Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-06-05
ECLI:NL:RBNHO:2023:14262
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,556 tokens
Inleiding
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/23
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 5 juni 2023 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigden: G. Kiliç en C.P.A.M. Mouwen),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Breda, verweerder.
Inleiding
Verweerder heeft bij beschikking van 25 juni 2020 beslist op het verzoek van eiseres van 1 mei 2020 tot wijziging van haar vergunning Actieve veredeling (hierna: AV).
Eiseres heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 11 november 2020 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2023 te Haarlem.
Eiseres is verschenen bij haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [naam 1] en mr. [naam 2] .
Feiten
1. Eiseres beschikt met ingang van 1 april 2018 over een douanevergunning AV met nummer eindigend op 329 voor veredeling van gasolie, stookolie en biodiesel.
2. In 2019 heeft verweerder de vergunning AV herbeoordeeld. In een beschikking van 14 februari 2019 heeft verweerder de vergunning AV gewijzigd. In de gewijzigde vergunning is bepaald dat de goederen met de GN-codes 2710 1943 tot en met 2710 1948, 2710 1951 tot en met 2710 1968 en 3826 0010 onder de regeling kunnen worden geplaatst, alsmede als hoofdveredelingsproducten en als equivalente goederen kunnen worden aangemerkt.
3. Eiseres is verder met ingang van 1 maart 2019 in het bezit van een door verweerder (onder nummer eindigend op 570) aan haar verleende vergunning inschrijving in de administratie van de aangever onder de regeling AV. Deze vergunning is van toepassing op dezelfde GN-codes als de vergunning AV.
4. Verweerder ontving op 10 oktober 2019 van eiseres een aanvraag tot wijziging van de vergunning AV. Eiseres vermeldde ter onderbouwing van de aanvraag het volgende: “Uitbreiding tot Hs 2705-50000 – 2707 9999 met het oog op de nieuwe zwaveleisen voor maritieme brandstof van 3,5% -> 0,05 of minder.”.
In het dossier van verweerder bevindt zich een kopie van een brief van 14 oktober 2019 aan eiseres, waarin verweerder de ontvangst van het verzoek bevestigde, verzocht om nadere informatie en vermeldde dat de aanvraag in verband met de ontbrekende informatie nog niet werd aanvaard. In het dossier van verweerder bevindt zich tevens een kopie van een brief van 20 november 2019 aan eiseres, waarin is vermeld dat haar aanvraag niet wordt aanvaard, omdat zij niet heeft gereageerd op het verzoek om voor de aanvraag vereiste informatie aan hem te sturen.
5. In 2020 is voor de aanvraag en het beheer van de meeste douanevergunningen de zogenaamde EU Trader Portal in werking getreden. Een vergunning diende in principe in het vervolg te worden aangevraagd via de EU Trader Portal. Het bevoegde douanekantoor in de regio behandelt vervolgens de aanvraag in het Customs Decisions Management System (CDMS).
In dit kader heeft eiseres aan verweerder een Excel-overzicht aangeleverd uitgesplitst naar waarde/hoeveelheid van de door haar onder de regeling AV geplaatste goederen. In dit Excel-overzicht heeft eiseres niet alleen de onder 2 genoemde codes vermeld, maar ook
GN-code 2707 5000.
6. Op 12 maart 2020 is de oude AV-vergunning met nummer eindigend op 329 in CDMS geheel vervangen door de vergunning AV met het (nieuwe) nummer eindigend op 726. De ingangsdatum (1 april 2018) en de einddatum (1 april 2023) waren hetzelfde als van de oude vergunning. In deze vervangende AV-vergunning was (naast de in de oude vergunning AV genoemde GN-codes) aan de onder de vergunning vallende goederen, naar aanleiding van het eerder door eiseres ingediende Excel-overzicht GN-code 2707 5000 toegevoegd.
7. Eiseres heeft op 30 april 2020 via CDMS een verzoek tot wijziging van de vergunning AV gedaan, met de volgende motivering: “Uitbreiding met terugwerkende kracht met code 27075000 - 27079999 ivm de toegestane zwavel % Die verlaagd wordt naar 0,05%. Aanvraag is in Oktober 2019 verstuurd per post en in behandeling genomen door Dhr [naam 3] . Dhr [naam 3] heeft regelmatig contact gehad hierover met Dhr [naam 4] . Bij het indienen vd aanzuiveringsrekening kregen wij de terugkoppeling dat de gn-code niet in de vergunning staat. Tevens willen bij oplaten nemen dat boord/boord handelingen zijn toegestaan.”.
