Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-06-21
ECLI:NL:RBNHO:2023:5686
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,145 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10105450 \ CV EXPL 22-5607
Uitspraakdatum: 21 juni 2023
Vonnis van de kantonrechter in de vrijwaringszaak van:
[eiser] h.o.d.n. ‘[bedrijf]’
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats]
eiser
verder te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. K.R. Stephan
tegen
1
[gedaagde 1]
2. [gedaagde 2]
beiden wonende te [plaats]
gedaagde
verder in enkelvoud te noemen: [gedaagde 1] c.s.
gemachtigde: mr. H. Temel
1Het procesverloop
1.1.
[eiser] heeft bij dagvaarding van 13 september 2022 een vordering tegen [gedaagde 1] c.s. ingesteld. [gedaagde 1] c.s. heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
Op 30 mei 2023 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.
Feiten
2.1.
[gedaagde 1] c.s. heeft met [eiser] een aannemingsovereenkomst gesloten op grond waarvan [eiser] een veranda zou bouwen in de tuin van [gedaagde 1] c.s. tegen een aanneemsom van € 7.000,00.
2.2.
De door [eiser] geplaatste glasramen zijn tijdens de werkzaamheden aan de veranda naar beneden gevallen in de tuin van [gedaagde 1] c.s. Hierdoor zijn de tuintegels beschadigd.
2.3.
[gedaagde 1] c.s. heeft vervolgens [eiser] geïnformeerd dat zij niet wil dat [eiser] nog werkzaamheden aan de veranda zou uitvoeren.
2.4.
[eiser] heeft voor de gemaakte kosten van de veranda op 26 november 2020 een factuur ter hoogte van € 5.203,00 (inclusief btw) naar [gedaagde 1] c.s. verzonden. Vervolgens heeft [eiser] op 10 december 2020 een aanmaningsbrief verzonden.
2.5.
[gedaagde 1] c.s. heeft een schademelding ingediend bij haar verzekeraar Aegon Schadeverzekeringen N.V. (hierna Aegon). Aegon is vervolgens een procedure tegen [eiser] begonnen (de hoofdzaak) om het uitbetaalde bedrag op hem te verhalen.
2.6.
Bij vonnis van 24 mei 2023 is [eiser] veroordeeld tot hetgeen Aegon in de hoofdzaak (zaaknr./rolnr. 9827476 \ CV EXPL 22-2375) heeft gevorderd.
3De vordering
3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde 1] c.s. veroordeelt tot betaling van al hetgeen waartoe [eiser] wordt veroordeeld in de hoofdzaak en de proceskosten van deze vrijwaringsprocedure.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat hij met [gedaagde 1] c.s. een aannemingsovereenkomst heeft gesloten ten behoeve van de bouw van een veranda. [gedaagde 1] c.s. wenste van de overeenkomst af te zien nadat al een deel van de werkzaamheden zijn uitgevoerd. [eiser] heeft niet ingestemd met opzegging althans ontbinding van de overeenkomst zonder vergoeding van op zijn minst de gemaakte kosten. [gedaagde 1] c.s. is dan ook gehouden om deze kosten nog te voldoen. [eiser] is door de verzekeraar van [gedaagde 1] c.s. aansprakelijk gesteld voor schade aan de tegels in de tuin van [gedaagde 1] c.s. Het bedrag waarvoor [eiser] aansprakelijk is gesteld dient te worden verrekend met de nog verschuldigde aanneemsom dan wel met de in dat verband verzonden factuur.
4Het verweer
[gedaagde 1] c.s. betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat sprake is van wanprestatie. [eiser] is niet in staat gebleken om een veranda te plaatsen. Doordat de veranda niet deugdelijk en correct is geplaatst zijn de glasramen die al aan de bovenkant van de veranda waren geplaatst naar beneden gevallen. Als gevolg hiervan heeft [gedaagde 1] c.s. schade geleden.
Beoordeling
5.1.
