Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-06-07
ECLI:NL:RBNHO:2023:13971
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,787 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10011188 \ CV EXPL 22-4310
Uitspraakdatum: 7 juni 2023
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de naamloze vennootschapING Bank N.V.
gevestigd te Amsterdam
de eisende partij
gemachtigde: Flanderijn gerechtsdeurwaarders
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1Het verdere procesverloop
1.1.
In een tussenvonnis van 16 november 2022 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten, hetgeen zij bij akte van 11 januari 2023 heeft gedaan.
2De verdere beoordeling
2.1.
De kantonrechter blijft bij wat is overwogen en beslist in het tussenvonnis. Er bestaat geen aanleiding om daarop terug te komen.
2.2.
In het tussenvonnis is onder meer overwogen dat de dagvaarding onvoldoende informatie bevat en daarmee niet voldoet aan de eisen van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Meer specifiek is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om een nadere toelichting te geven op de toepasselijke algemene voorwaarden en de opbouw van de vordering.
2.3.
Bij akte heeft de eisende partij haar stellingen verduidelijkt. De eisende partij blijft bij haar stelling dat geen sprake is van een kredietovereenkomst, zodat ook geen ambtshalve toetsing hoeft plaats te vinden. Er is enkel sprake van een betaalrekening zonder kredietruimte, waarop een ongeoorloofde roodstand is ontstaan. Ook de creditcard die de gedaagde partij in 2020 heeft aangevraagd en gekregen, betreft geen krediet, omdat het gaat om een creditcard zonder “gespreid betalen.” De creditcarduitgaven werden maandelijks afgeschreven van de betaalrekening van de gedaagde partij, ook als het saldo ontoereikend was, aldus de eisende partij.
2.4.
Anders dan de eisende partij is de kantonrechter van oordeel dat door verstrekking van de creditcard in 2020 wel een kredietovereenkomst tot stand is gekomen die ambtshalve getoetst moet worden. Dit wordt hierna toegelicht.
2.5.
Volgens artikel 7:57 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een kredietovereenkomst een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument krediet verleent of toezegt in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere, soortgelijke betalingsfaciliteit. In het onderhavige geval heeft de gedaagde partij krediet verkregen in de vorm van uitstel van betaling, omdat zij met haar creditcard bedragen kon opnemen die zij niet direct terug hoefde te betalen. De creditcardovereenkomst is dus wel degelijk een kredietovereenkomst, zodat op grond van artikel 7:58 lid 1 BW Titel 2A van boek 7 BW van toepassing is.
2.6.
Door erop te wijzen dat de creditcarduitgaven binnen één maand moesten worden terugbetaald, doet de eisende partij kennelijk een beroep op de uitzondering van artikel 7:58 lid 2, aanhef en onder d BW. Deze uitzondering is echter niet van toepassing. Onder de “rekening” die in die uitzondering wordt genoemd, valt namelijk niet een creditcard of creditcardnummer (Kamerstukken II 2009/10, 32339, nr. 3, p. 29). Een aan de creditcard gekoppelde rekening kan daar wel onder vallen. Voor zover dit echter de betaalrekening zou betreffen, geldt dat een roodstand op die rekening volgens de eisende partij niet geoorloofd is. Ook dan is dus geen sprake van de uitzondering.
2.7.
Gelet op het vorenstaande geldt dat de creditcardovereenkomst een krediet betreft dat ambtshalve getoetst moet worden. Weliswaar is aan de vordering ten grondslag gelegd dat sprake is van een ongeoorloofde roodstand op een betaalrekening, maar in de kern vindt die ongeoorloofde roodstand haar oorsprong in de creditcardovereenkomst. De constructie komt er namelijk op neer dat het openstaande saldo van uitgaven die met de creditcard zijn gedaan (eigenlijk louter administratief) is overgeheveld naar de betaalrekening. Hoewel een roodstand op die rekening volgens de eisende partij niet is toegestaan, vindt de overheveling toch ook plaats als het saldo op de betaalrekening niet toereikend is om de verschuldigde bedragen te voldoen. Een aldus ontstane roodstand op de betaalrekening is daarmee in wezen niets anders dan een betalingsachterstand met betrekking tot de creditcard (en zou de eisende partij betaling van die achterstand vorderen, dan zou ook ambtshalve toetsing van de creditcardovereenkomst plaatsvinden). Het is niet de bedoeling de ambtshalve toetsing - en de daarmee beoogde consumentenbescherming - te omzeilen door voor de constructie te kiezen die de eisende partij gebruikt. Dit is vastgelegd in artikel 7:73 lid 2 BW.
2.8.
Gelet op het voorgaande wordt de eisende partij in de gelegenheid gesteld om toe te lichten of de creditcardovereenkomst valt onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2, aanhef en onder e BW. Daarbij merkt de kantonrechter op dat als gevolg van de door de eisende partij gehanteerde constructie ook de rente die moet worden betaald over creditcarduitgaven die niet binnen één maand worden terugbetaald, wordt meegenomen bij de vaststelling of sprake is van onbetekenende kosten.
2.9.
Indien uit de toelichting van de eisende partij blijkt dat de creditcardovereenkomst niet onder voornoemde uitzondering valt, zijn de bepalingen van Titel 2A van Boek 7 BW onverkort van toepassing. Daarnaast is de Richtlijn consumentenkrediet 2008/48 (hierna: de richtlijn) van toepassing.
2.10.
De eisende partij wordt daarom verder in de gelegenheid gesteld toe te lichten op welke wijze zij heeft voldaan aan haar (pre)contractuele informatieplichten, zoals bedoeld in de artikelen 7:59 e.v. BW, en aan de kredietwaardigheidstoets van artikel 8 van de richtlijn en artikel 4:34 van de Wet op het financiële toezicht. Indien blijkt dat sprake is van schending van informatieplichten en/of de kredietwaardigheidstoets, kan dit leiden tot vernietiging van de creditcardovereenkomst.
2.11.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
beveelt de eisende partij om bij akte de stellingen toe te lichten door inlichtingen te verstrekken die gevraagd worden in overwegingen 2.8. t/m 2.10. van dit vonnis;
3.2.
verwijst de zaak naar de rolzitting van 5 juli 2023 voor het nemen van een akte door de eisende partij;
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter