Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-06-29
ECLI:NL:RBNHO:2023:13652
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
1,304 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/3212
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juni 2023 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit Haarlem, verzoeker
(gemachtigde: mr.dr.dr.ir. G.A.S. Maduro),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Dijkman Dulkes - Wan).
Inleiding
Met het bestreden besluit van 5 april 2023 heeft verweerder de uitkering van verzoeker op grond van de Participatiewet (PW) beëindigd met ingang van 6 april 2023 en ingetrokken per 21 maart 2023.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder. Tevens was aanwezig J. van der Horst (tolk).
Totstandkoming van het besluit
1. Verzoeker ontvangt sinds 24 juli 2020 bijstand. Naar aanleiding van informatie van verzoeker over zijn vermogen in Frankrijk heeft verweerder onderzoek ingesteld. Uit dat onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat onroerend goed van verzoeker op 24 oktober 2019 verkocht is voor € 1.150.000,-. Daartegenover stond nog een hypotheek van € 984.000,-.
2. Verweerder heeft verzoeker vervolgens per aangetekende brief van 8 maart 2023 uitgenodigd voor een gesprek op 21 maart 2023. Verzoeker is niet verschenen. Bij (opnieuw aangetekende) brief van 21 maart 2023 heeft verweerder verzoeker uitgenodigd voor een gesprek op 4 april 2023. Daarnaast heeft verweerder het recht op bijstand van verzoeker opgeschort per 21 maart 2023. Verzoeker is niet verschenen op 4 april 2023. Daarop heeft verweerder het primaire besluit genomen.
3. Op 6 juni 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen verzoeker en twee sociaal rechercheurs. Naar aanleiding van het gesprek is verzoeker bij brief van 7 juni 2023 verzocht uiterlijk 21 juni 2023 aanvullende informatie te verstekken.
Beoordeling
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5. Vaststaat dat verzoeker niet is verschenen op de afspraken van 21 maart 2023 en 4 april 2023. In beginsel vormt dat gegeven een voldoende grondslag voor het opschorten en intrekken van de bijstand. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij de aangetekende brieven niet heeft ontvangen en dat er ook geen afhaalberichten zijn achtergelaten, maar in het kader van deze voorlopige voorziening ontbreekt de ruimte om deze stelling uitgebreid te onderzoeken.
6. Waar het in het kader van deze voorlopige voorziening in de kern om gaat is of gezegd kan worden dat verzoeker inmiddels zodanige informatie heeft verstrekt over zijn vermogen en inkomen dat geen twijfel meer bestaat over zijn bijstandsbehoeftigheid zodat de bijstand weer zou moeten worden hervat. In dat kader overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
7. Voor toewijzing van het verzoek is noodzakelijk dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er op dit moment nog zoveel onduidelijkheden zijn over de financiële situatie van verzoeker dat niet gezegd kan worden dat dat het geval is. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het op de weg van verzoeker ligt om in ieder geval helderheid te verschaffen over zijn vermogen in verband met de verkoop en overdracht van het onroerend goed in Frankrijk, alsmede bijvoorbeeld ook over de vraag of hij kan beschikken over een Franse bijstandsuitkering. Op dit moment is verzoeker daarin nog onvoldoende geslaagd, zodat thans geen ruimte bestaat om een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat de bijstandsuitkering van verzoeker reeds nu – vooruitlopend op de beslissing op bezwaar – zal worden hervat.
Conclusie
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijv: CRvB 25 april 2023 ECLI:NL:CRVB:2023:679