Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-08-30
ECLI:NL:RBNHO:2023:13792
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,589 tokens
Inleiding
RECHTBANK Noord-Holland
Handel, Kanton en Bewind
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/328069 / HA ZA 22-306
Vonnis van 30 augustus 2023
in de zaak van
de naamloze vennootschap
GOUDSE SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Gouda,
eiseres in conventie,verweerster in reconventie,
advocaat: mr. A.C. van der Salm te 's-Gravenhage,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,eiser in reconventie,
advocaat: mr. M.A. Hardy te Hoorn Nh.
Partijen zullen hierna Goudse en [gedaagde] worden genoemd.
De zaak in het kort
Goudse stelt dat zij de arbeidsongeschiktheidsverzekering met gedaagde niet zou hebben afgesloten, als zij van de ware medische stand van zaken van de aanvrager (gedaagde) op de hoogte zou zijn geweest. De rechtbank heeft in een tussenvonnis geoordeeld dat Goudse voorshands is geslaagd in het leveren van het bewijs van die stelling, maar dat gedaagde tegenbewijs kan leveren. De rechtbank formuleert de vraagstelling in dit vonnis. Partijen moeten opnieuw een deskundige zoeken.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 april 2023
- akte uitlating deskundigenbericht van 21 juni 2023 aan de zijde van [gedaagde]- akte uitlating deskundigenbericht van 21 juni 2023 aan de zijde van GoudsePartijen hebben volgens de instructie van de rechtbank in hun respectieve akten gereageerd op de (toen nog concept)akte van elkaar.
Op 21 juni 2023 hebben partijen de rechtbank gevraagd om vonnis te wijzen.
2De verdere beoordeling van dit geschil
in conventie
Wenselijkheid benoeming deskundige
2.1.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“Zou een redelijk handelend verzekeraar de overeenkomst hebben gesloten als zij van de ware stand van zaken op de hoogte zou zijn geweest?
4.24.
Het is aan De Goudse om te stellen en zo nodig te bewijzen dat een redelijk handelend verzekeraar bij bekendheid met de ware stand van zaken geen verzekeringsovereenkomst zou hebben gesloten.
4.25.
Bij het beantwoorden van de vraag wat een redelijk handelend verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken zou hebben gedaan, kan groot gewicht toekomen aan het acceptatiebeleid van andere verzekeraars. Als een verzekeraar betoogt dat een redelijk handelend verzekeraar de verzekering niet zou hebben gesloten en de verzekeraar onderbouwt dit betoog, dan kan dit, afhankelijk van de door de verzekeraar aangevoerde argumenten en de omstandigheden van het geval, tot het oordeel leiden dat een redelijk handelend verzekeraar de verzekering in dat geval niet zou hebben gesloten. Voor dat oordeel is het niet noodzakelijk dat steeds wordt onderzocht wat het acceptatiebeleid van andere verzekeraars is. Of dat moet worden onderzocht, hangt af van het verweer van de verzekeringnemer.
4.26.
De Goudse heeft gesteld dat zij de verzekering niet zou zijn aangegaan, als zij had geweten dat [gedaagde] een geschiedenis had van (recente) rugklachten. De Goudse heeft er daarbij op gewezen dat [gedaagde] het voor de rug belastende beroep van café-restauranthouder uitoefende. De Goudse heeft ter onderbouwing verwezen naar de handleiding medische acceptatie en de verklaringen van twee deskundigen.
4.27.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij telefonisch contact heeft opgenomen met een andere verzekeraar, Allianz. Een medewerker van de afdeling acceptatie van de verzekeraar deelde desgevraagd mee dat rugklachten in de voorgeschiedenis in bijna alle gevallen leidt tot een clausule voor rugklachten en niet tot weigering van de verzekeringsaanvraag, aldus [gedaagde] . Hij verwijst daarnaast naar de verklaring van zijn deskundige, die tot de conclusie komt dat [gedaagde] als verzekerde zou zijn geaccepteerd.
4.28.
De rechtbank oordeelt als volgt.
[gedaagde] heeft zijn stelling dat een andere verzekeraar zou hebben medegedeeld dat rugklachten over het algemeen niet tot afwijzing van de verzekering leiden, niet onderbouwd. Het is dan ook niet duidelijk welke informatie [gedaagde] in dat telefoongesprek heeft gedeeld, bijvoorbeeld over zijn werkzaamheden of over de aard van zijn eerdere klachten. De gestelde mededeling namens Allianz zegt dan ook niet voldoende over haar acceptatiebeleid in relatie tot het onderhavige geval, en dus over de vraag of een redelijk handelend verzekeraar deze overeenkomst zou hebben gesloten. Het verweer is, tegenover de stelling van De Goudse, daarom geen aanleiding om onderzoek te doen naar het acceptatiebeleid van andere verzekeraars.
(…)
4.31.
Op grond van de inhoud van de twee deskundigenverklaringen van De Goudse acht de rechtbank De Goudse voorshands geslaagd in het leveren van het bewijs van haar stelling dat een redelijk handelend verzekeraar de overeenkomst niet zou hebben gesloten. De twee deskundigen komen op grond van verschillende redenen, die zij onderbouwen, tot de conclusie dat een redelijk handelend verzekeraar bij de kennis van de ware stand van zaken de verzekering niet zou hebben geaccepteerd. Omdat de deskundige van [gedaagde] tot een tegengestelde conclusie komt, mag [gedaagde] tegenbewijs leveren.
4.32.
Als [gedaagde] tegenbewijs wil leveren, zal een onafhankelijke deskundige moeten rapporteren over de vraag of een redelijk handelend verzekeraar de overeenkomst bij de ware stand van zaken had gesloten.
(…)
4.35.
Voordat tot benoeming van een onafhankelijke deskundige wordt overgegaan, stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid om zich uit te laten over:
- de wenselijkheid van een deskundigenbericht;
- het specialisme van de te benoemen deskundige;
- de aan de deskundige voor te leggen vragen. Partijen dienen daarvoor gezamenlijk een voorstel te doen.
4.36.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van medische advisering over acceptatie van verzekerden tegen arbeidsongeschiktheid.”
2.2.
Onder verwijzing naar het in noot 1 van dit vonnis vermelde arrest heeft Goudse in haar akte aangevoerd dat de benoeming van een deskundige niet noodzakelijk is. Goudse verwijst voor een onderbouwing van dat standpunt naar rechtsoverweging 3.4.8 van de Hoge Raad:
“Het beredeneerde betoog van een verzekeraar dat een redelijk handelend verzekeraar, bij kennis van de ware stand van zaken, de verzekering niet zou hebben gesloten, kan
- afhankelijk van de door de verzekeraar daartoe aangevoerde argumenten en de omstandigheden van het geval – tot het oordeel leiden dat een redelijk handelend verzekeraar de verzekering in dat geval niet zou zijn aangegaan. Voor dat oordeel is niet steeds noodzakelijk dat het acceptatiebeleid van andere verzekeraars wordt onderzocht. Het zal van het verweer van de verzekeringnemer afhangen of het acceptatiebeleid van andere verzekeraars in de beoordeling moet worden betrokken.”
Goudse stelt verder dat het gerechtshof Den Haag na verwijzing vervolgens besliste dat op basis van de verklaringen van de verschillende medisch adviseurs voldoende was aangetoond dat de klachten in dat geval tot afwijzing van de verzekering zouden hebben geleid. Bij gebreke van voldoende onderbouwde stellingen, die indien bewezen tot een ander oordeel zouden leiden, werd aan bewijslevering niet toegekomen.
2.3.
De Goudse meent dat zij, met de overlegging van haar eigen acceptatiebeoordeling evenals de beoordelingen van een tweetal verzekeringsartsen genoegzaam heeft aangetoond dat een redelijk handelend verzekeraar de verzekering niet zou hebben gesloten. Dat was ook het oordeel van de rechtbank. Goudse gaat er daarbij echter aan voorbij dat de rechtbank in het tussenvonnis ook heeft geoordeeld dat het verweer van [gedaagde] voldoende was gemotiveerd om hem tot tegenbewijs toe te laten.
De rechtbank ziet geen aanleiding van die bindende eindbeslissing terug te komen.
2.4.
[gedaagde] stelt in zijn akte een “tussenstap” voor; niet een deskundige, maar beide partijen zouden zelf de rechter kunnen voorlichten over het acceptatiebeleid van een aantal verzekeraars. Dat voorstel verwerpt de rechtbank. De rechtbank zou in dat geval zelf de casus van [gedaagde] moeten toetsen aan het acceptatiebeleid. Dat is nu juist iets wat een deskundige bij uitstek (en in ieder geval beter dan de rechtbank) kan doen.
Dictum
De rechtbank
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 27 september 2023 om beide partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen waarin zij zich uitlaten over de persoon van de te benoemen deskundige,
3.2.
bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk 20 september 2023 de concept-akte moeten toesturen, zodat zij ieder in hun eigen akte nog kunnen reageren op de door de wederpartij voorgestelde deskundige,
3.3.
houdt alle beslissingen voor het overige aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op
30 augustus 2023.
HR 05-10-2018, ECLI:NL:HR:2018:1841
Gerechtshof Den Haag 18 augustus 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020.1404