Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-12-12
ECLI:NL:RBNHO:2023:12907
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,691 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/1257
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2023 in de zaak tussen
1. [eisers 1] uit Dirkshorn,
2. [eisers 2]uit ’t Veld,
3.de vennootschap onder firma [vof 1], gevestigd in Dirkshorn,
4. [eisers 3]uit ’t Veld,
5. [eisers 4]uit Zijdewind,
6.de vennootschap onder firma [vof 2], gevestigd in Dirkshorn,
7. [eisers 5]uit Anna Paulowna,
8. [eisers 6]uit ’t Veld,
9. [eisers 7]uit ’t Veld,
eisers
(gemachtigden: J.E. Smit en S.M. van der Kroon-Kolken)
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder
(gemachtigden: mr. W.B. de Kleuver en S.E.M. Rob-Rüssel).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de naamloze vennootschap Liander N.V., gevestigd in Arnhem (hierna: Liander )
(gemachtigden: mr. J.W.M. Hagelaars en mr. I.S. Termaat).
Inleiding
Waar de uitspraak over gaat
1. Deze uitspraak op het beroep van eisers gaat over de aan hen op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht (BP) opgelegde plicht tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van middenspanningsverbindingen (20 kV) met bijkomende werken op hun percelen. Deze gedoogplicht is door verweerder bij besluit van 29 juli 2021 aan hen opgelegd. Het besluit is daarbij uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Met het bestreden besluit van 20 januari 2022 op het bezwaar van eisers is verweerder bij dat besluit gebleven.
Samenvatting van de uitspraak
2. Eisers zijn het niet eens met de aan hen opgelegde gedoogplicht. Zij voeren
daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit waarbij de opgelegde gedoogplicht en de verklaring dat het besluit bij voorraad uitvoerbaar is, in stand zijn gelaten.
2.1
De rechtbank komt aan het slot van deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het besluit heeft kunnen nemen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. De opgelegde gedoogplicht blijft dus in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
2.2
Eerst wordt onder 3 en 3.1 kort opgesomd welke procedurestappen zijn gezet tot het moment van deze uitspraak. Daarna worden onder 4 enkele van belang zijnde feiten en de achtergrond weergegeven die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank van de beroepsgronden volgt daarna vanaf 5. Eisers hebben ter zitting aangegeven dat zij hun beroepsgrond over de uitvoerbaarheid bij voorraad van de gedoogplicht niet langer handhaven omdat het werk inmiddels is uitgevoerd. De rechtbank laat die grond dan ook buiten bespreking. Aan het eind van de uitspraak staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
2.3
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wettelijke regels zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Liander heeft ook schriftelijk gereageerd.
3.1
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2023 op zitting behandeld. Namens eisers hebben [eisers 1] en [eisers 4] aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door hun ) gemachtigden. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Namens Liander is verschenen [naam] , juridisch medewerker in dienst van Liander , bijgestaan door genoemde gemachtigden.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Door een toename van het verbruik en de productie van elektriciteit in de afgelopen jaren is de druk op het elektriciteitsnetwerk gestegen. Liander heeft op grond van de Elektriciteitswet onder meer een aansluitverplichting. Omdat de bestaande capaciteit niet meer toereikend is om de leveringszekerheid in de Kop van Noord-Holland te garanderen is - voor zover voor het onderhavige besluit van belang - in de Weel een nieuw onderstation geplaatst dat gevoed moet worden met nieuwe 20kV ondergrondse verbindingen. De middenspanningsverbindingen (20 kV) worden aangelegd als onderdeel van een circa drie kilometer lang elektriciteitstracé. De verbindingen worden in - onder meer - de percelen gemeente Niedorp, sectie F, nummers [perceelnummer 1] , [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] aangelegd door middel van een grondverdringende ploegtechniek en gestuurde boringen.
4.1
Eisers sub 1 en 2 zijn eigenaar van het perceel gemeente Niedorp, sectie F, nummer [perceelnummer 1] (hierna: F [perceelnummer 1] ). Eisers sub 4 en 5 zijn eigenaar van het perceel gemeente Niedorp, sectie F, nummer [perceelnummer 2] (hierna: F [perceelnummer 2] ). Eisers sub 7, 8 en 9 zijn eigenaar van het perceel gemeente Niedorp, sectie F, nummer [perceelnummer 3] (hierna: F [perceelnummer 3] ).
4.2
Omdat Liander geen overeenstemming heeft bereikt met eisers over het gebruik van genoemde percelen, heeft Liander verweerder bij brief van 10 december 2020, aangepast bij brief van 17 maart 2021, verzocht aan eisers een plicht op te leggen op grond van artikel 1 in samenhang met artikel 2, vijfde lid, van de BP om, behoudens recht op schadevergoeding, de aanleg en instandhouding van middenspanningsverbindingen (20 kV) met bijkomende werken, op hun percelen te gedogen. Liander heeft daarbij gevraagd om uitvoerbaarheid bij voorraad vanwege de spoedeisendheid van het werk.
4.3
Op 14 april 2021 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Daar waren onder meer een aantal (gemachtigden van) eisers en Liander aanwezig.
4.4
Bij brief van 27 mei 2021 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland verweerder geadviseerd om een gedoogplicht op te leggen aan eisers.
4.5
Bij besluit van 29 juli 2021 heeft verweerder een gedoogplicht opgelegd aan de rechthebbenden op de percelen F [perceelnummer 1] , F [perceelnummer 3] en F [perceelnummer 2] en het werk uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Daarbij is bepaald dat de gedoogplicht met betrekking tot de percelen die uitsluitend tijdelijk benodigd zijn voor werkwegen en/of werkterreinen, komt te vervallen nadat het werk is aangelegd. De permanente belemmering bestaat eruit dat eisers blijvend de instandhouding van de middenspanningsverbindingen (20 kV) moeten gedogen, waarbij in het gedoogbesluit opgenomen (eisers beperkende) voorwaarden gelden. Verder is bepaald dat Liander zich bij de aanleg en instandhouding van het werk dient te houden aan haar verzoek met de overgelegde stukken, zoals dat ter inzage heeft gelegen. Bij het besluit is ook bepaald dat indien in de planning en/of de uitvoering van de werkzaamheden een wijziging optreedt ten gevolge van onvoorziene omstandigheden, Liander hierover zo spoedig mogelijk met rechthebbenden in contact zal treden.
4.6
Vast staat dat eisers het gerechtshof te Amsterdam niet hebben verzocht om vernietiging van de gedoogbeschikking.
Bevoegdheidsverdeling en toetsingskader bestuursrechter en gerechtshof
5. De BP kent de volgende inhoudelijke toetsingscriteria, voordat een gedoogplicht kan worden opgelegd:
er moet sprake zijn van een werk nodig ten behoeve van een openbaar werk;
er is met rechthebbenden minnelijk overleg gevoerd wat niet tot overeenstemming heeft geleid;
de belangen van de rechthebbende vorderen redelijkerwijs niet onteigening;
in het gebruik van de zaken wordt niet meer belemmering gebracht dan redelijkerwijs nodig is voor de aanleg en instandhouding van het werk.
5.1
Eisers betogen dat verweerder hun bezwaargronden die zien op het criterium “niet meer belemmering dan strikt noodzakelijk” ten onrechte niet heeft beoordeeld. De rechtsmiddelenclausule in het primaire besluit is voor interpretatie vatbaar en sluit niet uit dat deze gronden in de bezwaarprocedure zouden kunnen worden behandeld. Daarbij geldt dat alle door eisers opgevoerde bezwaargronden onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Het voeren van twee procedures zou eisers ook voor hoge kosten hebben gesteld. Omdat de gedoogplicht uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, dachten eisers dat het maken van bezwaar kansrijker zou zijn dan het voeren van een verzoekschriftprocedure bij het gerechtshof. Het niet behandelen van bedoelde bezwaargronden is ook in strijd met de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat deze wet geen beperking stelt aan het type bezwaar dat wordt gemaakt, aldus eisers.
5.2
De rechtbank overweegt dat tegen een gedoogplicht op grond van de BP twee rechtsgangen naast elkaar open staan, te weten een rechtsgang bij het gerechtshof en de rechtsgang bij de bestuursrechter. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de BP kan door rechthebbenden bij het gerechtshof om vernietiging van een gedoogbeschikking worden verzocht op de toetsingscriteria hiervoor genoemd onder 3) en 4). Omdat het gerechtshof in artikel 4, eerste lid, van de BP uitdrukkelijk als bevoegde rechter voor deze twee criteria is aangewezen, is de bestuursrechter niet bevoegd om over deze beide criteria te oordelen. De bestuursrechter oordeelt (aanvullend) over de andere twee criteria, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de toepassing van de Awb. Alleen op argumenten die hierop zien, moet verweerder in bezwaar ingaan. Deze bevoegdheidsverdeling vindt steun in vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Verweerder is in de bezwaarprocedure op de argumenten van eisers die zien op het criterium dat “in het gebruik van de zaken wordt niet meer belemmering gebracht dan redelijkerwijs nodig voor de aanleg en instandhouding van het werk” dan ook terecht niet ingegaan. Het bestreden besluit is daarom ook niet genomen in strijd met (het bepaalde in artikel 7:11 van) de Awb.
5.2.1
Verder geldt het volgende. Nog daargelaten dat (de formulering van) een rechtsmiddelenclausule niet in afwijking van de BP een rechtsgang bij de bestuursrechter kan openstellen, is de rechtsmiddelenclausule zoals die onder het bestreden besluit is vermeld niet voor meerdere uitleg vatbaar. Daarin is immers aangegeven dat voor gronden die zien op de toetsingscriteria 3) en 4) een verzoek tot vernietiging bij het gerechtshof kan worden ingediend. Dat aan het voeren van een procedure bij het gerechtshof kosten zijn verbonden en eisers er om hen moverende redenen niet voor hebben gekozen die te voeren, kan aan de hiervoor geschetste verdeling van bevoegdheden niet afdoen.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aan eisers opgelegde gedoogplicht in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, voorzitter, mr. J.M. Janse van Mantgem en mr. T.J.H. Verstappen, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2023.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage wettelijk kader
Belemmeringenwet Privaatrecht
Artikel 1
Wanneer ten behoeve van openbare werken:
die door het Rijk, door eene provincie of ingevolge het reglement voor de instelling door een waterschap, veenschap of veenpolder worden of zijn ondernomen, die door Ons, Onze Minister die het aangaat of door provinciale staten onderscheidenlijk gedeputeerde staten krachtens de wet zijn bevolen, die door een waterschap, veenschap of veenpolder anders dan ingevolge het reglement voor de instelling of door eene gemeente worden of zijn ondernomen of zijn bevolen terwijl het openbaar belang door Ons of van Onzentwege is erkend, die ingevolge eene door het openbaar gezag verleende concessie worden of zijn tot stand gebracht, terwijl het openbaar belang door Ons of van Onzentwege is erkend, of van welke het algemeen nut uitdrukkelijk bij de wet is erkend, een werk noodig is, waarvoor duurzaam of tijdelijk gebruik moet worden gemaakt van onroerende zaken, kan ieder, die eenig recht heeft ten aanzien van die zaken, behoudens recht op schadevergoeding, worden verplicht te gedoogen, dat zoodanig werk wordt aangelegd en in stand gehouden, indien naar het oordeel van Onzen Minister van Waterstaat de belangen van de rechthebbenden redelijkerwijs onteigening niet vorderen en in het gebruik van de zaken niet meer belemmering wordt gebracht, dan redelijkerwijs voor den aanleg en de instandhouding van het werk noodig is.
Artikel 2
[…]
4 Na het einde van den in het eerste lid genoemden termijn wordt eene zitting gehouden, waar bezwaren kunnen worden ingediend en overleg kan worden gepleegd met den verzoeker. Deze zitting heeft plaats ter secretarie van de gemeente, binnen welke de onroerende zaak is gelegen, ten ware door Gedeputeerde Staten eene andere plaats of gemeente is aangewezen. De zitting wordt geleid door een lid van Gedeputeerde Staten, door dat College aangewezen, en bijgewoond door een lid van het dagelijksch bestuur der gemeente, binnen welke de onroerende zaak is gelegen, door dat bestuur aangewezen. Van het ter zitting voorgevallene wordt ten overstaan van het lid van Gedeputeerde Staten een proces-verbaal opgemaakt, dat binnen zes weken na die zitting aan den verzoeker en de gehoorde personen ter mede-onderteekening wordt aangeboden.
5 Is geen overeenstemming verkregen, dan kan eene verplichting, als bij artikel 1 bedoeld, bij met redenen omkleede beslissing van Onzen Minister van Waterstaat, zoo noodig onder voorwaarden te stellen aan den verzoeker, worden opgelegd.
[…]
Artikel 4
1. Afschrift van eene beslissing, als bedoeld in het vijfde lid van artikel 2 of het tweede lid van artikel 3, wordt toegezonden aan den burgemeester der gemeente, binnen welke de onroerende zaak, waarop de beslissing betrekking heeft, is gelegen. Dit afschrift wordt door den burgemeester onverwijld ten gemeentehuize ter inzage gelegd en daarvan wordt mededeeling en kennisgeving gedaan op de wijze, als bepaald in het tweede lid van artikel 2. Binnen een maand, nadat het afschrift ter inzage is gelegd, kan ieder die eenig recht heeft ten aanzien van de onroerende zaak, aan het Gerechtshof, binnen het gebied waarvan die zaak gelegen is, vernietiging van de beslissing verzoeken op grond, dat daarbij ten onrechte is geoordeeld hetzij dat de belangen van de rechthebbenden ten aanzien van die zaak redelijkerwijze onteigening niet vorderen hetzij dat in het gebruik van die zaak niet meer belemmering wordt gebracht dan redelijkerwijze voor den aanleg, de instandhouding, de verandering of de overbrenging van het werk noodig is.
[…]
Artikel 14
1. Alle rechtsvorderingen, tot vergoeding van schade, bedoeld in de artikelen 1, 3, 4, 5 en 9 tot en met 12, staan ter kennisneming van de rechtbank van het arrondissement, waarin de onroerende zaken, ten aanzien waarvan bij of krachtens deze wet aan rechthebbenden eene verplichting is opgelegd, geheel of gedeeltelijk zijn gelegen. De rechtsvorderingen worden behandeld en beslist door de kantonrechter van de rechtbank.
Zie de artikelen 1 en 2 van de BP
ECLI:NL:RVS:2023:2378 en ook ECLI:NL:RVS:2023:2380
Zoals verwoord in het eerste aanvullend bezwaar van 11 oktober 2021
Zoals verwoord in het tweede aanvullend bezwaar van 23 oktober 2021
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2018:833 en ECLI:NL:RVS:2022:1597
Die dateren van 1 april 2020, 22 juli 2020, 18 en 19 augustus 2020, 9 oktober 2020, 29 oktober en 22 januari 2021
Procesverloop
Het betoog van eisers slaagt daarom niet.
Minnelijk overleg
6. Eisers voeren aan dat van een redelijke overlegsituatie geen sprake is geweest en dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op de kanttekeningen die zij bij het gevoerde minnelijk overleg hebben geplaatst. Zo is niet ingegaan op hun opmerkingen over de standaardovereenkomst en de daarin gehanteerde tarieven en op hun twijfel aan de aanvaardbaarheid van de voorwaarden. Verweerder is met betrekking tot dat laatste geheel voorbij gegaan aan hun herhaaldelijk gemaakte opmerking dat de in de voorwaarden opgenomen aansprakelijkheidsverdeling voor hen niet verzekerbaar is. Het aanbieden van een overeenkomst met onredelijke voorwaarden kan niet worden aangemerkt als afdoende minnelijk overleg. Van een redelijke overlegsituatie is ook geen sprake geweest, omdat eisers niet tijdig beschikten over alle relevante informatie (werkbeschrijving, vereiste tekeningen, dwars- en lengteprofielen, alsmede informatie over schadenormen en vergoedingen). Deze informatie werd pas verstrekt na lang aandringen en bij de terinzagelegging van het verzoek om oplegging van de gedoogbeschikking.
6.1
Verweerder ziet op voorhand geen aanleiding de door Liander aangeboden overeenkomst(en) en de daarbij aangeboden vergoedingen als onwerkelijk of onredelijk aan te merken. Van belang daarbij is dat Liander eisers (concept-)opstalovereenkomsten met vergoeding heeft aangeboden die naar aanleiding van besprekingen met eisers en een door hen overgelegde alternatieve overeenkomst ook zijn aangepast. Verweerder stelt dat hij het minnelijk overleg terughoudend toetst en meent dat uit met name de door Liander opgebouwde persoonlijk dossiers blijkt dat Liander voldoende en serieuze pogingen heeft ondernomen om met eisers tot minnelijke overeenstemming te komen. Anders dan eisers stellen, heeft verweerder ter onderbouwing van dit standpunt in zijn besluiten niet alleen het aantal contactmomenten opgesomd maar heeft hij ervan blijk gegeven dat hij ook de inhoud van het gevoerde overleg heeft bezien en beoordeeld. Verweerder stelt verder dat eisers tijdens het minnelijk overleg over voldoende informatie beschikten om met Liander tot overeenstemming te kunnen komen. De stelling van eisers dat vanwege het niet beschikken over alle relevante informatie geen sprake was van een redelijke overlegsituatie, volgt verweerder daarom niet.
Toetsingskader minnelijk overleg
6.2
In lijn met vaste rechtspraak van de Afdeling overweegt de rechtbank dat uit artikel 2, vijfde lid, van de BP volgt dat verweerder een gedoogplicht pas kan opleggen, als langs minnelijke weg redelijkerwijs niet de gewenste vorm van overeenstemming kan worden bereikt. In dat kader moet verweerder zich ervan vergewissen dat een serieuze en redelijke poging is ondernomen om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen. Verweerder moet onderzoeken of de voorstellen tot vergoeding niet op voorhand als onwerkelijk en onredelijk moeten worden aangemerkt. Daarbij geldt dat verweerder de hoogte van de aangeboden vergoeding niet hoeft te toetsen.
6.2.1
De rechtbank stelt vast dat uit de gedoogbeschikking en het bestreden besluit blijkt dat verweerder de door Liander opgebouwde persoonlijke dossiers van de rechthebbenden op de hier betrokken percelen heeft onderzocht. In deze persoonlijke dossiers is de correspondentie tussen Liander en eisers (en/of hun gemachtigden) opgenomen, alsmede stukken inzake besprekingen en (hoor)zittingen. Van de persoonlijke dossiers maken ook de aan eisers aangeboden overeenkomsten onderdeel uit, en het tegenaanbod dat eisers (gezamenlijk) aan Liander hebben gedaan. Uit de persoonlijke dossiers blijkt aldus wanneer tussen Liander en eisers contact heeft plaatsgevonden, wat voor soort contact (persoonlijk, telefonisch of schriftelijk) dat is geweest en wat de inhoud daarvan was.
6.2.2
Uit de persoonlijke dossiers blijkt dat vanaf november 2019 met eisers sub 1 tot en met 6 en vanaf januari 2020 met eisers sub 7 tot en met 9 op verschillende manieren contact is geweest over de voorgenomen werkzaamheden. Ook blijkt daaruit dat door Liander meermaals concrete aanbiedingen zijn gedaan in de vorm van concept-opstalovereenkomsten. Naar aanleiding van gesprekken met eisers zijn de aan deze overeenkomsten verbonden voorwaarden meermaals aangepast of zijn voorwaarden toegevoegd, bijvoorbeeld over drainage, het uitvoeren van een nulmeting en een cultuurtechnisch onderzoek bij aanvang van de werkzaamheden alsmede een nadere bepaling over de aansprakelijkheid. Ook is op verzoek van eisers het tracé van de aan te leggen verbindingen gewijzigd in verband met mogelijke toekomstige woningbouw op een of meer van de betrokken percelen. Verder geven de persoonlijke dossiers er blijk van dat Liander steeds is ingegaan op vragen en opmerkingen van eisers over bijvoorbeeld een foutief uitgevoerde boring, gehanteerde tarieven en de precieze ligging van de middenspanningsverbindingen. Dat Liander niet wilde ingaan op het tegenaanbod van eisers omdat dit, zoals door Liander nader toegelicht, te zeer afwijkt van de tussen Liander en anderen gesloten overeenkomsten, maakt niet dat er geen serieus en voldoende overleg is gevoerd.
6.2.3
Het verzoek om gedoogbeschikking dateert van 10 december 2020. Behoudens het gesprek dat heeft plaatsgevonden op 17 december 2020 en het mailbericht (met concept-opstalovereenkomst) van 22 januari 2021, dateren alle in de persoonlijke dossiers opgenomen stukken van voor deze datum. Zo maken de werkbeschrijvingen onderdeel uit van een of meer van de aangeboden (concept-)opstalovereenkomsten, waarin ook schadenormen dan wel vergoedingen zijn genoemd. Tekeningen waarop het (gewijzigd) tracé is te zien alsmede het werkgebied maken onderdeel uit van de opstalovereenkomst van 9 oktober 2020. Verder is in een mailbericht van 20 oktober 2020 door Liander een (door eisers gevraagde) nadere toelichting gegeven op meer specifieke en gedetailleerde tekeningen waarop ook de diepte en precieze ligging van de leidingen is weergegeven. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet aannemelijk dat eisers met de wetenschap die zij hadden geen adequate onderhandelingen hebben kunnen voeren over een reële schadevergoeding.
6.2.4
Op grond van het voorgaande kon verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt stellen dat er tussen eisers en Liander een serieus en voldoende (geïnformeerd) overleg heeft plaatsgehad en dat Liander zich in voldoende mate heeft ingespannen om met eisers langs minnelijke weg overeenstemming te komen.
Verder heeft verweerder aan zijn vergewisplicht voldaan en kon hij zich op het standpunt stellen dat de door Liander gedane voorstellen niet op voorhand als onwerkelijk en onredelijk moeten worden aangemerkt. Verweerder heeft in de beoordeling betrokken dat Liander aan eisers in de overeenkomst een schadevergoeding heeft aangeboden en dat Liander na overleg met eisers de voorwaarden op een aantal punten heeft aangepast. In de omstandigheid dat Liander verder vast houdt aan de standaardovereenkomst en de omstandigheid dat de in de overeenkomst opgenomen voorwaarden niet zijn geaccordeerd door een onafhankelijke belangenbehartiger heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien het voorstel van Liander op voorhand onwerkelijk en onredelijk te achten. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat Liander in haar aanbiedingen (door LTO gehanteerde) gestandaardiseerde bedragen hanteert waarvan zij niet of slechts in beperkte mate wenst af te wijken.
6.2.5
Vast staat dat Liander en eisers het met name over de verdeling van de aansprakelijkheid in de onderhandelingen niet eens zijn geworden en dat mede om deze reden geen minnelijke regeling tot stand is gekomen.
Procesverloop
Dit brengt echter niet met zich dat verweerder de voorstellen van Liander op voorhand als onwerkelijk of onredelijk had moeten aanmerken. Zoals verweerder terecht heeft gesteld voeren Liander en eisers de onderhandelingen als private partijen. Anders dan eisers lijken te betogen, rust op verweerder op grond van de BP geen plicht tot een verdergaande toetsing van de aangeboden (regeling van) schadevergoeding dan die hij heeft verricht. De beoordeling van bezwaren over aan de overeenkomst verbonden voorwaarden en in de overeenkomst gehanteerde tarieven zijn voorbehouden aan de civiele rechter. Daarbij geldt verder dat de BP uitgaat van volledige schadevergoeding van aantoonbare schade die niet in de overeenkomst is geregeld. Vanwege die schadevergoedingsplicht van Liander heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank ook op het standpunt kunnen stellen dat het opnemen van een voorwaarde die vooraf (mede ten behoeve van het minnelijk overleg) verplicht tot het opstellen en overleggen van een nulmeting over cultuurtechnische zaken of een cultuurtechnisch rapport, niet nodig is.
Nadere voorwaarden aan de gedoogbeschikking
7. Eisers vreesden schade aan hun percelen als gevolg van de door Liander gekozen aanlegmethode. Daarbij is ook de werkbeschrijving volgens eisers zo opgesteld dat deze Liander alle ruimte laat om het werk op de voor Liander meest gunstige wijze uit te voeren, zonder dat daarbij de belangen van eisers in acht zijn genomen. Eisers hebben daarom verweerder gevraagd nadere voorwaarden aan de gedoogbeschikking te verbinden die zien op de voorbereiding en uitvoering van het werk. De voorwaarden dienen ter borging van hun belangen die zien op het voorkomen van schade en maken het voor eisers eenvoudiger om voor hun rechten op te komen in geval van schade. Verweerder heeft volgens eisers ongemotiveerd niet aan hun verzoek voldaan.
7.1
De rechtbank overweegt dat artikel 2, vijfde lid, van de BP op zich ruimte biedt om aan de gedoogbeschikking voorwaarden te verbinden. De rechtbank stelt verder vast dat de werkzaamheden waarvan eisers schade vrezen zijn uitgevoerd, zodat het alsnog stellen van de gewenste voorwaarden feitelijk niet meer tot een andere uitgangspositie bij de schadediscussie kan leiden. Daarnaast geldt dat verweerder heeft kunnen aannemen dat de gedoogbeschikking, de aanvraag en de bijbehorende stukken en ook de werkbeschrijving voldoende zekerheid geven over de wijze waarop de werkzaamheden (moeten) worden uitgevoerd. De beoordeling door verweerder van de aanvraag om gedoogbeschikking gaat
– voor zover het de aan de rechtbank voorbehouden toetsingscriteria betreft – ook niet verder. Voor zover de gewenste voorwaarden verband houden met het criterium “niet meer belemmering dan strikt noodzakelijk” kan de rechtbank in de beoordeling daarvan niet treden. Zoals hiervoor overwogen is het oordeel over dat criterium (en in verband daarmee al dan niet gestelde voorwaarden) voorbehouden aan het gerechtshof. Verweerder heeft er naar het oordeel van de rechtbank verder terecht op gewezen dat de verplichting tot volledige schadevergoeding en de aansprakelijkheid voor fouten in de uitvoering op grond van de BP bij Liander ligt. Indien Liander niet overgaat tot een (volledige) vergoeding van door eisers gestelde schade, staat op grond van artikel 14 van de BP voor hen de procedure bij de kantonrechter open. Met verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat het stellen van de door eisers gewenste voorwaarden daarom niet nodig is.
Zitting en advies gedeputeerde staten van Noord-Holland
8. Eisers menen dat zij tijdens de door gedeputeerde staten van Noord-Holland op 21 april 2021 georganiseerde hoorzitting onvoldoende serieus zijn gehoord. Zo mochten zij onder andere bewijsstukken over aansprakelijkheidsstelling bij schade aan leidingen niet tonen. Omdat aldus de uitgangspunten waarop het advies is gebaseerd onjuist en onvolledig zijn, is er volgens eisers geen sprake van een onafhankelijk advies waarop verweerder een gedegen besluit kan nemen.
8.1
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 2, vierde lid, van de BP op gedeputeerde staten de taak rust om in een gedoogplichtprocedure een hoorzitting te organiseren voor de rechthebbenden en een advies uit te brengen aan verweerder over het verzoek tot het opleggen van de gedoogplicht. Aan het advies zelf zijn geen inhoudelijke eisen gesteld. Voor het oordeel dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen ziet de rechtbank met verweerder geen grond. Na de hoorzitting zijn eisers in de gelegenheid gesteld hun bezwaren, waarvan zij vonden dat deze tijdens de hoorzitting niet voldoende uiteen konden worden gezet, alsnog schriftelijk kenbaar te maken. Eisers hebben vervolgens een nader stuk ingezonden. Het advies is met inachtneming van het nadere stuk en de reactie daarop uitgebracht. Nu eisers verder tijdens de bezwaarfase schriftelijk, en tijdens de hoorzitting op 4 november 2021, hun bezwaren hebben kunnen toelichten, ziet de rechtbank geen grond om verweerders besluitvorming op dit punt gebrekkig te achten.