Geschil
Zij betwisten dat [gedaagde] al maanden minder actief voor [bedrijf 1] geweest dan [betrokkene] en verwijzen naar de afspraak dat [gedaagde] het in ieder geval tot haar vakantie begin maart 2023 rustiger aan zou doen in verband met een paniekaanval begin februari 2023. Ondanks dat en ondanks dat zij werd buitengesloten van onder meer haar kantoor en de systemen, heeft [gedaagde] binnen haar mogelijkheden doorgewerkt. In de periode daarvoor van oktober 2022 tot januari 2023 heeft zij diverse onderhandelingen voor [bedrijf 1] gevoerd, hetgeen vijf nieuwe klanten heeft opgeleverd.
[gedaagde] c.s. betwisten ook dat [gedaagde] zich nooit heeft verdiept in de cijfers. [gedaagde] heeft na de mededeling eind januari 2023 dat het verlies over 2022 veel groter was dan verwacht, deel genomen aan een video call met de accountant van [bedrijf 1] en gevraagd naar een analyse, die nooit is gekomen. Ook heeft zij in februari 2023 haar zorgen geuit over de wijze waarop [betrokkene], die binnen het bestuur verantwoordelijk was voor de financiën, was omgegaan met de financiën binnen [bedrijf 1], omdat [betrokkene] haar tijdens de wekelijkse MT-meeting tot de eerste week van februari 2023 niet eerder had meegenomen in de vermeende problematische financiële status. Ten slotte is deze kort geding procedure volgens [gedaagde] c.s. ook niet de aangewezen procedure om te beslissen ten aanzien van deze vordering.
5.17.
De vraag die moet worden beantwoord is of er voldoende grond is voor de schorsing. Uitgangspunt bij de beoordeling van deze vraag is dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd (artikel 2:8 van het Burgerlijk Wetboek). Een bestuurder kan worden geschorst indien er een zwaarwegende reden is die meebrengt dat van de vennootschap in redelijkheid niet kan worden gevergd dat de bestuurder nog langer zijn taken uitoefent.
5.18.
Hoewel het schorsen van een bestuurder (bij wijze van onmiddellijke tijdelijke voorziening) in beginsel is voorbehouden aan de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam, kan in uitzonderlijke gevallen ook in kort geding een daartoe strekkende vordering worden ingesteld. De voorzieningenrechter dient bij de beoordeling van een vordering tot schorsing in dat geval de maatstaf toe te passen die ook de Ondernemingskamer hanteert. Dat betekent dat er gegronde redenen moeten zijn voor de voorzieningenrechter om aan te nemen dat een bestuurder zich als bestuurder schuldig heeft gemaakt aan wanbeleid. Het is aan [bedrijf 1] c.s. om dit voldoende aannemelijk te maken.
5.19.
Omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een materiële tekortkoming of onrechtmatige daad van [gedaagde] c.s. jegens [bedrijf 1], is de managementovereenkomst niet beëindigd en hoefde [bedrijf 3] geen ontslag te nemen. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] c.s. van de overige stellingen van [bedrijf 1] c.s. (dat [gedaagde] al maanden minder actief voor [bedrijf 1] geweest dan [betrokkene] en zij zich nooit verdiept heeft in de cijfers), had het op de weg van [bedrijf 1] c.s. gelegen om hun stellingen nader te motiveren. Nu zij dat niet, althans onvoldoende hebben gedaan, hebben [bedrijf 1] c.s. onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van wanbeleid of van een zwaarwegende reden die meebrengt dat van de vennootschap in redelijkheid niet kan worden gevergd dat [bedrijf 3] nog langer haar taken als bestuurder uitoefent. De gevorderde voorzieningen onder 4 zullen daarom ook worden afgewezen.
Verzoek ex art. 843a Rv
5.20.
Om het verzoek in de zin van artikel 843a Rv toe te kunnen wijzen moeten [bedrijf 1] c.s. een rechtmatig belang hebben bij hun verzoek tot inzage in / afschrift van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarbij zij als verzoeker partij zijn. Omdat hiervoor in r.o. 5.13 is overwogen dat niet, althans onvoldoende aannemelijk is geworden dat vóór 2023 DEI-activiteiten tot de activiteiten of het werkgebied van [bedrijf 1] behoorden, is voorshands niet gebleken van een rechtmatig (spoedeisend) belang. De gevorderde voorziening onder 5 zal daarom worden afgewezen.
5.21.
[bedrijf 1] c.s. zijn de partijen die ongelijk krijgen en zij zullen daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] c.s. als volgt vastgesteld:
- griffierecht
€
676,00
- salaris advocaat
€
1.619,00
Totaal
€
2.295,00
5.22.
Volgens vaste rechtspraak (zie HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853) levert
een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel op. De rechtbank zal daarom de nakosten niet afzonderlijk in de proceskostenveroordeling vermelden.
in reconventie
5.23.
Gelet op de stelling dat zij voor hun inkomen afhankelijk zijn van de management vergoeding, hebben [gedaagde] c.s. een spoedeisend belang bij de in reconventie gevorderde voorziening. [bedrijf 1] c.s. hebben dit namelijk niet althans onvoldoende betwist en daarbij staat vast dat [bedrijf 3] sinds februari 2023 geen managementvergoeding heeft ontvangen.
(Voorschot op) betaling managementvergoeding
5.24.
[bedrijf 3] c.s. vorderen (een voorschot op) betaling van de managementvergoeding over de periode van februari 2023 tot en met juni 2023. Het verweer van [bedrijf 1] c.s. dat [bedrijf 3] geen recht heeft op een managementvergoeding, omdat de managementovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, slaagt niet. Zoals hiervoor in 5.13 is overwogen, is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat door onrechtmatige concurrentie sprake is van een materiële tekortkoming of onrechtmatige daad van [gedaagde] c.s. (waaronder [bedrijf 3]) jegens [bedrijf 1] dan wel [bedrijf 2]. De overeenkomst op grond waarvan [bedrijf 3] een managementvergoeding ontvangt, wordt gezien het vorenstaande geacht nog steeds door te lopen, zodat [bedrijf 1] de managementvergoeding in beginsel aan [bedrijf 3] verschuldigd is. Voor de ontvankelijkheid van de vordering tot nakoming is overigens geen ingebrekestelling vereist; de bevoegdheid om nakoming te vorderen is immers niet een gevolg van wanprestatie, maar bestaat al voordat de schuldenaar in verzuim raakt.
5.25.
Het verweer dat [gedaagde] de laatste maanden niet of nauwelijks werkzaamheden heeft verricht – wat de voorzieningenrechter begrijpt als een beroep op opschortingsbevoegdheid wegens verzuim van [bedrijf 3] –, slaagt evenmin. [gedaagde] heeft immers onweersproken aangevoerd dat partijen begin februari 2023 in onderling overleg hebben afgesproken dat [gedaagde] het een paar weken, in ieder geval tot haar vakantie begin maart 2023, rustiger aan zou doen in verband met een paniekaanval. Zij zou haar werkzaamheden gewoon verrichten, maar wat minder op de zaak aanwezig zijn en haar e-mails wat later lezen.