8. In een e-mailbericht van 1 mei 2020 om 8:12 uur aan eiseres heeft verweerder bericht dat het onder 7 vermelde verzoek niet is verwerkt/toegestaan, omdat er enige noodzakelijke gegevens ontbraken. Tevens is in dit e-mailbericht vermeld:“V.w.b. de terugwerkende kracht, ligt dit wat lastiger. Inderdaad hebben jullie in oktober 2019 een verzoek ingediend. Echter op 14 oktober 2019 heb ik nadere informatie opgevraagd. Nooit gekregen en op 20 november 2019 heb ik jullie een brief gestuurd dat ik het verzoek voor de wijziging dan ook niet aanvaard heb. (Zie het bijgevoegde bestand: 20191014 ontvangstbevestiging en opvragen informatie.pdf) (Zie het bijgevoegde bestand: 20191120 brief niet aanvaarden.pdf)” De vermelde bijlagen waren bijgesloten.
9. In een e-mail van 1 mei 2020 om 10:33 uur van eiseres aan verweerder is onder meer het navolgende vermeld:“(…) Het 1 ste verzoek in de EU Portal was met terug werkende kracht. (…) Omdat deze goederencode in Maart 2020 voor het eerst onder AVS is gebruikt wil ik je aub vragen de vergunning per 01 Maart 2020 af te geven. (…)
10. Eiseres heeft op 1 mei 2020 via CDMS een nieuw verzoek tot wijziging van de vergunning AV gedaan, met de volgende motivering: “Toevoegen gn code 27075000 - gn code 2707999 ivm verlaging eisen zwavel% in stookolie naar 0,05% en toestemming om in het schip aan de steiger van de [eiseres] te blenden.”.
11. Bij e-mail van 1 mei 2020, te 14:59 uur heeft verweerder eiseres als volgt bericht: “Bij het honoreren van jullie verzoek kan ik in principe terug tot de datum aanvraag, dus vandaag (1 mei). Eerder kan alleen als er sprake is van buitengewone omstandigheden. Ik moet dit dan voorleggen aan onze coordinatiegroep formaliteiten. Het verzoek zal door jullie dan eerst onderbouwd moeten worden met stukken e.d. Maar dan nog denk ik dat jullie het niet redden, ik denk dat het dan op nalatigheid wordt afgewezen. Zie ook Handboek douane 15.00.00 onderdeel 4.9.”.
12. In een tweetal e-mailberichten van 8 mei 2020 aan verweerder heeft eiseres het verzoek om de vergunning AV met terugwerkende kracht aan te passen nader onderbouwd.
13. Op 25 juni 2020 heeft verweerder de hiervoor onder het kopje ‘Inleiding’ genoemde beschikking gegeven. In deze beschikking is opgenomen dat het verzoek tot wijziging van de vergunning AV op 1 mei 2020 is ontvangen. Verweerder heeft daarbij de verzochte wijziging, die toevoeging van de GN-codes 2707 5000 en 2707 999 behelst, verleend, maar is niet tegemoet gekomen aan de door eiseres verzochte inwerkingtreding met terugwerkende kracht tot 1 maart 2020. De ingangsdatum van de wijziging is in de beschikking bepaald op 25 juni 2020.
14. In haar bezwaarschrift van 12 juli 2020 heeft eiseres gesteld dat zij gevraagd heeft om terugwerkende kracht te verlenen aan gevraagde wijziging tot 1 maart 2019.
15. Verweerder heeft omstreeks 21 januari 2021 ter zake van door eiseres in de periode van 1 januari 2019 tot 25 juni 2020 onder de regeling AV geplaatste stookolie met GN-code 2707 9999 aan eiseres een uitnodiging tot betaling opgelegd tot een bedrag van € 77.091,48 aan douanerecht en € 1.304,68 aan rente op achterstallen. Eiseres heeft tegen deze utb bezwaar gemaakt. Deze bezwaarprocedure is in overleg tussen partijen aangehouden in afwachting van de beslissing in onderhavige zaak.
Geschil
16. In geschil is de vraag of de op 25 juni 2020 door verweerder aan eiseres verleende wijziging van haar vergunning AV al dan niet met terugwerkende kracht tot 1 maart 2019, althans de datum van de door eiseres laatstelijk ingediende aanvraag had moeten worden verleend.
17.1
Eiseres beantwoordt deze vraag bevestigend. Eiseres voert aan dat zij de brieven van 14 oktober 2019 en 20 november 2019 niet heeft ontvangen. Eiseres mocht er, gelet op het uitblijven van een reactie van verweerder, dan ook te goeder trouw van uitgaan dat de op 10 oktober 2019 door haar gevraagde wijziging van haar vergunning AV was toegekend. Eiseres wijst erop dat zij in het bezit is van een vergunning voor Geautoriseerd Marktdeelnemer (hierna: AEO-vergunning). Gelet daarop is het niet verlenen van terugwerkende kracht in de onderhavige situatie onacceptabel.
Eiseres doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Eiseres wijst op de herbeoordeling in december 2018 van de AEO-status. Dit onderzoek is goed afgesloten en uit dit onderzoek bleek niet van het gebruik van een ander format voor het indienen van de maandelijkse aanzuiveringsafrekening, door eiseres ook vaak AAR. genoemd. Eiseres voert aan dat het niet toekennen van een vergunning met terugwerkende kracht bij een wijziging een ongelijkheid inhoudt ten opzichte van de afgifte van een nieuwe vergunning met terugwerkende kracht. Indien een nieuwe vergunning wordt aangevraagd is terugwerkende kracht wel mogelijk. Eiseres doet tevens een beroep op het vertrouwensbeginsel. Door verweerder is in eerste instantie medegedeeld dat verlening van een wijziging van de AV-vergunning met terugwerkende kracht mogelijk was. Voor zover verweerder het standpunt inneemt dat bij wijziging van een vergunning het douanewetboek van de Unie (DWU) geen recht geeft op terugwerkende kracht, stelt zij zich op het standpunt dat de wijzigingen van kracht zijn vanaf de datum afgifte vergunning.
Eiseres is subsidiair van mening dat in haar situatie sprake is van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 172, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2015/2446 (GVo. DWU), waardoor zij in aanmerking komt voor een vergunning met terugwerkende kracht.
Eiseres geeft de rechtbank in overweging om een viertal prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna Hof van Justitie) inzake het op grond van artikel 211, tweede lid, van het DWU met terugwerkende kracht kunnen verlenen van een vergunning. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak op bezwaar.
17.2
Verweerder beantwoordt deze vraag ontkennend. Verweerder acht de wettelijke grondslag van zijn beslissing duidelijk. Op grond van artikel 28, eerste lid, onder b, van het DWU heeft eiseres als houder van de AV-vergunning verzocht om wijziging van deze vergunning. Op grond van artikel 28, vierde lid, van het DWU is artikel 22, vierde lid, van het DWU van toepassing op de verzochte wijziging van de beschikking. Dit betekent dat de beschikking tot wijziging van de vergunning van kracht wordt op de datum waarop de aanvrager deze ontvangt of wordt geacht deze te hebben ontvangen, tenzij dat in de douanewetgeving anders is bepaald. Hetgeen in artikel 211, tweede lid, van het DWU is opgenomen, ziet alleen op de toepassing van terugwerkende kracht bij verlening van vergunningen voor de daarbij vermelde bijzondere regelingen. Dit wetsartikel ziet echter niet op een wijzigingsbeschikking die volgt ná die verleende vergunning. De Uniewetgever heeft aldus onderscheid gemaakt tussen het verlenen en het wijzigen van vergunningen. Er is derhalve wettelijk geen sprake van gelijke gevallen, zodat het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.
Verweerder merkt in verband met het vertrouwensbeginsel allereerst op dat in het douanerecht daarvoor geen ruimte bestaat en het Unierechtelijk vertrouwensbeginsel leidend is. Ook een eventueel beroep van eiseres op het Unierechtelijk vertrouwensbeginsel kan in dit geval niet slagen. Wanneer een gewijzigde vergunning van kracht wordt, is geregeld in artikel 22, vierde lid, van het DWU. Een eventuele andersluidende mededeling van verweerder maakt dat niet anders. Een zelfstandig beroep op het Unierechtelijk vertrouwensbeginsel is in dit geval immers niet mogelijk.
Het is verweerder niet bekend waarom eiseres zijn brieven van 14 oktober 2019 en 20 november 2019 nooit heeft ontvangen. Verweerder heeft geen reden om eraan te twijfelen dat deze brieven daadwerkelijk aan eiseres zijn verzonden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het vooral de verantwoordelijkheid van eiseres zelf is om te controleren of zij op basis van de op dat moment geldende vergunning goederen onder de regeling AV kan plaatsen. Dit klemt te meer nu eiseres in het bezit was van een AEO-vergunning. Dat verweerder hetgeen gedurende vijf maanden (van oktober 2019 tot maart 2020) mis is gegaan niet heeft opgemerkt, doet aan de verantwoordelijkheid van eiseres niet af. Aan de verantwoordelijkheid van eiseres doet evenmin af dat wellicht andere AV-vergunninghouders soms eerder zijn gecontroleerd en vervolgens over het resultaat daarvan zijn geïnformeerd.
Subsidiair, voor het geval geoordeeld wordt dat bij een verzoek om wijziging van een AV-vergunning wel de wettelijke mogelijkheid bestaat van terugwerkende kracht, stelt verweerder dat in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden.
Verweerder wijst er bovendien op dat een vergunning niet met terugwerkende kracht kan worden verleend als sprake is van kennelijke nalatigheid. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in dit geval sprake is van kennelijke nalatigheid, omdat het eiseres reeds eind 2019 duidelijk had moeten zijn dat de door haar op 10 oktober 2019 verzochte wijziging van haar AV-vergunning (nog) niet was ontvangen. Eiseres wordt geacht de voorwaarden van de vergunning te monitoren. Dat heeft zij nagelaten.
Anders dan eiseres ziet verweerder geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen inzake artikel 211, tweede lid, van het DWU aan het Hof van Justitie.
Verweerder verzoekt het beroep ongegrond te verklaren en de uitspraak op bezwaar te bevestigen.
17.3
Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling
18. Op de zitting zijn de brieven van verweerder van 14 oktober 2019 en 20 november 2019 uitvoerig besproken. Mede aan de hand van de toelichtingen van partijen is de rechtbank vooralsnog van oordeel dat de brief van verweerder van 20 november 2019, anders dan daarin is opgenomen, niet inhoudt dat verweerder de aanvraag niet heeft aanvaard. De voorwaarden voor de aanvaarding van een aanvraag zijn geformuleerd in artikel 11 GVo DWU. Verweerder was ter zitting vooralsnog niet in staat toe te lichten aan welk onderdeel van artikel 11, eerste lid, van de GVo DWU niet is voldaan. Gelet op de in de brieven opgenomen vragen heeft de rechtbank de indruk dat verweerder bedoeld heeft de aanvraag van eiseres buiten behandeling te stellen in de zin van artikel 4:5, eerste lid, sub c, van de Algemene Wet bestuursrecht (hierna: Awb).Uit de toelichtingen van partijen ter zitting bleek dat beide partijen niet onder ogen hebben gezien dat in dat geval op 20 november 2019 sprake was van een besluit, waartegen eiseres bezwaar had kunnen maken. Gelet op het feit dat verweerder in de brief van 20 november 2019 geen rechtsmiddelenclausule heeft opgenomen zou een eventueel niet tijdig gemaakt bezwaar van eiseres gelet op het arrest van de Hoge Raad van 19 maart 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL7954) naar het voorlopig oordeel van de rechtbank verschoonbaar kunnen worden bevonden. De rechtbank heeft partijen erop gewezen dat zij dit geschil niet heeft voorliggen, maar dat het aan de hand van hetgeen op de zitting is besproken voor eiseres, gelet op haar standpunt in onderhavige procedure gericht op de mogelijkheid om per 1 maart 2019 goederen met de GN codes 2707 50000 en 2707 999 onder haar vergunning AV te kunnen veredelen, van belang kan zijn om alsnog bezwaar te maken tegen de brief van 20 november 2019.
19. Naar aanleiding van de door eiseres in onderhavige procedure aangedragen beroepsgronden overweegt de rechtbank als volgt.
20. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij er te goeder trouw van mocht uitgaan dat de op 10 oktober 2019 door haar gevraagde wijziging van haar vergunning AV was toegekend, gelet op het uitblijven van een reactie van verweerder. Nog daargelaten dat het adagium ‘wie zwijgt stemt toe’ in rechte in zijn algemeenheid geen erkenning vindt, geeft het douanerecht en in het bijzonder daarbinnen de regeling AV in het geheel geen aanleiding daartoe. Verweerder wijst er naar het oordeel van de rechtbank in dit verband terecht op dat het feit dat eiseres een AEO-vergunning heeft, meebrengt dat van haar bijzondere (administratieve) zorgvuldigheid wordt verwacht, in het verlengde waarvan zij had dienen te signaleren dat zij nimmer een ontvangstbevestiging heeft ontvangen en de gevraagde wijziging nimmer is gerealiseerd. Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank voorts terecht op het standpunt dat het de verantwoordelijkheid van eiseres is om te controleren of zij op basis van de op dat moment geldende vergunning goederen onder de regeling AV kan plaatsen en dat aan deze verantwoordelijkheid geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat verweerder naar aanleiding van de aanzuiveringsafrekeningen niet heeft opgemerkt dat er ten onrechte goederen onder de regeling werden gebracht. Aan deze verantwoordelijk doet ook niet af dat een andere vergunninghouder eerder is gecontroleerd en over het resultaat daarvan is geïnformeerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
21. De beroepsgrond van eiseres gericht tegen het naar haar inzicht niet te rechtvaardigen onderscheid tussen de mogelijkheid van terugwerkende kracht bij het verlenen van een vergunning en het wijzigen van een vergunning slaagt naar het oordeel van de rechtbank wel. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat artikel 22 van het DWU onderdeel uitmaakt van Hoofdstuk 2 ‘Rechten en plichten van personen in het kader van de douanewetgeving’, Afdeling 3 ‘Beschikkingen betreffende de toepassing van de douanewetgeving’, waaruit volgt dat deze bepalingen betrekking hebben op alle beschikkingen van de douane. Verweerder heeft derhalve met juistheid gesteld dat het begrip ‘beschikking’ in dit artikel meer soorten beschikkingen omvat dan de begrippen ‘beschikking tot verlening van een vergunning’ of ‘beschikking tot wijziging van een vergunning’. Anders dan verweerder stelt, vermeldt artikel 22, vierde lid, van het DWU echter niet alleen dat in de douanewetgeving een uitzondering kan zijn bepaald op de daar geformuleerde regel dat een beschikking van kracht wordt op de datum waarop de aanvrager deze ontvangt. Tevens is bepaald dat uit de beschikking een dergelijke uitzondering kan volgen.
Hoewel juist is dat de in artikel 211, tweede lid, van het DWU bepaalde mogelijkheid om terugwerkende kracht aan een vergunning te verlenen blijkens de letterlijke bewoordingen van dit artikel betrekking heeft op het verlenen van een vergunning, ziet de rechtbank daarin, anders dan verweerder, geen grond voor het oordeel dat het voor verweerder niet mogelijk is om ook aan de wijziging van een vergunning terugwerkende kracht te verlenen. Het betreft hier een uit de douanewetgeving voortvloeiende uitzondering in de zin van artikel 22, vierde lid, DWU. Echter, in genoemd artikel is eveneens opgenomen dat een uitzondering op de regel over het van kracht worden van een beschikking uit de beschikking zelf kan volgen. Gelet daarop is sprake van een bevoegdheid van verweerder, van welke bevoegdheid verweerder binnen de grenzen van de wet en het recht gebruik kan maken. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder in het kader van deze bevoegdheid zich niet op het standpunt stellen dat de douanewetgeving hem niet de mogelijkheid biedt om terugwerkende kracht te verlenen aan een wijziging van een vergunning AV. Uit de douanewetgeving (artikel 172 GVo DWU) volgt dat onder omstandigheden terugwerkende kracht kan worden verleend aan een vergunning. Daaruit volgt niet zonder meer dat geen terugwerkende kracht kan worden verleend aan een beschikking tot wijziging van een vergunning.