Vast staat dat tussen partijen een (mondelinge) overeenkomst van aanneming van werk bestaat in de zin van artikel 7:750 BW (hierna: de aanneemovereenkomst). Tussen partijen in in geschil op welke wijze de aannemingsovereenkomst is beëindigd. Volgens [eiser] is sprake van opzegging. [gedaagde 1] c.s. beroept zich op ontbinding.
5.2.
Om te kunnen beoordelen of aan [gedaagde 1] c.s. een beroep op ontbinding toekomt dient eerst te worden vastgesteld of aan alle vereisten hiertoe is voldaan. In de eerste plaats (1) moet er sprake zijn van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis. Die tekortkoming moet (2) ernstig genoeg zijn om ontbinding met alle gevolgen daarvan te rechtvaardigen. Als dat zo is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding, voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, wanneer de ander (3) in verzuim is.
5.3.
[eiser] erkent dat de glasramen tijdens de werkzaamheden aan de veranda naar beneden zijn gevallen in de tuin van [gedaagde 1] c.s. Anders dan [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat dit een ernstige tekortkoming vormt, die ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. [eiser] stelt vervolgens dat geen ingebrekestelling is verstuurd zodat geen sprake kan zijn van verzuim en daarmee ook niet van ontbinding. Nakoming is volgens [eiser] immers nog mogelijk. [eiser] heeft ook nadat het voorgeval heeft plaatsgevonden de diverse opties met [gedaagde 1] c.s. besproken en aangeboden om de veranda af te maken. [gedaagde 1] c.s. is hier in eerste instantie in meegegaan maar heeft vervolgens later op de dag aangegeven dit niet te willen, aldus [eiser].
5.4.
[gedaagde 1] c.s. betoogt hiertegenover dat gelet op de tekortkoming nakoming blijvend onmogelijk is. [eiser] is niet in staat om een veranda te plaatsen. Een ingebrekestelling is dan ook niet vereist.
5.5.
De kantonrechter overweegt als volgt. Voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk was, kon van [gedaagde 1] c.s. onder de hiervoor vermelde omstandigheden niet gevergd worden dat zij [eiser] nog tot herstel toeliet, waardoor verzuim is ingetreden. Artikel 6:83 van het Burgerlijk Wetboek behelst immers niet een limitatieve opsomming van de gevallen waarin verzuim zonder ingebrekestelling intreedt; ook de redelijkheid en billijkheid kunnen hierbij een rol spelen (zie HR 6 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7364). Gelet op de gebleken onbekwaamheid van [eiser] was er geen goed resultaat (van de herstelwerkzaamheden) van het werk meer te verwachten. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan [eiser] zich er niet achteraf op beroepen dat [gedaagde 1] c.s. hem niet formeel in gebreke heeft gesteld. Gelet op bovenstaande kwalificeert het bericht van [gedaagde 1] c.s. dat zij niet verder wil werken met [eiser] als een ontbindingsverklaring, zodat de overeenkomst als ontbonden kan worden beschouwd.
5.6.
Ontbinding van de aanneemovereenkomst heeft tot gevolg dat voor partijen een verbintenis tot ongedaan making van de reeds door hen ontvangen prestaties ontstaat. Heeft de prestatie niet aan de verbintenis beantwoord, dan wordt deze vergoeding beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor de ontvanger op dit tijdstip in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad (artikel 6:272 lid 2 BW). Uit het feit dat slechts de frames zijn geplaatst waarna de beglazing die daar tussen zou worden geplaatst stuk is gevallen en voor veel schade heeft gezorgd, leidt de kantonrechter af dat de prestatie van [eiser] voor [gedaagde 1] c.s. geen waarde had, zodat [gedaagde 1] c.s. geen vergoeding aan [eiser] verschuldigd is.
5.7.
De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiser] zal afwijzen.
5.8.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser], omdat hij ongelijk krijgt.
Dictum
De kantonrechter:
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde 1] c.s. worden vastgesteld op een bedrag van € 264,00 aan salaris van de gemachtigde van [gedaagde 1] c.s..
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter