Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-11-22
ECLI:NL:RBNHO:2023:12832
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,941 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/1026
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 22 november 2023 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma),
en
de Inspecteur van de Douane (voorheen: Belastingdienst/Douane) Breda, verweerder
(gemachtigde: drs. [naam 5] ).
Procesverloop
Bij brief van 25 november 2021 heeft verweerder aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) opgelegd voor € 94.611,93 aan invoerrecht en € 25.651,58 aan btw bij invoer.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de utb. Verweerder heeft het bezwaar op 30 december 2021 afgewezen, waarna eiseres beroep heeft ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend, die telkens in afschrift aan de wederpartij zijn gezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2023 te Haarlem. De rechtbank heeft de onderhavige zaak ter zitting gevoegd behandeld met:
- de zaken van eiseres met de nummers HAA 21/1098 en HAA 21/6375; en
- de zaak van [bedrijf 1] B.V. met nummer HAA 21/1093.
Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde voornoemd, tot bijstand vergezeld van
[naam 1] (werkzaam bij eiseres) en mr. [naam 2] en [naam 3] (beiden werkzaam bij [bedrijf 1] B.V.) Als toehoorder was aanwezig [naam 4] (stagiaire op het kantoor van de gemachtigde). Namens verweerder zijn verschenen zijn gemachtigde voornoemd, vergezeld van mr. drs. [naam 6] en mr. [naam 7] .
Voor sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de zaken gesplitst. In de zaken met kenmerken HAA 21/1098, HAA 21/6375 en HAA 21/1093 is bij uitspraken van heden separaat uitspraak gedaan.
Feiten
Op 19 maart 2019 diende eiseres via haar geautomatiseerde aangiftesysteem een aangifte voor het vrije verkeer in van gekoeld rundvlees zonder been, van oorsprong uit [land] . In de aangifte werd vermeld dat eiseres optrad als direct vertegenwoordiger van [bedrijf 2] , met identificatienummer [#] . Na controle van de aangifte werden de goederen op 17 april 2019 vrijgegeven en werd via het geautomatiseerde aangiftesysteem van eiseres de uitnodiging tot betaling (hierna: utb) verzonden aan [bedrijf 2] . De douaneschuld van € 94.611,93 is voldaan vanuit het maandkrediet van eiseres.
Op 29 april 2019 diende eiseres een bezwaarschift in tegen haar aangifte en verzocht daarbij ook om wijziging van deze aangifte. Zij stelde per abuis aangifte te hebben gedaan namens [bedrijf 2] , zij had bedoeld aangifte te doen namens B.V. [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ). Eiseres verzocht de aangifte zodanig te wijzigen dat [bedrijf 3] aangever zou zijn. Het belang van het wijzigen van de aangifte betrof de opbouw van GATT-rechten ten name van [bedrijf 3] . Bij het bezwaar en verzoek voegde eiseres de doorlopende machtiging van [bedrijf 3] aan eiseres voor het optreden als direct vertegenwoordiger, afgegeven op 30 augustus 2016, de factuur voor het vlees van de [land] leverancier aan [bedrijf 3] en de opdracht van [bedrijf 3] aan eiseres om het betreffende vlees in te klaren. Die volmacht was ook afgegeven voor het indienen van bezwaarschriften en het doen van verzoeken om wijziging van aangiften.
Bij brief van 20 mei 2019 stelde verweerder zich op het voorlopige standpunt dat eiseres aangifte had gedaan zonder daartoe over een opdracht te beschikken, zodat vertegenwoordigingsbevoegdheid om als vertegenwoordiger namens [bedrijf 2] op te treden ontbrak. Op grond van artikel 19, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU) zou eiseres zelf moeten worden aangemerkt als aangever.
4. Op 24 juni 2021 heeft verweerder de utb aan [bedrijf 2] ambtshalve ingetrokken, omdat niet [bedrijf 2] aangever is, maar eiseres. Eveneens op 24 juni 2021 stuurde verweerder aan eiseres een voornemen tot het opleggen van een utb, omdat zij als direct vertegenwoordiger van [bedrijf 2] een aangifte voor het vrije verkeer heeft gedaan zonder dat zij daartoe vertegenwoordigingsbevoegd was. Op grond van artikel 19, eerste lid, van het DWU moet eiseres worden geacht in eigen naam en voor eigen rekening te hebben gehandeld. Op 25 november 2021 verzond verweerder zijn voorgenomen utb aan eiseres. In de utb is onder meer de volgende mededeling opgenomen:
“Het hierboven genoemde bedrag is reeds via uw maandkrediet betaald en hoeft niet opnieuw voldaan te worden”
Bij brief van 22 november 2021 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen deze utb, welk bezwaar verweerder bij uitspraak van 30 december 2021 heeft afgewezen.
Procesverloop
De procedure van eiseres tegen de ambtshalve intrekking van de utb aan [bedrijf 2] is bij de rechtbank in behandeling onder kenmerk HAA 21/6375.
Geschil
6. In geschil is de vraag of de utb van 25 november 2021 terecht aan eiseres is opgelegd.
7. Eiseres meent dat de utb ten onrechte aan haar is opgelegd, omdat zij niet de schuldenaar is en bovendien omdat de inspecteur zich ten onrechte op het standpunt stelt dat wijziging van de aangifte niet mogelijk is. Verder verwijst eiseres naar de motivering in haar procedures die bij de rechtbank aanhangig zijn onder de kenmerken HAA 21/1098 en HAA 21/6375. Als het verzoek om wijziging van de aangifte ongegrond wordt verklaard, dan richten het bezwaar en het beroep zich tegen de in de utb opgenomen verrekening met de douaneschuld van [bedrijf 2] . Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de utb. Eiseres verzoekt om vergoeding van de door haar geleden immateriële schade en om vergoeding van haar proceskosten.
8. Verweerder meent dat het achteraf wijzigen van de persoon van de aangever niet mogelijk is. Het Pfeifer & Langen-arrest van het Hof van Justitie (arrest van 16 juli 2020, C-97/19, ECLI:EU:C:2020:574) ging niet over het wijzigen van de aangever, maar over het toevoegen van een schuldenaar, en zag bovendien op het oude artikel 78 van het Communautair Douanewetboek. Artikel 173 van het DWU is beperkter geformuleerd en sluit ook de wijziging van de persoon van de aangever uit. Het door eiseres aangehaalde Guidance document van de Commissie is slechts beleid en niet bindend. Als dit beleid gunstig zou zijn voor eiseres maar in strijd met de wettelijke bepalingen, dan kan er geen succesvol beroep op worden gedaan.
De inspecteur voert geen ambivalent beleid, eiseres is terecht aangesproken als schuldenaar omdat zij op grond van artikel 19, eerste lid, van het DWU, aangemerkt moet worden als aangever. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het onderhavige bezwaarschrift van eiseres tevens een verzoek om wijziging van de aangifte inhoudt. In de beslissing op bezwaar is impliciet ook beslist op het verzoek om wijziging, zonder dat in de rechtsmiddelenverwijzing is opgenomen dat eiseres bezwaar kan maken tegen deze beslissing. Verweerder verzoekt de rechtbank om het beroep tegen de uitspraak op bezwaar tevens aan te merken als een rechtstreeks beroep in de zin van art. 7:1a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tegen de beslissing op het verzoek om wijziging van de aangifte.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling
9. Anders dan verweerder ziet de rechtbank in het bezwaar van eiseres geen verzoek om wijziging van de aangifte. Dat eiseres haar bezwaar (door te verwijzen naar gronden die zij in de voornemenfase heeft aangevoerd) onderbouwt met een betoog over de mogelijkheid de aangifte te wijzigen, leest de rechtbank niet als een verzoek om wijziging. Uit het arrest van 29 april 2022 (nr. 20/0236, ECLI:NL:HR:2022:658, r.o. 3.4. en 3.5) leidt de rechtbank af dat aan een procedure over de wijziging van een aangifte in de zin van artikel 173, derde lid, van het DWU, een verzoek ten grondslag moet liggen, welk verzoek kan worden gedaan in een bezwaarschrift dat is gericht tegen een utb. Bij gebrek aan een verzoek om wijziging van de aangifte in de onderhavige procedure zal de rechtbank uitsluitend oordelen over de gronden van eiseres tegen de utb.
10. Voor zover de gronden van het bezwaar en beroep zien op de door eiseres voorgestane wijziging van de aangifte kunnen zij niet leiden tot een gegrond beroep omdat een onderliggend verzoek om wijziging ontbreekt. Dat de aangifte niet gewijzigd kan worden op de wijze die eiseres voorstaat, heeft de rechtbank bij uitspraak van heden beslist in het beroep van eiseres met kenmerk HAA 21/1098. Dit betekent dat eiseres met toepassing van artikel 19, eerste lid, tweede volzin van het DWU, moet worden aangemerkt als aangever en, op grond van artikel 77, derde lid, eerste volzin, van het DWU, ook als douaneschuldenaar. In zoverre is de utb terecht aan haar opgelegd.
11. Het beroep richt zich verder uitsluitend tegen de in de utb opgenomen mededeling dat het bedrag van de douaneschuld al is betaald via het maandkrediet van eiseres en niet opnieuw voldaan hoeft te worden. Tegen deze mededeling kan niet met vrucht in rechte worden opgekomen, omdat het niet een rechtsoordeel betreft maar een feitelijke mededeling. Bovendien zal eiseres zich voor invorderingskwesties dienen te wenden tot de Ontvanger.
Conclusie
12. De slotsom is dat het beroep ongegrond is.
Vergoeding voor immateriële schade
13. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie HR 19 februari 2016, 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252) kan in belastingzaken aanspraak bestaan op schadevergoeding met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 (oud) van de Awb, indien het belastinggeschil niet binnen een redelijke termijn wordt beslecht. De redelijke termijn is overschreden als na indiening van het bezwaar meer dan twee jaren zijn verstreken voordat op dat bezwaar en, indien vervolgens beroep is ingesteld, op dat beroep is beslist. In het onderhavige geval is het bezwaarschrift ontvangen op 23 november 2021 en doet de rechtbank op 22 november 2023 uitspraak. Van een overschrijding van de redelijke termijn is derhalve geen sprake.
Proceskosten
14. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.C. Schipper, voorzitter, en mr. P.H. Lauryssen en mr. drs. C.M. van Wechem, leden, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2023.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.