ECLI:NL:RBNHO:2023:13841
1.1. Verzoeker heeft ter zitting van 26 april 2023 in de bij de civiele sectie (afdeling kanton) aanhangige zaak met zaaknummer 10232876 CV EXPL 22-4350 (de hoofdzaak) de kantonrechter gewraakt.
1.2. De wrakingskamer heeft op grond van de hierna opgenomen overweging besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van dit verzoek en bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.
2.1. Uit de zittingsaantekeningen van de griffier van de zitting van 26 april 2023 blijkt het volgende:
“
[verzoeker]
: Ik wil aangesproken worden als levend wezen. Voordat we verder gaan, heb ik een vraag. Ik wil vragen u aan te tonen waaruit blijkt dat u tekeningsbevoegd bent.
Rechter
: Het feit dat ik hier zit is voldoende.
[verzoeker]
: Een levend wezen kan niet veroordeeld worden. Ik heb in de kvk gekeken en daaruit blijkt niet dat u tekeningsbevoegd bent. Ik wraak daarom de kantonrechter, de griffier en de hele rechtbank / rechtspraak. Ik heb alles uitgezocht en u bent niet tekeningsbevoegdheid. Ik doe daarom een beroep op art. 51 en art. 355 Strafrecht.
Rechter
: In de wet is een regeling vastgelegd voor wraking. Ik moet de behandeling dan staken en ik moet de wrakingskamer verzoeken om te beoordelen of ik op terechte gronden gewraakt ben.
[verzoeker]
: Alle rechters in Nederland zijn niet bevoegd, alleen een meneer [naam] van de Raad van State is bevoegd.
Rechter
: U kunt alleen mij wraken niet de griffier. Omdat u mij wraakt moet ik de behandeling staken. Kunt u nogmaals aangeven waarom u mij wraakt.
[verzoeker]
: Op grond van art. 51 en 355 Strafrecht wraak ik de rechter. De sancties die daarbij horen wil ik uitgekeerd krijgen op mijn rekeningnummer. Ook bent u niet tekeningsbevoegd en ontbreken bij de kvk de formulieren 18, 25 en 26.”
2.2. RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Wrakingskamer,
locatie Alkmaar
zaaknummer / rekestnummer: C/15/339076 HA RK 23/60
op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker]
wonende in [woonplaats],
verzoeker.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. P.J. Jansen,
kantonrechter.
2.3. De wrakingskamer bepaalt dat een volgend verzoek van verzoeker tot wraking van de rechter niet in behandeling zal worden genomen (artikel 5 lid 2 onder g van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Noord-Holland).
De rechtbank
3.1. verklaart het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond;
3.2. beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de wederpartij in de hoofdzaak en de rechter een afschrift van deze beslissing toe te zenden;
3.3. bepaalt dat de zaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op 26 april 2023 en beveelt daartoe de onmiddellijke mededeling van deze beslissing aan de teamvoorzitter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, afdeling Handel, Kanton & Bewind.
Deze beslissing is gegeven door mr. L.J. Saarloos, voorzitter, mr. J.H. Gisolf en
mr. W.C. Oosterbroek, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van
mr. D.A.C. Sinnige, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2023.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.