Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-07-17
ECLI:NL:RBNHO:2023:14115
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Beschikking
1,511 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknummer : 10475376 \ WM VERZ 23-732
CJIB-nummer : [nummer]
Uitspraakdatum : 17 juli 2023
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) en proces-verbaal van de zitting
in de zaak van
naam : [Betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats] (hierna te noemen: betrokkene)
Het verloop van de procedure en het proces-verbaal van de zitting
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 17 juli 2023. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Betrokkene is niet verschenen.
De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft op de zitting meegedeeld de beslissing en het standpunt te handhaven en heeft de kantonrechter verzocht om het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond te verklaren. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Overwegingen
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: 6 km per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd, en aangevoerd dat hij geen zekerheid kan stellen omdat hij een Wajong uitkering ontvangt.
Ten aanzien van het draagkrachtverweer
De kantonrechter stelt vast dat betrokkene niet binnen de in artikel 11, derde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en de administratiekosten.
Uitgangspunt is dat de verplichting tot zekerheidstelling het recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie niet belemmert. Indien een betrokkene in de procedure bij de kantonrechter met redenen omkleed aanvoert dat hij niet (terstond) in staat is zekerheid te stellen tot het totale van hem verlangde bedrag, zal de kantonrechter, tenzij hij het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht, de betrokkene in de gelegenheid moeten geven op een openbare zitting te worden gehoord omtrent de financiële draagkracht.
Betrokkene heeft aangevoerd dat hij een Wajong uitkering ontvangt en dat hij daarom geen zekerheid kan stellen. Betrokkene is bij brief van 2 juni 2023 uitgenodigd om op de zitting de draagkracht te bespreken. In die brief is aangegeven dat ook de inhoudelijke bezwaren tegen de opgelegde sanctie op de zitting aan de orde kunnen komen. Namens betrokkene is niemand verschenen.
De kantonrechter ziet in deze zaak aanleiding om de zekerheid op nihil te stellen, zodat aan de inhoud van de zaak kan worden toegekomen.
Ten aanzien van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie
De kantonrechter overweegt als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de WAHV in verbinding met de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep tegen de inleidende beschikking te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de beschikking aan de betrokkene is toegezonden.
Uit het zaakoverzicht blijkt dat de de inleidende beschikking op 10 september 2021 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 22 oktober 2021.
Het beroepschrift is gedateerd 7 december 2021 en is op die datum via het Digitaal Loket van de CVOM ingediend. Het beroep is dan ook niet tijdig ingesteld. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
De betrokkene voert echter niets aan over de termijnoverschrijding, zodat niet aannemelijk is geworden dat overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar is in de zin van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht. De officier van justitie heeft het beroep van betrokkene bij de officier dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.
De uitspraak
De kantonrechter:
‒ verlaagt het bedrag van de door betrokkene te stellen zekerheid tot nihil;
‒ verklaart het beroep ongegrond
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P.E. Oomens, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken..
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: