Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-11-02
ECLI:NL:RBNHO:2023:14210
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,283 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/6145
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Verspaandonk),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend, verweerder
(gemachtigde: mr. S. El Belkasmi en L.A. Teusink).
Inleiding
1.1
De rechtbank heeft op 16 juni 2023 een tussenuitspraak gedaan. Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak.
1.2
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.3
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
1.4
Eiser heeft hierop een schriftelijke zienswijze gegeven.
1.5
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Beoordeling
2. Voor een weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak.
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder het beroep van eiser op artikel 5 van de Verordening individuele inkomenstoeslag Purmerend 2015 (Verordening) ongemotiveerd heeft afgewezen en heeft nagelaten te toetsen aan artikel 18, eerste lid van de Participatiewet (Pw).
Nadere motivering door verweerder
4. Verweerder heeft in zijn aanvullende motivering aangegeven een extra hoorzitting te hebben gehouden en nog eens uitvoerig naar de situatie van eiser te hebben gekeken. De uiteindelijke conclusie van verweerder komt hier op neer dat geen aanleiding wordt gezien om artikel 18, eerste lid van de Pw of artikel 5 van de Verordening op eiser toe te passen. Verweerder stelt, samengevat, dat eiser er zelf voor heeft gekozen naar Colombia te vertrekken en dat de gevolgen van die keuze, zoals het verlies van zelfstandige woonruimte, voor rekening/risico van eiser zelf zijn. Na terugkomst heeft hij 1,5 jaar ingewoond bij mevrouw [naam] waarvoor hij geen commerciële prijs betaalde. Verweerder ziet eiser daarom als kostendeler. Het ontvangen van een Wajonguitkering door eiser ziet verweerder niet als een bijzondere omstandigheid want dat zou dan betekenen dat iedereen met een Wajong- of andere uitkering niet zou hoeven te voldoen aan de in de Verordening gestelde criteria.
Reactie van eiser
5. Eiser voert kortgezegd in de zienswijze aan dat zijn situatie juist maatwerk rechtvaardigt.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank vindt dat verweerder met de aanvullende motivering het gebrek in het bestreden besluit niet heeft hersteld. Verweerder zegt in de herstelpoging nog eens uitvoerig naar de situatie van eiser te hebben gekeken, maar feitelijk herhaalt verweerder het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende standpunt. De rechtbank wijst op rechtsoverweging 18 van de tussenuitspraak. Het is de rechtbank niet duidelijk of en zo ja, op welke wijze die weging heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak voorzien. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het voorliggende geschil
7. Een individuele inkomenstoeslag is een toeslag voor wie langdurig moet rondkomen van een laag inkomen. De gemeente bepaalt wat zij verstaat onder een langdurig laag inkomen. In artikel 3 van de Verordening individuele inkomenstoeslag Purmerend 2015 (de Verordening) wordt daaronder verstaan een inkomen niet hoger dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm.
8. Voor de vraag of het inkomen van eiser in de referteperiode niet hoger was dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm is van belang wat in die periode precies de voor hem toepasselijke bijstandsnorm is geweest.
9. Dat in eisers situatie in beginsel de kostendelersnorm geldt, is niet wat hier nu in geschil is. Het gaat hier niet om de toepassing van artikel 22a van de Pw. Waar het om draait is de vraag of eisers individuele situatie zodanig bijzonder is dat verweerder hierin – in het kader van de beoordeling of eiser voldoet aan de in de Verordening opgenomen invulling van de begrippen “langdurig” en “laag inkomen” – aanleiding had moeten zien om van die kostendelersnorm af te wijken, langs de weg van artikel 18, eerste lid van de Pw dan wel artikel 5 van de verordening.
Oordeel
10. Eiser heeft ernstige beperkingen in sociaal en persoonlijk functioneren. Hij valt al vanaf 2014 onder beschermd wonen met begeleiding. Deze zorgvorm wordt ingezet voor kwetsbare burgers. Beschermd wonen is een vorm van wonen onder begeleiding voor mensen met (ernstige) (chronische) psychische of psychosociale problemen. Eiser, die een Wajong-uitkering heeft, verblijft inmiddels ook weer in een instelling op basis van begeleid zelfstandig wonen bij de Stichting Raguel, alwaar hij zorg krijgt op grond van de Wet langdurige zorg. In de tussentijd heeft een vriendin van eisers moeder hem op grond van humanitaire overwegingen onderdak geboden. Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, dat verweerder in het kader van de beoordeling of eiser voldoet aan de in de Verordening opgenomen invulling van de begrippen “langdurig” en “laag inkomen”, langs de weg van artikel 18, eerste lid van de Pw dan wel artikel 5 van de Verordening, in redelijkheid aanleiding had moeten zien om van die kostendelersnorm af te wijken.
Conclusie
11. De rechtbank overweegt dat het inkomen van eiser – indien de kostendelersnorm niet op hem van toepassing is – niet hoger is dan 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm (als alleenstaande).
12. De rechtbank zal gelet op het voorgaande zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat aan eiser de individuele inkomenstoeslag toekomt.
13. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, het primaire besluit herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit. Dit betekent voor eiser dat hij een individuele inkomenstoeslag krijgt.
14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
15. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 4,5 punten op (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 597,00, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 597,00, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,00, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 837,00 en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 837,00), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 3.286,50.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,00 aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.286,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.