Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-11-13
ECLI:NL:RBNHO:2023:11651
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,468 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Inloopteam bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/4170
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Gürses),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV), verweerder
(gemachtigde: mr. M. van der Feer).
Inleiding
Met het besluit van 23 december 2020 (het primaire besluit) heeft het UWV bepaald dat de WGA-loonaanvullingsuitkering van eiser op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 1 januari 2021 wordt omgezet in een WGA-vervolguitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 37,25%. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
In de bezwaarprocedure heeft het UWV kenbaar gemaakt dat hij voornemens is om het primaire besluit te wijzigen.
Het UWV heeft de WIA-uitkering per 5 september 2022 beëindigd omdat eiser op 1 januari 2021 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen deze beslissing op bezwaar (het bestreden besluit) van 4 juli 2022.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
De rechtbank heeft het onderzoek met de heropeningsbeslissing van 17 mei 2023 heropend en de behandelend neuroloog van eiser gevraagd om een toelichting met betrekking tot de diagnose, de MRI-scan, de invloed van de klachten op het functioneren en het geadviseerde bloedonderzoek. Op 4 juli 2023 is een reactie ontvangen van de neuroloog.
Zowel eiser als het UWV hebben gereageerd op de reactie van de neuroloog.
Op verzoek van eiser heeft de rechtbank het beroep op 23 oktober 2023 met behulp van een beeldverbinding op een nadere zitting behandeld. Hierbij was de gemachtigde van eiser aanwezig.
Wat ging aan deze procedure vooraf
1. Eiser heeft voor het laatst gewerkt als kok voor 38,02 uur per week. Op 10 juni 2010 heeft eiser zich ziek gemeld voor dit werk vanwege gezondheidsklachten. Vanaf 7 juni 2012 ontvangt eiser een WIA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. Bij het besluit van 16 oktober 2018 heeft het UWV besloten dat de WIA-uitkering per 17 december 2018 wordt beëindigd omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voorafgaand aan dit besluit is eiser uitgenodigd voor een door het UWV geïnitieerd neuropsychologisch onderzoek. Dit onderzoek is afgebroken, er is geen expertiserapport opgesteld. Bij de beslissing op bezwaar van 16 juli 2019 heeft het UWV het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 37,25%. Voorafgaand aan deze beslissing op bezwaar is een expertiseonderzoek verricht door een psychiater, GZ-psycholoog en een neuroloog bij DC VerzuimDiagnostiek. De verzekeringsarts B&B heeft dit expertiserapport van 11 juni 2019 meegenomen in zijn beoordeling. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 16 juli 2019 ongegrond is. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.
2. Het UWV heeft vervolgens de besluiten genomen die in de inleiding zijn genoemd.
Wat vindt het UWV
3. Het UWV vindt dat eiser op 1 januari 2021 26,70% arbeidsongeschikt is en heeft daarom besloten om de WIA-uitkering met ingang van 5 september 2022 te beëindigen.
4. In de bezwaarprocedure heeft het UWV een psychiatrisch en een neuropsychologisch onderzoek laten verrichten door een psychiater, klinisch psycholoog en een MSC psycholoog bij Psyon. Dit expertiseonderzoek van 9 juni 2022 heeft het UWV meegenomen in de medische beoordeling.
5. Het UWV heeft de medische grondslag van het bestreden besluit gebaseerd op het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts B&B) van 22 juni 2022. De medische belastbaarheid van eiser is opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 december 2021.
6. Het UWV heeft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit gebaseerd op het rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige B&B) van 30 juni 2022.
Wat vindt eiser
7. Eiser is het niet eens met het UWV. Hij verzoekt om alles wat hij tot dusverre in de procedure naar voren heeft gebracht als volledig herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser stelt dat de bestreden beslissing niet in stand kan blijven omdat die is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en omdat de bestreden beslissing onvoldoende is gemotiveerd. Hij stelt dat er onvoldoende zorgvuldig onderzoek is gedaan naar zijn medische gesteldheid en de beperkingen. Volgens eiser strookt het rapport van de verzekeringsarts B&B niet met de werkelijkheid. In het omvangrijke dossier bevindt zich diverse medische informatie waaruit blijkt dat sprake is van depressieve en psychische klachten. Het UWV volgt volgens eiser daarom ook ten onrechte de conclusies van het expertiserapport van Psyon 9 juni 2022. In dit expertiserapport zijn volgens eiser zijn medische klachten onderschat. Ondanks dat er duidelijke signalen zijn van een psychiatrische ziekte wordt deze diagnose niet gesteld. Eiser is dan ook van mening dat de bevindingen in het expertiserapport in vele opzichten tekortschieten. Hij wenst daarbij te benadrukken dat hij zijn klachten en situatie niet heeft overdreven of gesimuleerd. Ook herkent eiser zich niet in de lichamelijke beperkingen in de FML, hij acht zichzelf verdergaand beperkt. Eiser meent dat een nader onderzoek door een onafhankelijke specialist vereist is. Ter zitting geeft hij aan dat dit een neuroloog of psychiater kan zijn.
8. Eiser acht de geduide functies niet passend. Alle functies omvatten werkzaamheden die hij gezien zijn psychische en fysieke beperkingen niet kan uitvoeren.
9. Eiser verzoekt om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden ten gevolge van de genomen onrechtmatige besluiten.
Wat vindt de rechtbank
10. De vraag is of het UWV terecht stelt dat eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank moet die vraag beantwoorden aan de hand van wat eiser daartegen in heeft gebracht. Belangrijk punt is dat het gaat om de medische toestand van eiser op 1 januari 2021 en de vraag welke beperkingen daaruit volgen.
11. Voor zover eiser in zijn beroepschrift verwijst naar dat wat hij in bezwaar heeft aangevoerd, overweegt de rechtbank dat het aan eiser is om in beroep gemotiveerd en specifiek aan te voeren waarom hij het niet eens is met het bestreden besluit. De verwijzing naar het bezwaarschrift wordt niet als zo’n gemotiveerde en specifieke betwisting opgevat. Daarop is immers gereageerd in het bestreden besluit. Eiser zal dus moeten aanvoeren waarom hij het met die reactie niet eens is. Gelet hierop zal de rechtbank de beoordeling van het beroep plaatsen in het licht van de in beroep nader uitgewerkte gronden en niet in het licht van hetgeen in bezwaar is aangevoerd.
12. De rechtbank vindt dat het UWV terecht heeft beslist dat eiser op 1 januari 2021 voor 26,70% arbeidsongeschikt is en dus geen recht heeft op een WIA-uitkering. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Medische grondslag van het bestreden besluit
Heropening onderzoek
13.1
In de heropeningsbeslissing van 17 mei 2023 heeft de rechtbank opgemerkt dat de behandelaren van eiser en de artsen van de expertiserapporten van mening verschillen over eisers gezondheidssituatie. De neuroloog spreekt in de brief van 29 november 2021 over een “cognitieve stoornis sinds zeker 10 jaar”.
Beoordeling
15. Eiser is – kortgezegd – van mening dat zowel in het rapport van de verzekeringsarts B&B als in het expertiserapport van Psyon zijn medische beperkingen zijn onderschat. Eiser stelt dat hij de conclusie van het expertiserapport, dat de door de behandelaar gehanteerde diagnose niet kan worden bevestigd en dat er geen objectieve ziekteverschijnselen zijn waaruit beperkingen voor werk voortvloeien, niet kan volgen. Volgens eiser doet deze conclusie geen recht aan de reëel bij hem bestaande ziekteklachten en aandoeningen. Eiser heeft namelijk meerdere klachten die hem beperken in zijn handelen; hij is angstig, vergeetachtig, heeft een kort lontje, durft niet alleen naar buiten, heeft begeleiding nodig hij het aankleden, heeft een IQ van 40 en is laag van begrip. Deze klachten en beperkingen zijn volgens eiser toegenomen na een ongeluk in 2010. Daarbij is er volgens eiser mogelijk sprake van een verstandelijke handicap en/of frontaal kwab dementie c.q. niet aangeboren hersenletsel door het ongeval. Ook heeft hij geheugen-concentratiestoornissen en vertoont hij kinderlijk gedrag, mogelijk door hersenschade. Ook kan hij niet zelfstandig functioneren en is er sprake van een stoornis op meerdere cognitieve terreinen. Hij verwijst hierbij onder andere naar de brief van de neuroloog van 29 november 2021 waarin wordt gesteld dat er sprake is van een cognitieve stoornis. Eiser stelt dat de suggestie dat hij zijn klachten zou overdrijven, dan wel dat er sprake was van onderpresteren, ongefundeerd is. Noch uit het dossier, noch uit de eerdere anamneses blijkt volgens eiser dat er sprake is van onjuiste dan wel ondeugdelijke medische informatie. Verder heeft eiser schouderklachten, rugpijn en hoofdpijn. Daarnaast stelt hij dat gelet op de effecten van de medicijnen en de psychische en lichamelijke klachten, de geheugenproblemen en concentratieproblemen een urenbeperking dient te worden aangenomen. Ook na de reactie van de neuroloog blijft hij bij zijn standpunt dat, gelet op het langdurige bestaan van de klachten en de overige informatie in het dossier (huisarts, psycholoog en anderen), de conclusie van Psyon dat de testafwijkingen beïnvloed zouden zijn door onderpresteren en dat er sprake zou zijn van over-rapporteren niet is gerechtvaardigd.
16. In het rapport van 22 juni 2022 merkt de verzekeringsarts B&B op dat moet worden beoordeeld of de primaire verzekeringsarts bij het vaststellen van de beperkingen in voldoende mate rekening heeft gehouden met de rechtstreeks en objectief vaststelbare gevolgen van het ziektebeeld. De primaire verzekeringsarts is van mening dat eiser werkzaamheden kan verrichten conform de FML waarbij beperkingen in relatie tot de schouder zijn aangegeven. Hierbij werd aangesloten bij de in de eerdere bezwaar- en beroepsprocedure vastgestelde belastbaarheid zoals omschreven in de FML van 28 juni 2019, waarbij na het expertiserapport van DC VerzuimDiagnostiek geen beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren aan de orde werden geacht. De verzekeringsarts B&B stelt dat hij, gelet op de benoemde toename van klachten in de afgelopen jaren en het verschil in visie tussen behandelaars en de laatste expertise in 2019, heeft besloten dat alsnog een fysiek medische beoordeling in bezwaar zal plaatsvinden en om een nieuwe psychiatrische expertise te laten verrichten. In het rapport van 22 juni 2022 verwijst de verzekeringsarts B&B dan ook naar het expertiserapport van Psyon waarbij een NPO (neuropsychologische) en een psychiatrische beoordeling is gedaan. Hij citeert een deel van het rapport waarbij hij het volgende extra benadrukt. “De klachten van betrokkene mogen daarom niet zonder meer vertaald worden naar een psychiatrische stoornis. Er zijn geen aanwijzingen om aan een posttraumatische-stressstoornis of depressie met psychotische kenmerken te denken. De diagnose neurocognitieve stoornis kan ik niet bevestigen, noch geheel uitsluiten. De verdenking op een neurodegeneratieve aandoening is mijns inziens echter laag en de ernst van de subjectieve klachten kan mijns inziens niet verklaard worden door traumatisch hersenletsel met als gevolg een contusio/commotio cerebri. Een neuroloog kan hier verder uitsluitsel over geven. De algemene presentatie geeft echter geen aanleiding om een ernstig psychiatrisch ziektebeeld te veronderstellen, zoals bijvoorbeeld een – klinisch merkbare – depressie of floride psychose. Ik adviseer dan ook om de gepresenteerde klachten vooral te interpreteren in het licht van aanpassingsproblematiek. In termen van de DSM-classificatie is daarmee sprake van een ongespecificeerde aanpassingsstoornis.” Op basis hiervan stelt de verzekeringsarts B&B dat uit dit expertiserapport onvoldoende medische grond is gebleken om uit te gaan van een andere belastbaarheid dan waar reeds eerder van werd uitgegaan. Zoals ook bij de eerdere verrichte expertise door DC VerzuimDiagnostiek is er onvoldoende medische objectivering om beperkingen in de FML ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren te kunnen onderbouwen. Er is volgens de verzekeringsarts B&B onvoldoende medische aanleiding gebleken om af te wijken van de primaire medische beoordeling. In het rapport van 6 oktober 2022 voegt de verzekeringsarts B&B hieraan toe dat naast de verzamelde medische gegevens, medische voorgeschiedenis en eigen onderzoeksbevindingen niet alleen het expertiserapport van Psyon van 9 juni 2022 is betrokken, maar ook het eerdere expertiserapport van DC VerzuimDiagnostiek van 11 juni 2019. De grond dat er bij de expertise is afgeweken van de door behandelaars gebruikte diagnoses is ook reeds aan de orde geweest in het kader van de eerdere hoger beroepsprocedure. De verzekeringsarts B&B verwijst hierbij naar de medische rapportage van 31 juli 2020. Verder stelt de verzekeringsarts B&B in het rapport van 6 oktober 2022 dat er in het beroepschrift geen nieuwe medische feiten naar voren komen die maken dat er onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen vanuit geobjectiveerde ziekte of gebrek. Er is onvoldoende medische grond vastgesteld voor het aannemen van sterkere beperkingen in de FML. In het rapport van 25 juli 2023 stelt de verzekeringsarts B&B dat ook de antwoorden van de neuroloog op de vragen van de rechtbank geen aanleiding geven om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.
17. De rechtbank kan dit volgen. In de verzekeringsgeneeskundige beoordeling kan niet uitsluitend worden afgegaan op hoe eiser zijn klachten zelf ervaart. In de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zijn niet de ervaren klachten of de diagnose doorslaggevend, maar de mate waarin beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid als gevolg van die klachten objectief medisch kunnen worden onderbouwd. Zonder afbreuk te willen doen aan de door eiser ervaren impact van zijn klachten op het dagelijks leven, merkt de rechtbank op dat er geen medisch objectieve onderbouwing is voor verdergaande beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren op 1 januari 2021. De verzekeringsarts B&B baseert zich op twee verschillende expertiserapporten waarbij zowel een NPO als een psychiatrisch onderzoek is verricht. Uit beide rapporten volgt dat de door de behandelaren gestelde diagnoses niet kunnen worden geobjectiveerd. Dat de reactie van de neuroloog ook niet tot een ander standpunt leidt kan de rechtbank ook volgen. Zoals de verzekeringsarts B&B in het rapport van 25 juli 2023 aangeeft blijkt hieruit dat de conclusie ‘cognitieve stoornis sinds zeker tien jaar’ is gebaseerd op anamnese; dat de MRI geen duidelijke aanwijzingen geeft voor een neurodegeneratieve afwijking als oorzaak van de cognitieve klachten; dat de analyse van de cognitieve klachten maar deels is verricht en dat er geen zekere uitspraak over de invloed van het functioneren van eiser kan worden gedaan en dat er geen bloedonderzoek is gedaan.
18.
Conclusie
24. Het UWV heeft terecht besloten om de WIA-uitkering van eiser per 5 september 2022 te beëindigen, omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
25. Het beroep van eiser is ongegrond. Dit betekent dat hij geen gelijk krijgt. Omdat eiser in beroep geen gelijk krijgt wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af en worden de door hem gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht niet vergoed.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 13 november 2023 door mr. R.J. van Lochem, rechter, in aanwezigheid van mr. J.G.M. Koning, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is verzonden op
en zal binnen een week na deze datum openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
WGA = Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
ECLI:NL:RBNHO:2020:3271.
ECLI:NL:CRVB:2021:2131.