22. Op de zitting is uitvoerig met partijen gesproken over eventuele redenen om in de voorliggende situatie terugwerkende kracht aan de beschikking te onthouden.
Desgevraagd heeft verweerder verklaard dat het in beginsel mogelijk is een door een vergunninghouder gewenste uitbreiding van de GN-codes van goederen die onder de vergunning kunnen worden veredeld te bewerkstelligen door zowel een nieuwe vergunning aan te vragen als ook een verzoek tot wijziging te doen.Desgevraagd heeft verweerder eveneens verklaard dat de aanvraag tot het verlenen van een vergunning AV procedureel anders wordt behandeld en bijvoorbeeld aanleiding is tot meer onderzoek, dan een aanvraag tot wijziging van een reeds verleende vergunning AV, maar dat daarbij de aanvraag leidend is.
Hoewel de procedure bij verweerder voor de behandeling van aanvragen ‘zwaarder’ is dan de procedure in geval van een verzochte wijziging, heeft eiseres desgevraagd verklaard dat zij de door haar gewenste wijziging ook had kunnen vormgegeven door een verzoek tot verlening van een vergunning te doen, omdat zij er gelet op de haar eerder verleende vergunningen vertrouwen in heeft dat deze zwaardere procedure en beoordeling voor haar gunstig zou uitpakken.
Verweerder heeft tevens verklaard dat hij in de onderhavige zaak geen reden, geen materiële rechtvaardiging, kan noemen voor het onderscheid tussen een vergunningsaanvraag en een aanvraag tot wijziging van een vergunning.
Nu aan de hand van hetgeen op de zitting is besproken vaststaat dat er geen materiële redenen zijn om in de situatie van eiseres onderscheid te maken tussen een verzoek tot wijziging van de vergunning, zoals zij heeft ingediend, en een verzoek tot afgifte van een vergunning, kan naar het oordeel van de rechtbank het besluit van verweerder om in de onderhavige zaak aan de gevraagde wijziging terugwerkende kracht tot de datum van aanvaarding van de aanvraag te onthouden, geen standhouden.
23.
Conclusie
26. Uit hetgeen hiervoor in 21 en 22 is overwogen volgt dat het beroep van eiseres gegrond zal worden verklaard. De beslissing op bezwaar van 11 november 2020 zal in zoverre worden vernietigd. Ook de beschikking van 25 juni 2020 zal worden vernietigd, voor zover daarbij is bepaald dat de ingangsdatum van de beschikking 25 juni 2020 is.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de ingangsdatum van de beschikking dient te worden gesteld op de datum van aanvaarding van de aanvraag (naar analogie van artikel 172, eerste lid, GVo DWU), zodat de rechtbank vanuit het oogpunt van finale geschilbeslechting zal bepalen dat haar uitspraak in de plaatst treedt van het vernietigde gedeelte van de beslissing op bezwaar en de beschikking van 25 juni 2020, waaruit volgt dat de ingangsdatum van de beschikking op 1 mei 2020 zal worden bepaald, de datum van de nu in geding zijnde aanvraag.
Proceskosten
27. Nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, bestaat er aanleiding verweerder te veroordelen in proceskosten van eiseres. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.868 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar, met een waarde per punt van € 597 en 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837). Tevens zal worden bepaald dat verweerder het griffierecht aan eiseres vergoedt.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar van 11 november 2020 voor zover dat in 21 en 22 is overwogen;
- vernietigt de beschikking van 25 juni 2020, voor zover daarbij is bepaald dat de ingangsdatum van de wijziging 25 juni 2020 is;
- bepaalt dat hetgeen onder 21, 22 en 26 is overwogen in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van voornoemde besluiten, waardoor als ingangsdatum van de beschikking van 25 juni 2020 de datum 1 mei 2020 zal gelden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.868;
- draagt verweerder op om aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 354 te vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door, mr. S. Kleij, voorzitter, en mr. P.H. Lauryssen
en mr. K. Idsinga-Schellaars, leden, in aanwezigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2023.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.