Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-10-10
ECLI:NL:RBNHO:2023:13250
Bestuursrecht
Wraking
1,501 tokens
Dictum
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/15/345454 HA RK 23/139
Dictum
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. B. van Walderveen,
hierna te noemen: de rechter.
1Het procesverloop
1.1
Verzoeker heeft op 30 oktober 2023 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Belastingrecht, locatie Haarlem, aanhangige zaak met zaaknummer HAA 22/5441, hierna te noemen: de hoofdzaak. De wederpartij in de hoofdzaak (verweerder) is de heffingsambtenaar van Cocensus.
1.2
De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft op 6 november 2023 schriftelijk op het verzoek gereageerd.
1.3
Verzoeker en de rechter hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord op de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 21 november 2023. De wederpartij in de hoofdzaak is niet verschenen.
2Het standpunt van verzoeker en de rechter
2.1
Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek – samengevat –
het volgende aangevoerd. De rechter heeft tijdens de zitting ten overstaan van alle aanwezigen in de zaal tweemaal de opmerking gemaakt dat verzoeker zich ‘heel speciaal’ zou vinden. Verzoeker heeft deze opmerkingen als kwetsend en denigrerend ervaren, en de opmerkingen geven aan dat de rechter vooringenomen is in zijn zaak. Verzoeker had voorafgaand aan de zitting in correspondentie en telefonisch aan de rechtbank aangegeven persoonlijk gehoord te willen worden. Aan verzoeker is meegedeeld dat hij als eerste zou worden opgeroepen. Verzoeker is echter op de dag van de zitting samen met andere partijen gelijktijdig opgeroepen. Verzoeker beschouwt dit als een schending van zijn privacy en als een teken dat er geen sprake is van een onpartijdig en onafhankelijk proces.
2.2
De rechter voert aan dat een wrakingsverzoek onverwijld moet worden gedaan, zodra de feiten welke ten grondslag liggen aan de stelling dat sprake is van vooringenomenheid of de schijn van partijdigheid bij de verzoeker bekend zijn. Het verzoek tot wraking is echter pas gedaan op 30 oktober 2023, terwijl de zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2023. Het wrakingsverzoek is dan ook te laat gedaan.
Verder voert de rechter aan dat hij zich niet herkent in de woorden ‘heel speciaal’. Verzoeker wilde een afzonderlijke behandeling en die heeft de rechter hem ook toegezegd. Op het moment dat de zaak van verzoeker zou worden behandeld, was verzoeker echter niet meer aanwezig. De rechter bestrijdt dat er sprake is van vooringenomenheid of schijn van partijdigheid.
Beoordeling
3.1
Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2
De wrakingskamer overweegt dat een verzoek tot wraking in beginsel in elke stand van de procedure kan worden gedaan, mits de behandeling van de zaak nog niet is geëindigd door het wijzen van een einduitspraak. Uit artikel 8:16 lid 1 Awb volgt dat een wrakingsverzoek wordt gedaan, zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden, aan de verzoeker bekend zijn geworden. Naar het oordeel van de wrakingskamer volgt hieruit dat een wrakingsverzoek, waarvan de grondslag is gelegen in hetgeen zich tijdens de zitting heeft voorgedaan, op de zitting of kort na de zitting dient te worden ingediend.
3.3
De door verzoeker gestelde feiten en omstandigheden hebben zich voorgedaan op de zitting van 19 oktober 2023. Het verzoek tot wraking is op 30 oktober 2023 ingediend, ongeveer 1,5 week later. Verzoeker heeft hierover ter zitting van de wrakingskamer verklaard dat hij het na de zitting even wilde laten bezinken, voordat hij (eventueel) een verzoek tot wraking zou doen.
3.4
De wrakingskamer overweegt dat het een verzoeker tot wraking is gegund enige tijd voor reflectie te nemen. In dit geval heeft het echter te lang geduurd voordat verzoeker zijn wrakingsverzoek indiende. Nu het wrakingsverzoek op 30 oktober 2023 is ingekomen, kan niet worden gezegd dat dit is gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden. Verzoeker heeft aldus niet voldaan aan het in artikel 8:16 lid 1 Awb neergelegde vereiste. Om die reden zal de wrakingskamer verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek. De wrakingskamer komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek.
Dictum
De wrakingskamer:
4.1
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek;
4.2
bepaalt dat de procedure in de hoofdzaak met zaaknummer HAA 22/5441 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond;
4.3
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.W.M. Giesen, voorzitter, mr. E.J. Bellaart en mr. M.M. Kruithof, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van F.S. Anderson, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2023.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.