Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-10-04
ECLI:NL:RBNHO:2023:14104
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
4,290 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9790186 \ CV EXPL 22-2006
Uitspraakdatum: 4 oktober 2023
Vonnis in de zaak van:
de vennootschap naar vreemd recht American Express Europe S.A., rechtsopvolgster van American Express Services Limited
gevestigd te Madrid (Spanje) tevens gevestigd te Amsterdam
de eisende partij
gemachtigde: Van der Hoeden / Mulder Gerechtsdeurwaarders en Juristen
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1Het verdere procesverloop
1.1.
In een tussenvonnis van 18 mei 2022 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten, hetgeen zij bij akte van 10 augustus 2022 heeft gedaan.
2De verdere beoordeling
2.1.
In het tussenvonnis is onder meer overwogen dat ook als de vordering is gegrond op een vaststellingsovereenkomst, de oorspronkelijke kredietovereenkomst ambtshalve getoetst moet worden. De eisende partij is daarom in de gelegenheid gesteld om de kredietovereenkomst te overleggen en de op de kredietovereenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden. Daarnaast is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om toe te lichten dat is voldaan aan de bepalingen van titel 7:2A van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de kredietwaardigheidstoets van artikel 8 van de Richtlijn consumentenkrediet 2008/48 (de richtlijn) en artikel 4:34 lid 1 Wet op het financieel toezicht.
Verzoek heroverweging
2.2.
De eisende partij verzoekt in haar akte primair om een heroverweging van het oordeel van de kantonrechter in het tussenvonnis en uitspraak te doen (louter) op grond van de vaststellingsovereenkomst. Dat verzoek bevat volgens de eisende partij meerdere aspecten, die in de akte uitgebreid zijn toegelicht. De eisende partij benoemt de aard van de vaststellingsovereenkomst, het belang van consistente jurisprudentie daaromtrent, de stand van zaken rondom ambtshalve toetsing van het consumentenkrediet, het ontbreken in het Nederlandse rechtssysteem van een eenvoudige procedure voor onbetwiste geldvorderingen en het processuele uitgangspunt van artikel 24 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Subsidiair heeft de eisende partij stukken in het geding gebracht op grond waarvan ambtshalve getoetst kan worden.
2.3.
De kantonrechter overweegt als volgt. Als een vordering haar grondslag vindt in een consumentenkredietovereenkomst, is de kantonrechter gehouden ambtshalve te toetsen of de kredietverstrekker aan zijn informatie- en zorgplichten voortvloeiend uit de richtlijn heeft voldaan en of de bedingen in de consumentenkredietovereenkomst niet oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13 EG. Die toetsing dient plaats te vinden in verstekzaken, in zaken op tegenspraak en zelfs in geval van een erkenning door de gedaagde partij, tenzij de consument heeft laten weten af te zien van een dergelijke ambtshalve toetsing. Indien de kredietverstrekker niet aan haar verplichtingen heeft voldaan, heeft de consument recht op (partiële) vernietiging van de overeenkomst/het beding, hetgeen de kantonrechter zo nodig ambtshalve moet beoordelen.
2.4.
Dit geldt ook als na het sluiten van de kredietovereenkomst een vaststellingsovereenkomst (ter vervanging van de kredietovereenkomst) tussen de consument en de kredietverstrekker is gesloten met betrekking tot de verplichtingen waartoe partijen zich uit hoofde van de kredietovereenkomst hebben verbonden. Anders zou de ambtshalve toetsing van de oorspronkelijke kredietovereenkomst immers eenvoudig door de kredietverstrekker kunnen worden omzeild door daarna een vaststellingsovereenkomst met de consument te sluiten (de eisende partij sluit blijkens het gestelde in haar akte vaker vaststellingsovereenkomsten als de onderhavige), terwijl de consument niet altijd op de hoogte is van zijn rechten in het kader van de verplichtingen van de kredietverstrekker met betrekking tot de kredietovereenkomst. Dat zou geen recht doen aan de door de genoemde richtlijnen beoogde bescherming van consumenten. Artikel 7:73 BW geeft ook expliciet aan dat de consument de hem krachtens titel 2A van boek 7 BW toegekende bescherming niet kan worden ontzegd, door overeenkomsten een bijzondere vorm te geven, met name door kredietopnemingen of kredietovereenkomsten die onder de Richtlijn vallen op te nemen in overeenkomsten die, door de aard of het doel ervan, buiten de werkingssfeer ervan zouden kunnen vallen.
2.5.
De eisende partij wijst er in haar akte op dat soortgelijke vorderingen als de onderhavige door andere rechtbanken in Nederland en zelfs door deze rechtbank bij verstek in het verleden gewoon zijn toegewezen en dat in deze procedure niet anders geoordeeld zou moeten worden. Het is de kantonrechter bekend dat er partijen zijn die veel procederen in consumentenzaken bij de verschillende rechtbanken en dat in vergelijkbare zaken andersluidende uitspraken zijn gedaan. Het is van belang om in het oog te houden dat het consumentenrecht steeds in ontwikkeling is en dat de rechtbanken een belangrijke rechtsvormende taak hebben. De kantonrechters van de verschillende rechtbanken zijn het echter niet altijd eens over de uitvoering van het consumentenrecht en de eisen die daaraan worden gesteld. Hier liggen juridische argumenten aan ten grondslag. Het kan daardoor voorkomen dat een vergelijkbare vordering door de ene kantonrechter wordt toegewezen en door de andere kantonrechter wordt afgewezen. Het feit dat andere kantonrechters vergelijkbare vorderingen van de eisende partij hebben toegewezen is daarom geen reden voor toewijzing van deze vordering.
2.6.
Door de eisende partij wordt een eenvoudige procedure voor onbetwiste vorderingen gemist, maar dat is een politieke kwestie, zodat hierop niet zal worden ingegaan, nog daargelaten dat dit gemis in deze procedure nergens toe kan leiden.
2.7.
De kantonrechter blijft dan ook bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist en ziet geen aanleiding tot heroverweging.
Kredietovereenkomst
2.8.
De eisende partij heeft voorts toegelicht dat het door de eisende partij geleverde financiële product wordt aangeduid als ‘charge card’ of ‘deferred debit-card’. De eisende partij heeft aan de gedaagde partij één keer per maand een overzicht (maandafrekening) van alle met de betaalkaart verrichte uitgaven verstrekt. De gedaagde partij diende het totaalbedrag van de maandrekening (zonder opslag) binnen dertig dagen volledig aan de eisende partij terug te betalen. Er is geen sprake van een kredietfaciliteit, aldus de eisende partij.
2.9.
Anders dan de eisende partij stelt, is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een kredietovereenkomst in de zin van artikel 7:57 BW. Volgens artikel 7:57 BW is een kredietovereenkomst een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument krediet verleent of toezegt in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere, soortgelijke betalingsfaciliteit. In het onderhavige geval heeft de gedaagde partij krediet verkregen in de vorm van uitstel van betaling, omdat zij met haar kaart betalingen kan verrichten die zij niet direct terug hoefde te betalen. De onderhavige overeenkomst is dus wel degelijk een kredietovereenkomst, zodat op grond van artikel 7:58 lid 1 BW Titel 2A van boek 7 BW van toepassing is.
2.10.
De eisende partij beroept zich op de uitzondering van artikel 7:58 lid 2, aanhef en onder e BW, omdat slechts onbetekenende kosten bij de gedaagde partij in rekening kunnen worden gebracht.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt de eisende partij tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de gedaagde partij worden vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9790186 \ CV EXPL 22-2006
Uitspraakdatum: 4 oktober 2023
Vonnis in de zaak van:
de vennootschap naar vreemd recht American Express Europe S.A., rechtsopvolgster van American Express Services Limited
gevestigd te Madrid (Spanje) tevens gevestigd te Amsterdam
de eisende partij
gemachtigde: Van der Hoeden / Mulder Gerechtsdeurwaarders en Juristen
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1Het verdere procesverloop
1.1.
In een tussenvonnis van 18 mei 2022 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten, hetgeen zij bij akte van 10 augustus 2022 heeft gedaan.
2De verdere beoordeling
2.1.
In het tussenvonnis is onder meer overwogen dat ook als de vordering is gegrond op een vaststellingsovereenkomst, de oorspronkelijke kredietovereenkomst ambtshalve getoetst moet worden. De eisende partij is daarom in de gelegenheid gesteld om de kredietovereenkomst te overleggen en de op de kredietovereenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden. Daarnaast is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om toe te lichten dat is voldaan aan de bepalingen van titel 7:2A van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de kredietwaardigheidstoets van artikel 8 van de Richtlijn consumentenkrediet 2008/48 (de richtlijn) en artikel 4:34 lid 1 Wet op het financieel toezicht.
Verzoek heroverweging
2.2.
De eisende partij verzoekt in haar akte primair om een heroverweging van het oordeel van de kantonrechter in het tussenvonnis en uitspraak te doen (louter) op grond van de vaststellingsovereenkomst. Dat verzoek bevat volgens de eisende partij meerdere aspecten, die in de akte uitgebreid zijn toegelicht. De eisende partij benoemt de aard van de vaststellingsovereenkomst, het belang van consistente jurisprudentie daaromtrent, de stand van zaken rondom ambtshalve toetsing van het consumentenkrediet, het ontbreken in het Nederlandse rechtssysteem van een eenvoudige procedure voor onbetwiste geldvorderingen en het processuele uitgangspunt van artikel 24 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Subsidiair heeft de eisende partij stukken in het geding gebracht op grond waarvan ambtshalve getoetst kan worden.
2.3.
De kantonrechter overweegt als volgt. Als een vordering haar grondslag vindt in een consumentenkredietovereenkomst, is de kantonrechter gehouden ambtshalve te toetsen of de kredietverstrekker aan zijn informatie- en zorgplichten voortvloeiend uit de richtlijn heeft voldaan en of de bedingen in de consumentenkredietovereenkomst niet oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13 EG. Die toetsing dient plaats te vinden in verstekzaken, in zaken op tegenspraak en zelfs in geval van een erkenning door de gedaagde partij, tenzij de consument heeft laten weten af te zien van een dergelijke ambtshalve toetsing. Indien de kredietverstrekker niet aan haar verplichtingen heeft voldaan, heeft de consument recht op (partiële) vernietiging van de overeenkomst/het beding, hetgeen de kantonrechter zo nodig ambtshalve moet beoordelen.
2.4.
Dit geldt ook als na het sluiten van de kredietovereenkomst een vaststellingsovereenkomst (ter vervanging van de kredietovereenkomst) tussen de consument en de kredietverstrekker is gesloten met betrekking tot de verplichtingen waartoe partijen zich uit hoofde van de kredietovereenkomst hebben verbonden. Anders zou de ambtshalve toetsing van de oorspronkelijke kredietovereenkomst immers eenvoudig door de kredietverstrekker kunnen worden omzeild door daarna een vaststellingsovereenkomst met de consument te sluiten (de eisende partij sluit blijkens het gestelde in haar akte vaker vaststellingsovereenkomsten als de onderhavige), terwijl de consument niet altijd op de hoogte is van zijn rechten in het kader van de verplichtingen van de kredietverstrekker met betrekking tot de kredietovereenkomst. Dat zou geen recht doen aan de door de genoemde richtlijnen beoogde bescherming van consumenten. Artikel 7:73 BW geeft ook expliciet aan dat de consument de hem krachtens titel 2A van boek 7 BW toegekende bescherming niet kan worden ontzegd, door overeenkomsten een bijzondere vorm te geven, met name door kredietopnemingen of kredietovereenkomsten die onder de Richtlijn vallen op te nemen in overeenkomsten die, door de aard of het doel ervan, buiten de werkingssfeer ervan zouden kunnen vallen.
2.5.
De eisende partij wijst er in haar akte op dat soortgelijke vorderingen als de onderhavige door andere rechtbanken in Nederland en zelfs door deze rechtbank bij verstek in het verleden gewoon zijn toegewezen en dat in deze procedure niet anders geoordeeld zou moeten worden. Het is de kantonrechter bekend dat er partijen zijn die veel procederen in consumentenzaken bij de verschillende rechtbanken en dat in vergelijkbare zaken andersluidende uitspraken zijn gedaan. Het is van belang om in het oog te houden dat het consumentenrecht steeds in ontwikkeling is en dat de rechtbanken een belangrijke rechtsvormende taak hebben. De kantonrechters van de verschillende rechtbanken zijn het echter niet altijd eens over de uitvoering van het consumentenrecht en de eisen die daaraan worden gesteld. Hier liggen juridische argumenten aan ten grondslag. Het kan daardoor voorkomen dat een vergelijkbare vordering door de ene kantonrechter wordt toegewezen en door de andere kantonrechter wordt afgewezen. Het feit dat andere kantonrechters vergelijkbare vorderingen van de eisende partij hebben toegewezen is daarom geen reden voor toewijzing van deze vordering.
2.6.
Door de eisende partij wordt een eenvoudige procedure voor onbetwiste vorderingen gemist, maar dat is een politieke kwestie, zodat hierop niet zal worden ingegaan, nog daargelaten dat dit gemis in deze procedure nergens toe kan leiden.
2.7.
De kantonrechter blijft dan ook bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist en ziet geen aanleiding tot heroverweging.
Kredietovereenkomst
2.8.
De eisende partij heeft voorts toegelicht dat het door de eisende partij geleverde financiële product wordt aangeduid als ‘charge card’ of ‘deferred debit-card’. De eisende partij heeft aan de gedaagde partij één keer per maand een overzicht (maandafrekening) van alle met de betaalkaart verrichte uitgaven verstrekt. De gedaagde partij diende het totaalbedrag van de maandrekening (zonder opslag) binnen dertig dagen volledig aan de eisende partij terug te betalen. Er is geen sprake van een kredietfaciliteit, aldus de eisende partij.
2.9.
Anders dan de eisende partij stelt, is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een kredietovereenkomst in de zin van artikel 7:57 BW. Volgens artikel 7:57 BW is een kredietovereenkomst een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument krediet verleent of toezegt in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere, soortgelijke betalingsfaciliteit. In het onderhavige geval heeft de gedaagde partij krediet verkregen in de vorm van uitstel van betaling, omdat zij met haar kaart betalingen kan verrichten die zij niet direct terug hoefde te betalen. De onderhavige overeenkomst is dus wel degelijk een kredietovereenkomst, zodat op grond van artikel 7:58 lid 1 BW Titel 2A van boek 7 BW van toepassing is.
2.10.
De eisende partij beroept zich op de uitzondering van artikel 7:58 lid 2, aanhef en onder e BW, omdat slechts onbetekenende kosten bij de gedaagde partij in rekening kunnen worden gebracht.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt de eisende partij tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de gedaagde partij worden vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter