Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-10-12
ECLI:NL:RBNHO:2023:14070
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,376 tokens
Inleiding
Vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer 9403416 EL 21-30
vonnis van de kantonrechter van 12 oktober 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.,
tegen
[gedaagde 1],
[gedaagde 2],
beiden wonende te [woonplaats],
gedaagde partijen,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces).
Partijen worden hierna Dexia en [gedaagden]. (mannelijk enkelvoud), [gedaagde 1] dan wel [gedaagde 2] genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 13 juli 2023;
de akte na tussenvonnis van [gedaagden].
1.2.
Hierna is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is aan [gedaagden] de gelegenheid gegeven om nader op de stellingen van Dexia omtrent de wetenschap van [gedaagde 2] met betrekking tot de onderhavige overeenkomsten zoals die volgens haar blijkt uit een eerdere procedure tussen Dexia en [gedaagde 1], te reageren en daarbij te vermelden op welke overeenkomst de eerder tussen Dexia en [gedaagde 1] gevoerde procedure ziet.
2.2.
[gedaagden]. heeft vervolgens erkend dat in de eerdere procedure door [gedaagde 1] het standpunt is ingenomen dat zijn eega tijdens het afsluiten van de in die procedure aan de orde zijnde overeenkomst wel op de hoogte was van het afsluiten en het bestaan ervan en gesteld dat de onderhavige procedure ziet op die overeenkomst. [gedaagden]. heeft verder in zijn nadere toelichting geen onderscheid gemaakt tussen de overeenkomsten waarop de onderhavige procedure ziet en de overeenkomst waarop de eerdere procedure zag, terwijl alle overeenkomsten op dezelfde dag zijn afgesloten. De kantonrechter begrijpt het standpunt van [gedaagden]. aldus dat het standpunt van [gedaagden]. op alle overeenkomsten betrekking heeft waarop onderhavige procedure ziet. [gedaagden]. heeft niet aangevoerd dat de passage in de conclusie van dupliek over de wetenschap van [gedaagde 2] in de eerdere procedure niet juist zou zijn. Hij stelt slechts dat [gedaagde 2] niet op de hoogte was van de inhoud van de overeenkomst en enkel wist dat het ging om sparen.
2.3.
Op grond van het voorgaande kan slechts worden geconcludeerd dat [gedaagde 2] kennelijk al vanaf aanvang van de overeenkomsten bekend was met het bestaan daarvan. Er wordt daarom geen waarde gehecht aan de verklaringen van [gedaagden]. voor zover daarin anders is verklaard. In tegenstelling tot wat [gedaagden]. meent, is de bekendheid van [gedaagde 2] met de juridische kwalificatie van de overeenkomsten niet van belang voor beantwoording van de vraag of het verjaringsberoep van Dexia slaagt. Het op dit verweer gebaseerde bewijsaanbod wordt dan ook, als niet ter zake doende, gepasseerd. [gedaagden]. heeft nog gewezen op een conclusie van de PG (ECLI:NL:PHR:2023:450. Deze conclusie betreft de aanvang van de verjaringstermijn bij vorderingen tot schadevergoeding. De kantonrechter ziet daarom daarin onvoldoende aanleiding om af te wijken van de bestaande jurisprudentie met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn bij een beroep op vernietigbaarheid wegens het ontbreken van toestemming van de eega. Nu de onderhavige overeenkomsten zijn aangegaan op 24 mei 1998, betekent het voorgaande en wat eerder in het tussenvonnis van 19 mei 2022 is overwogen, dat [gedaagde 2] eerder dan 13 maart 2000 op de hoogte was van de overeenkomsten en dat het beroep van Dexia op verjaring van de bevoegdheid tot vernietigen slaagt.
De vorderingen van Dexia
2.4.
[gedaagden]. heeft verder geen steekhoudende argumenten aangevoerd die ertoe zouden kunnen leiden dat hij nog een vordering op Dexia zou hebben. Dit betekent dat Dexia op grond van de overeenkomsten niets meer aan [gedaagden]. verschuldigd is. De vorderingen van Dexia zullen daarom worden toegewezen, als na te melden.
2.5.
[gedaagden]. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, als te melden.
Dictum
De kantonrechter:
3.1
verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met contractnummers [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3], [nummer 4] en [nummer 5] aan al haar verbintenissen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagden]. verschuldigd is.
3.2
veroordeelt [gedaagden]. in de proceskosten, die aan de zijde van Dexia tot en met heden worden vastgesteld op: a. kosten dagvaarding € 123,57
b. griffierecht € 83,00
c. salaris gemachtigde € 660,00,
5.4.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.