Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-04-05
ECLI:NL:RBNHO:2023:4147
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,220 tokens
Inleiding
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/3123
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 april 2023 in de zaak tussen
[eiser]
, wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Met dagtekening 11 december 2020 is aan eiser een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) opgelegd ten bedrage van € 3.137.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief van 17 december 2020. Het bezwaar is door verweerder op 10 maart 2022 ongegrond verklaard.
Eiser heeft daartegen op 11 april 2022 beroep ingesteld. Verweerder heeft op 13 januari 2023 gereageerd met een nader stuk.
Eiser heeft een verzoek ingediend bij de rechtbank tot digitale dan wel hybride behandeling van de zaak op zitting. Dit verzoek is door de rechtbank toegewezen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2023 te Haarlem. Gemachtigde heeft de zitting online bijgewoond. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] , mr. [naam 2] en [naam 3] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiser heeft rond 27 november 2019 een [auto] , met kenteken [#] (hierna: de auto) gekocht voor € 31.500 exclusief btw en bpm. De auto is vervolgens door eiser verkocht op 30 juni 2020 voor € 79.950 inclusief btw en bpm.
2. De productiedatum van de auto is 4 december 2018. De datum eerste toelating van de auto is 24 april 2019. Het land van herkomst van de auto is de Bondsrepubliek Duitsland.
3. Op 29 januari 2020 heeft eiser aangifte bpm gedaan voor de auto. In de aangifte staat onder andere dat de Co2-uitstoot 214 gr/km is, de nettocatalogusprijs inclusief accessoires en opties € 76.474 is, een taxatierapport is gekozen als methode voor de vermindering (afschrijving) van de bpm, de historische nieuwprijs € 125.345 is, de handelsinkoopwaarde € 32.226, de bruto bpm € 36.243 en de te betalen bpm € 9.314.
4. Door [bedrijf 1] B.V. is een taxatie uitgevoerd en een rapport opgesteld. Dit rapport ligt ten grondslag aan de door eiser ingediende aangifte bpm. Het taxatierapport (waar naar is verwezen in de aangifte) vermeldt onder andere het volgende:
Brandstof: benzine
Co2 uitstoot: 214 g/km
Kilometerstand: 14542
Algemene indruk
Carosserie: zie schadecalculatie
Interieur: Goed
Technisch: Goed
Onderstel: Goed
Banden: Redelijk
Bijzonderheden en/of opmerkingen
Het betreft hier een zeer recent voertuig zodat wij 90% aftrek van het schadebedrag hebben toegepast.
Marktonderzoek
Ten behoeve van het bepalen van de handelswaarde is door mij de xray-koerslijstwaarde gehanteerd.(bijlage).
Taxatie
Oorspronkelijke consumentenprijs, incl opties/extra’s af fabriek, incl. BTW, incl. BPM: € 125.345
Waarde bij inkoop door een handelaar in Nederland incl. BTW, incl. PBM: € 60.543
Waarde bij inkoop door een handelaar in Nederland: € 60.543
Herstelkosten (90% van de herstelkosten á € 31.463): € 28.317
Waarde bij inkoop door een handelaar in Nederland, minus herstelkosten, incl. BTW, incl. BPM: € 32.226
Reparatiekosten bruto: € 31.463
5. De auto is op 24 januari 2020 ter keuring aangeboden bij de RDW. De kilometerstand is door de RDW vastgesteld op 14.563 en de Co2-uitstoot NEDC2 gecombineerd op 214 g/km.
6. Eiser is uitgenodigd om het voertuig op 4 februari 2020 te tonen bij Domeinen Roerende zaken (hierna: DRZ). Naar aanleiding hiervan heeft [naam 4] (werkzaam bij DRZ) d.d. 14 februari 2020 een rapport “Onderzoek waardebepaling” opgesteld. In dit rapport is het volgende vermeld:
1. Algemene voertuiggegevens
(…)
Co2 (gram) 214 gr/km
Opgegeven kilometerstand 14.563 km
2a. Berekening consumentenprijs
a. Consumentenprijs incl. de standaard van fabriekswege aangebrachte accessoires en pakketten € 118.870
b. Waarde overige pakketten en accessoires € 6.475
c. Totaal € 125.345
2b. Netto catalogusprijs
(…)
Totaal netto catalogusprijs € 76.474
3b. Koerslijstonderzoek
Handelsinkoopwaarde op basis van de koerslijsten
AutotelexPro (Marge) € 72.050
Xray (Marge) € 60.080
Eurotax XchangeNet € 76.220
3c. Conclusie
Laatste handelsinkoopwaarde n.a.v. onderzoek referentievoertuigen en koerslijsten Xray (Marge)
Handelsinkoopwaarde € 60.080
4b. Waarde corrigerende factor
1)2)3) (anders dan normale gebruikersschade, behorende bij leeftijd en kilometerstand)
1. Bruto schadecalculatie DRZ € 14.950
2. Vastgestelde waardevermindering door schade DRZ € 12.108 (81%)
5. Vaststelling handelsinkoopwaarde
Handelsinkoopwaarde overgenomen uit 3c € 60.080
Waardevermindering DRZ (4b2) - € 12.108
Handelsinkoopwaarde voertuig € 47.972
7. De auto is op 1 juli 2020 te naam gesteld.
Geschil
8. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.
Meer in het bijzonder is in geschil of:
de hertaxateur van DRZ voldoende onafhankelijk en deskundig is;
de auto door de invoering van de WLTP/NEDC2 testmethode een hogere Co2-uitstoot heeft gekregen en zo ja, of WLTP/NEDC2 geteste auto's daardoor zwaarder worden belast en of dit in strijd komt met artikel 110 van het VWEU, omdat referentievoertuigen die in dezelfde periode worden ingevoerd, doch waarvan de Co2-uitstoot is vastgesteld op basis van de NEDC1 testmethode;
de inspecteur in strijd met het vertrouwens- / rechtszekerheidsbeginsel handelt wanneer de WLTP/NEDC2 geteste auto’s tot een hoger bedrag in de heffing worden betrokken, omdat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft gesteld dat de invoering van de WLTP/NEDC2 niet tot een hogere belastingdruk mag leiden;
de hertaxateur voldoende mate rekening heeft gehouden met de waardevermindering vanwege schade;
een rekenfout is gemaakt door de inspecteur.
9. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep. Hij stelt primair dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Subsidiair stelt eiser dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot nihil, omdat de nieuwprijs vastgesteld dient te worden op € 128.776, de Co2-uitstoot moet worden bepaald op 189 g/km op basis van de NEDC1 methode en dit correspondeert met een bruto bpm van € 25.518 (een verschuldigde bpm van € 8.533). Meer subsidiair stelt eiser dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot € 2.805, omdat de inkoopwaarde vastgesteld dient te worden op € 47.972, de nieuwprijs op € 128.776 en de bruto bpm op € 36.248 (een verschuldigde bpm van € 12.119). Eiser verzoekt verweerder te veroordelen in de proceskosten. Tot slot heeft eiser ter zitting verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
10. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht.
11. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Overwegingen
Onafhankelijkheid en deskundigheid hertaxateur DRZ
12. Eiser stelt zich op het standpunt dat het hertaxatierapport van DRZ niet gebruikt kan worden, omdat de hertaxateur geen erkend taxateur is en niet staat ingeschreven in enig daartoe erkend register. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Uitvoeringsregeling bpm. Daarnaast stelt eiser dat de hertaxateur niet onafhankelijk is, niet onpartijdig is en hij niet beschikt over de vereiste kwalificaties en professionele competenties. Gelet hierop wordt volgens eiser in strijd met artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gehandeld; zowel de hertaxateur als de inspecteur handelen in strijd met het verbod van vooringenomenheid. Bovendien stelt eiser dat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld door geen hertaxatie te laten verrichten door een onafhankelijk expert en daarom in strijd met artikel 3:2 van de Awb heeft gehandeld. Verweerder bestrijdt het standpunt van eiser.
13. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat er reden bestaat om te twijfelen aan de deskundigheid van de taxateur van DRZ dan wel dat er aanleiding bestaat om vanwege de werkwijze van DRZ geen of minder waarde aan het rapport van DRZ te hechten (vgl. gerechtshof Den Bosch 13 december 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:5259, gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1242, gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4882, gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1676 en gerechtshof Den Bosch 8 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1818).
14. Het staat de inspecteur vrij om een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling bpm heeft betrekking op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat DRZ een persoonlijk en/of zakelijk belang zou hebben bij de uitkomst van de procedure, anders dan het belang als ingehuurde deskundige. De enkele stelling van eiser dat de taxateur van DRZ zijn werkzaamheden niet onafhankelijk en niet onpartijdig heeft uitgevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om vooringenomenheid van de hertaxateur aan te nemen. De rechtbank heeft ook, afgaande op de inhoud van het taxatierapport, geen reden om aan de deskundigheid van de hertaxateur te twijfelen. Dat de ondertekenaar van het onderzoeksrapport zelf geen erkend taxateur is, wil niet zeggen dat de taxateurs in dienst van DRZ die de taxatie hebben uitgevoerd niet deskundig zijn. De stellingen van eiser dat sprake is van onzorgvuldig handelen aan de zijde van verweerder, verweerder niet de nodige kennis heeft vergaard, verweerder in het verlengde van voornoemde vooringenomen heeft gehandeld en dat verweerder misbruik van zijn bevoegdheden heeft gemaakt, zijn onvoldoende onderbouwd en behoeven daarom geen verdere behandeling. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Verboden onderscheid auto’s getest volgens NEDC1 en WLTP/NEDC2
15. Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van een ingevolge artikel 110 van het VWEU verboden onderscheid in heffing tussen NEDC1 en WLTP/NEDC2 geteste auto’s, voor zover de auto’s soortgelijk zijn en de WLTP/NEDC2 geteste auto zwaarder wordt belast. De overgang naar de WLTP-methode leidt tot een hogere Co2-uitstootwaarde, waardoor gelijksoortige referentievoertuigen waarvan de Co2-uitstoot is vastgesteld op basis van de NEDC1-testmethode, tot een lager bedrag in de heffing worden betrokken. De zogenoemde restantvoorraadregeling leidt er volgens eiser toe dat soortgelijke auto’s met dezelfde datum eerste toelating voor de heffing van de bpm verschillend worden behandeld. Op basis van de restantvoorraadregeling kunnen auto’s die vóór 1 juni 2018 zijn geproduceerd en toen volgens NEDC1 zijn getest nog tot 1 september 2019 worden geregistreerd, waarbij de uitstootwaarde volgens NEDC1 geldt. Volgens eiser leidt artikel 9, elfde lid, van de Wet bpm tot (fiscale) discriminatie. Daarnaast stelt eiser dat de door Nederland gekozen restantvoorraad-optie voor een grotere afzetmarkt zorgt voor restantvoorraadauto’s, hetgeen ertoe leidt dat het in Nederland gemakkelijker is om op de markt een NEDC1-geteste auto te krijgen dan op de Duitse markt. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van soortgelijke auto’s heeft eiser verwezen naar jurisprudentie en een lijst overgelegd waarop de auto en een - volgens eiser - soortgelijk voertuig staan vermeld met een lagere uitstootwaarde. In dit kader heeft eiser de rechtbank verzocht prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ).
16. Verweerder stelt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:561), dat de vastgestelde Co2-uitstoot een eigenschap is van de auto en dat er reeds om die reden geen sprake kan zijn van strijd met artikel 110 van het VWEU. Indien de rechtbank van oordeel is dat vergelijkbare voertuigen met een afwijkende Co2-uitstoot toch als soortgelijk moet worden beschouwd, stelt verweerder dat de restantvoorraadregeling is gebaseerd op de Europese Kaderrichtlijn 2007/46 en dat het geen nationaalrechtelijke regeling betreft. De uitvoering van deze regeling bevoordeelt de Nederlandse markt voor gebruikte voertuigen niet. Daarnaast stelt verweerder dat het referentievoertuig dat is aangedragen door eiser (alleen al op basis van de technische gegevens) niet is aan te merken als een gelijksoortig voertuig. Het typegoedkeuringsnummer is verschillend en de productiedatum van de auto is 4 december 2018, waardoor de auto niet onder de restantvoorraadregeling kan vallen. Voorts blijkt niet uit de technische gegevens dat het uitrustingsniveau van de auto hetzelfde is als die van het referentievoertuig. Er is daarom niet door eiser aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Indien wel sprake zou zijn van gelijksoortige voertuigen, is evenmin geen strijd met artikel 110 van het VWEU, aldus verweerder. Hiertoe verwijst verweerder naar jurisprudentie (waaronder het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:561) en de door eiser aangehaalde conclusie van A-G IJzerman van 25 september 2019 (ECLI:NL:PHR:2019:946). Verweerder betwist dat de restantvoorraadregeling in Nederland groter is dan in andere landen en mocht daar wel sprake van zijn dan leidt dit volgens verweerder niet tot strijdigheid in de zin van artikel 110 van het VWEU. De keuze van de fabrikant valt namelijk niet onder de strekking van artikel 110 van het VWEU. In dit verband verwijst verweerder naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 29 juli 2021 (ECLI:NL:RBNNE:2021:3240).
17. Bij toepassing van artikel 110 van het VWEU komt het erop aan vast te stellen dat ter zake van de registratie van een uit een andere lidstaat afkomstig motorvoertuig niet méér bpm wordt geheven dan ter zake van gelijksoortige motorvoertuigen die in Nederland op het tijdstip van de registratie in de handel zijn.
18. De Co2-uitstootwaarde is tot 1 september 2017 bepaald met de NEDC-methode. Vanaf 1 september 2017 wordt die bepaald met toepassing van de WLTP-methode. De grondslag van de heffing van bpm is sinds 2014 de Co2-uitstoot uitgedrukt in grammen per kilometer. De methode om de uitstootwaarde te bepalen is gebaseerd op Unierechtelijke voorschriften. Omdat de WLTP-methode (doorgaans) leidt tot een hogere uitstootwaarde dan de NEDC-methode, is voor de heffing van bpm een overgangsregeling getroffen. Die houdt in dat tot 1 juli 2020 de Co2-uitstootwaarde van de WLTP-waarde wordt omgerekend naar een NEDC-waarde (NEDC2 genoemd; de oorspronkelijke NEDC-waarde wordt NEDC1 genoemd). Vanaf 1 juli 2020 geldt de WLTP-waarde en zijn de tabellen in artikel 9 van de Wet bpm (naar beneden) aangepast op de hogere waarden. Ook de NEDC2-waarde kan hoger zijn dan de NEDC1-waarde.
19.
Conclusie
35. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. De naheffingsaanslag blijft in stand. Er wordt niet toegekomen aan het beroep op interne compensatie en de rechtbank ziet geen reden om de zaak aan te houden, zoals door eiser ter zitting is verzocht.
Verzoek om vergoeding van immateriële schade
36. Eiser heeft verzocht om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, wordt indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden, verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie.
37. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 25 februari 2021, de uitspraak op bezwaar is gedaan op 10 maart 2022 en de rechtbank doet uitspraak op 5 april 2023, zodat in deze zaak de redelijke termijn, met inachtneming van de uitgangspunten zoals geformuleerd door de Hoge Raad in zijn arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, is overschreden met afgerond 2 maanden welke periode volledig is toe te rekenen aan de bezwaarfase. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de verlenging van de termijn.
38. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 500.
Proceskosten
39. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0,5 nu de proceskostenvergoeding uitsluitend wordt toegekend vanwege de vergoeding van door eiser geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660)). Ook het geheven griffierecht moet worden vergoed.
Dictum
De rechtbank verklaart:
het beroep ongegrond;
veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 500;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 837;
draagt verweerder op om het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Berkhof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.
Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Overwegingen
Gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder dient eiser aannemelijk te maken, dat op het tijdstip van de registratie van de auto in Nederland gebruikte motorrijtuigen in de handel waren die gelijksoortig zijn aan de auto en waarvan, op of omstreeks de datum van eerste toelating van de auto in de desbetreffende EU-lidstaat, in Nederland bpm is geheven op basis van een ‘oude’ NEDC-uitstootwaarde (vgl. gerechtshof Amsterdam 10 november 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3572, rechtsoverweging 4.18).
20. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft eiser één referentievoertuig genoemd, eveneens zijnde een [merk] . Vaststaat dat de auto van eiser na 1 juni 2018, namelijk op 4 december 2018, is geproduceerd. Hierdoor voldoet de auto niet aan de criteria van de Europese Kaderrichtlijn 2007/46. De auto zou daarom niet tot een Nederlandse restantvoorraad kunnen behoren terwijl dit voor de referentieauto - zo begrijpt de rechtbank het betoog van eiser - wel het geval is. Reeds om die reden kan eiser niet worden gevolgd in zijn betoog dat als gevolg van de restantvoorraadregeling op de auto van eiser meer bpm wordt geheven dan op een gelijksoortige binnenlandse auto rust. Eiser heeft voorts een overzicht gegeven van de technische specificaties van de auto en die van het referentievoertuig. Hieruit volgt dat de auto en het referentievoertuig verschillen in aantallen zitplaatsen (5 respectievelijk 4), typegoedkeuring, variant (ATA2 respectievelijk AAA2), uitvoering (5AG respectievelijk 4), geluidniveau (rijdend en stationair), milieuklasse en deeltjesuitstoot. Bovendien gaat het in dit verband ook om de vraag of de consument de voertuigen als gelijksoortig beschouwt en dat het daarbij niet alleen gaat om de technische gegevens (vgl. HvJ 19 december 2013, nr. C-437/12, ECLI:NL:2013:178, punten 23 en 24). Ook op dit punt acht de rechtbank de onderbouwing van eiser onvoldoende om het referentievoertuig als gelijksoortig te beschouwen en eiser te volgen in zijn betoog dat artikel 110 van het VWEU is geschonden. Met name op het punt van het uitrustingsniveau is onduidelijk gebleven of en in hoeverre de auto en het referentievoertuig voldoende vergelijkbaar zijn.
21. Nu eiser niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast faalt het beroep op artikel 110 VWEU. Voor het stellen van prejudiciële vragen ziet de rechtbank geen aanleiding.
Vertrouwensbeginsel / rechtszekerheidsbeginsel
22. Eiser heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Hij stelt dat diverse uitlatingen van de staatssecretaris van Financiën het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat de invoering van de WLTP-testmethode niet zou leiden tot een hogere belastingdruk. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser in het beroepschrift een aantal citaten van de staatssecretaris van Financiën uit verschillende Kamerstukken opgenomen.
23. Verweerder heeft aangevoerd dat de aangehaalde opmerkingen van de staatssecretaris van Financiën niet verder gaan dan een voornemen om de invoering van de nieuwe testmethode op macroniveau budgettair neutraal te laten plaatsvinden. Verweerder heeft verder aangevoerd dat dit uitlatingen betreft die de staatssecretaris van Financiën als wetgever heeft gedaan en dat eiser er daarom geen vertrouwen aan kan ontlenen. Daarnaast is volgens verweerder niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel gehandeld, omdat de overgang van de NEDC1-methode naar de WLTP-methode ruim voor de invoering daarvan is gecommuniceerd en eiser aan oude wetgeving niet een rechtens te honoreren vertrouwen kan ontlenen dat altijd dezelfde regeling van toepassing zal zijn, gegeven de voortdurend aanwezige mogelijkheid van toekomstige wetswijzigingen. In dit verband verwijst verweerder naar de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 april 2021 (ECLI:NL:RBGEL:2021:2149).
24. De rechtbank overweegt dat als een belastingplichtige ter onderbouwing van een beroep op het vertrouwensbeginsel wijst op uitlatingen van de staatssecretaris van Financiën, eerst moet worden vastgesteld in welke hoedanigheid de staatssecretaris van Financiën die uitlatingen heeft gedaan. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de hoedanigheid van bestuurder (uitvoerder van de belastingwet en ambtelijk leidinggevende van verweerder) enerzijds en de hoedanigheid van medewetgever (lid van het kabinet dat wetsvoorstellen indient) anderzijds. Heeft de staatssecretaris van Financiën als bestuurder een toezegging gedaan over de toepassing van de wet, dan is verweerder daar later aan gebonden. Dat is echter niet het geval als het gaat om een uitlating over de uitleg van de wet die de staatssecretaris van Financiën als medewetgever heeft gedaan. Uit de inhoud van de door eiser genoemde Kamerstukken leidt de rechtbank af dat de uitlatingen van de staatssecretaris van Financiën waarop eiser zich beroept, zijn gedaan in de hoedanigheid van medewetgever en niet in de hoedanigheid van bestuurder. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het beroep op het vertrouwensbeginsel reeds hierom niet kan slagen (vgl. Hoge Raad van 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9000).
25. Ten aanzien van eisers beroep op het rechtszekerheidsbeginsel geldt dat ook dit beroep niet slaagt, reeds omdat eiser niet een rechtens te honoreren vertrouwen kon ontlenen aan dat dezelfde regelgeving altijd van toepassing zou blijven.
Handelsinkoopwaarde in beschadigde staat (omvang schadevermindering)
26. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten onrechte niet of nauwelijks rekening is gehouden met de schade aan de auto. Uit het taxatierapport van Vitex blijkt dat sprake is van waardeverminderingen vanwege schade en deze schade wordt ten onrechte niet of nauwelijks erkend in het hertaxatierapport. Ter onderbouwing wijst eiser op de werkwijze van taxeren door de DRZ. Er kan niet gesproken worden van een deugdelijk rapport en er kan geen waarde worden gehecht aan het hertaxatierapport, althans meer waarde dient te worden gehecht aan het taxatierapport van Vitex, aldus eiser. Daarnaast wijst eiser ter onderbouwing erop dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade. Dit beleid vindt volgens eiser zijn grondslag in diverse innameprotocollen en daarbij geldt bijvoorbeeld dat steenslag onder de 100.000 KM, ingevreten fecaliën, krassen, schampen en vegen, beschadigde velgen, deuken, roest, krassen in ruiten, versleten banden, een vervuild interieur niet acceptabel zijn en ontbrekende onderdelen, zoals onderhoudsboekjes, een waardevermindering opleveren. Uit de schadecalculatie in het taxatierapport van Vitex blijkt volgens eiser dat een of meer van deze schades aanwezig is. De hertaxateur en in het verlengde daarvan de inspecteur, heeft volgens eiser het recht op onjuiste wijze toegepast.
27. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voldoende rekening is gehouden met een waardevermindering wegens schade en eiser een verdere waardevermindering wegens schade niet aannemelijk heeft gemaakt door middel van het door hem ingebrachte taxatierapport en evenmin door de hem overgelegde bescheiden. De facturen bevatten veel kosten die niet aan te merken zijn als schade (transportkosten, taxatiekosten, tankkosten, onderhoudsbeurt, wassen, fotorapportage, verkoopbemiddeling, aankoopkeuring) en tevens blijkt dat de meeste facturen dateren van vóór het moment van taxatie / aangifte waardoor aannemelijk is dat een deel van het herstel heeft plaatsgevonden voor het moment van aangifte. Verweerder verwijst ter bestrijding van de gestelde waardevermindering naar het hertaxatierapport van DRZ. Ten aanzien van het beleid dat eiser noemt, wijst verweerder op de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch van 7 december 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:5458) en brengt verweerder naar voren dat binnen de Belastingdienst geen sprake is van een dergelijk beleid. Het recht is volgens verweerder niet onjuist toegepast.
Overwegingen
Indien de rechtbank tot de conclusie komt dat sprake is van meer schade, dan stelt verweerder zich (subsidiair) op het standpunt dat een aftrek van 81% van de schade gerechtvaardigd is.
28. Ingevolge artikel 10 van de Wet bpm wordt met betrekking tot gebruikte personenauto’s wordt het bij de personenauto behorende bedrag aan belasting, bedoeld in artikel 9, eerste tot en met derde lid en twaalfde lid, berekend met inachtneming van een vermindering. Ingevolge artikel 10, achtste lid, aanhef en letter a, van de Wet bpm bestaat de mogelijkheid om op verzoek de afschrijving te bepalen aan de hand van een taxatierapport indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade, niet zijnde een schadevoertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, letter u van de Wegenverkeerswet 1994
29. Tussen partijen is niet in geschil dat in het onderhavige geval sprake is van meer dan normale gebruiksschade, zodat er plaats is om de afschrijving te bepalen met behulp van een taxatierapport als bedoeld in artikel 10, achtste lid, van de Wet bpm. Partijen verschillen van mening over de omvang van de in aanmerking te nemen reparatiekosten en wat de waardevermindering als gevolg daarvan is.
30. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat eiser, die zich beroept op een vermindering, daarvan de bewijslast draagt (vgl. Hoge Raad 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695, r.o. 2.3.4; Hoge Raad 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1273, r.o. 4.2.6). Dit betekent dat eiser aannemelijk moet maken dat de waardevermindering meer bedraagt dan € 12.108.
31. Op basis van de overgelegde stukken is de rechtbank van oordeel dat eiser is uitgegaan van onjuiste reparatiekosten. De aangebrachte schadeposten met de verwijzing naar de in zijn opdracht bij gelegenheid van de aangifte opgemaakte taxatierapport en overgelegde facturen zijn niet door eiser aannemelijk gemaakt, daargelaten of reparatiekosten tot hun volledige bedrag tot een waardevermindering zouden leiden. De facturen hebben voor een groot deel betrekking op andere werkzaamheden dan reparaties van schade en zijn bovendien voorzien van dagtekeningen gelegen vóór de taxatie/aangifte van eiser. Deze facturen kunnen niet dienen ter onderbouwing van de waarde van de auto ten tijde van het belastbaar feit. Het taxatierapport van eiser kan niet worden gevolgd. De conclusies van DRZ met betrekking tot de auto heeft eiser onvoldoende weerlegd. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de waardevermindering meer bedraagt dan het door verweerder in aanmerking genomen bedrag van € 12.108.
Rekenfout / historische nieuwprijs
32. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder in de uitspraak op bezwaar een rekenfout heeft gemaakt. Ter zitting heeft (de gemachtigde van) eiser verklaard dat bij de berekening van de naheffingsaanslag een nieuwprijs van € 125.345 is gehanteerd en in de uitspraak op bezwaar een nieuwprijs van € 128.776 is vermeld. Volgens eiser dient uit te worden gegaan van de hogere nieuwprijs (€ 128.776), waardoor de verschuldigde bpm lager vastgesteld moet worden. Eiser heeft in dit verband ook naar een door hem overgelegde berekening verwezen.
33. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de inspecteur geen rekenfout heeft gemaakt en dat voor de berekening van de afschrijving gebruik dient te worden gemaakt van zowel de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat (van de auto) als de historische nieuwprijs van het gebruikte referentievoertuig (waar de handelsinkoopwaarde van de auto op is gebaseerd). Verweerder verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Hoge Raad van 20 mei 2022 (ECLI:NL:HR:2022:640), het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 september 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:7912) en het gerechtshof Amsterdam van 20 september 2022 (ECLI:NL:GHAMS:2022:2760).
34. De rechtbank vat eisers betoog op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Eiser wijst op de berekening zoals vermeld in de uitspraak op bezwaar en de daarin genoemde historische nieuwprijs van de auto (€ 128.776). In de uitspraak op bezwaar is echter ook vermeld dat het bezwaar ongegrond wordt verklaard en de aanslag is gehandhaafd. Gelet daarop kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn betoog dat hij vertrouwen heeft kunnen ontlenen aan de in de uitspraak op bezwaar vermelde nieuwprijs van de auto. Ook op de andere punten kan de rechtbank de berekening van eiser niet volgen.