Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-06-21
ECLI:NL:RBNHO:2023:11122
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Verstek
1,418 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 10437031 \ CV EXPL 23-1620
Uitspraakdatum: 21 juni 2023
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap
Knipping Bouwelementen B.V.
gevestigd te Zwaagdijk
de eisende partij
gemachtigde: LikiFin
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
Procesverloop
1.1.
Bij tussenvonnis van 26 april 2023 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld om toe te lichten waarom artikel 13 lid 5 van de Algemene Voorwaarden Knipping Kozijnen (hierna: de Algemene Voorwaarden) in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend is. Bij akte van 24 mei 2023 heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.
Beoordeling
2.1.
De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Er bestaat geen aanleiding daarop terug te komen.
(Pre)contractuele informatieplichten
2.2.
De eisende partij heeft voldoende toegelicht en onderbouwd dat zij bij het sluiten van de overeenkomst heeft voldaan aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van artikel 6:230l BW.
2.3.
De hoofdsom zal worden toegewezen, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
2.4.
Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente overweegt de kantonrechter als volgt.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.5.
Ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld heeft de eisende partij geen nadere toelichting en onderbouwing gegeven waarom artikel 13 lid 5 van de Algemene Voorwaarden in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend is. De eisende partij heeft zich immers gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.
2.6.
De kantonrechter overweegt als volgt. De bedongen vergoeding als bedoeld in artikel 13 lid 5 van de Algemene Voorwaarden is niet begrensd in omvang en daarmee mogelijk hoger dan de vergoeding conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Bovendien zijn volgens de tekst van het beding de incassokosten al verschuldigd zodra de consument in verzuim is, terwijl de wettekst voorschrijft dat de incassokosten pas ná het verstrijken van de in de veertiendagenbrief genoemde termijn verschuldigd worden. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat artikel 13 lid 5 van de Algemene Voorwaarden daardoor aanzienlijk ten nadele van consumenten afwijkt van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Artikel 13.5 van de Algemene Voorwaarden is bovendien onduidelijk geformuleerd, waardoor het voor consumenten onmogelijk is om te weten waar zij contractueel aan kunnen worden gehouden. Kort samengevat is het beding (artikel 13 lid 5 van Algemene Voorwaarden) oneerlijk ten opzichte van de gedaagde partij en wordt daarom vernietigd. Als gevolg daarvan wordt de gevorderde vergoeding voor de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
2.7.
In artikel 13 lid 5 van de Algemene Voorwaarden is tevens een rente-beding opgenomen. De wettelijke rente voor consumentenovereenkomsten, die in het algemeen eerlijk wordt geacht, is vele malen lager dan de bedongen rente. Een rechtvaardiging voor dit verschil is niet gesteld of gebleken. Door die hoge bedongen rente wordt het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en plichten van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoord. Om die reden is het rentebeding ook oneerlijk en wordt het door de kantonrechter vernietigd. Als gevolg daarvan wordt de gevorderde rentevergoeding afwezen.
2.8.
De overige artikelen in de Algemene Voorwaarden zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
2.9.
De gedaagde partij heeft een bedrag van € 11.500,00 voldaan. Deze deelbetaling strekt, gelet op het bepaalde in artikel 6:44 BW en wat hiervoor is overwogen, in mindering op de toewijsbare hoofdsom. Dit maakt dat een bedrag van € 4.250,00 (€ 15.750,00 - € 11.500,00) zal worden toegewezen.
2.10.
De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 4.250;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
€ 108,75 wegens dagvaardingskosten,
€ 514,00 wegens griffierecht en
€ 264,00 wegens salaris gemachtigde;
3.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter