Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-10-13
ECLI:NL:RBNHO:2023:11049
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
3,679 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
Zittingsplaats Alkmaar
zaaknummer / rolnummer: C/15/343685 / KG ZA 23-468
Vonnis in kort geding van 13 oktober 2023 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [plaats] ,
eiser,
advocaat mr. J.A. Wesdorp te Almere,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. S.G.B.M. Schönhage te Almere.
Partijen zullen hierna de vader en de moeder genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 26 september 2023, met producties 1 tot en met 3;
de brief van 4 oktober 2023, met producties 1 tot en met 3, namens de moeder.
1.2.
De mondelinge behandeling van het kort geding heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2023. Aanwezig waren partijen en hun advocaten.
Feiten
2.1.
Partijen hebben een geregistreerd partnerschap gehad. Dit partnerschap is ontbonden bij beschikking van 6 maart 2018 van de rechtbank Midden-Nederland en ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 26 maart 2018.
Tijdens het partnerschap van partijen zijn drie kinderen geboren, waarvan alleen [de minderjarige] nog minderjarig is (hierna: [de minderjarige] ). [de minderjarige] is geboren op [geboortedatum] te [plaats] . Zij is nu 13 jaar oud.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk belast met de uitoefening van het gezag over [de minderjarige] , die bij haar moeder woont.
2.3.
In 2018 hebben partijen een ouderschapsplan ondertekend. Daarin hebben zij onder meer afgesproken dat:
[de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij haar moeder (artikel 2.1),
[de minderjarige] volgens een tweewekelijks schema op maandag, woensdagmiddag, en zaterdag bij de vader verblijft (artikel 3.1 en bijlage),
bij een voorgenomen verhuizing de ouders vooraf met elkaar in overleg treden (artikel 2.2),
een keuze voor een (type) school door de ouders gezamenlijk wordt gemaakt (artikel 4.1).
2.4.
In december 2022 is de moeder met [de minderjarige] vanuit [plaats] naar [plaats] verhuisd. Zij zijn ingetrokken bij de nieuwe partner van de moeder en zijn kinderen. Sinds de start van het nieuwe schooljaar in 2023 gaat [de minderjarige] naar een middelbare school in [plaats] ( [school] , tweede klas, TL). Sindsdien verblijft [de minderjarige] om het weekend bij haar vader.
De verhuizing en de inschrijving van [de minderjarige] op de nieuwe school hebben plaatsgevonden zonder overleg en zonder toestemming van de vader.
Geschil
3.1.
De vader vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vader vervangende toestemming verleent om [de minderjarige] uit te schrijven van de school in [plaats] en haar in te schrijven op [school] te [plaats] ;
II. (voorwaardelijk, bij afwijzing van de vordering onder I:) een voorlopige zorgregeling vaststelt waarbij [de minderjarige] in een vierwekelijkse cyclus drie weekenden bij de vader en een weekend bij de moeder verblijft.
3.2.
De vader legt aan zijn vordering ten grondslag, kort gezegd, dat de moeder zonder overleg met de vader, en zonder zijn toestemming of de toestemming van de rechter, met [de minderjarige] naar [plaats] is verhuisd en [de minderjarige] op een school in [plaats] heeft ingeschreven, met als gevolg dat [de minderjarige] uit haar vertrouwde omgeving is weggerukt. De vader vindt dit zeer schadelijk voor [de minderjarige] . Nog schadelijker vindt hij dat de moeder [de minderjarige] maandenlang tegen hem heeft laten verzwijgen dat zij is verhuisd. Pas in mei 2023 is de vader per e-mail door de moeder op de hoogte gesteld van de verhuizing. Daarbij verzekerde de moeder hem dat er verder niets zou veranderen voor [de minderjarige] . Daarom heeft de vader besloten om zich bij de verhuizing neer te leggen. In de zomervakantie vernam hij echter dat de moeder [de minderjarige] heeft ingeschreven op een school in [plaats] , waardoor de vader zich genoodzaakt voelde om deze procedure te starten.
3.3.
De moeder voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
spoedeisend belang
4.1.
Op grond van artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient te worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen en de uitkomst van de beoordeling van de voorlopige merites van de zaak. Spoedeisend belang heeft de eisende partij in ieder geval, indien van hem niet kan worden gevergd dat hij of zij een bodemprocedure afwacht.
4.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het gezag over [de minderjarige] door partijen gezamenlijk wordt uitgeoefend. Dit betekent dat partijen belangrijke beslissingen, zoals een verhuizing en een (wijziging van) schoolkeuze, alleen gezamenlijk kunnen nemen en gehouden zijn om voorafgaand aan het nemen van dergelijke beslissingen met elkaar te overleggen. In ieder geval is voor een dergelijke beslissing toestemming van de andere gezaghebbende ouder nodig. Indien die toestemming niet wordt verleend, zal de andere ouder vervangende toestemming moeten verzoeken in een bodemprocedure op de voet van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW). In die procedure zal de rechtbank een zodanige beslissing nemen als haar in het belang van het kind voorkomt, waarbij de belangen van alle betrokkenen in aanmerking zullen worden genomen en tegen elkaar zullen worden afgewogen met inachtneming van de in de rechtspraak ontwikkelde vaste criteria. Aan de orde is de vraag of de vader een dermate spoedeisend belang heeft bij de gevorderde vervangende toestemming dat de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
4.3.
De voorzieningenrechter overweegt daarover als volgt. Vast staat dat [de minderjarige] sinds
de start van het huidige schooljaar in augustus jl. naar een school gaat in [plaats] . Vast staat ook dat de moeder [de minderjarige] op die school heeft ingeschreven zonder het vereiste overleg en akkoord van de vader, en zonder vervangende toestemming van de rechter. Dit terwijl deze beslissing ingrijpend is in het leven van [de minderjarige] . Daarmee is het spoedeisend belang van de vader bij de vordering over de inschrijving van school gegeven. De vordering over de zorgregeling hangt zodanig samen met de schoolgang van [de minderjarige] , dat ook het spoedeisend belang van de vader bij die vordering is gegeven.
vervangende toestemming school
4.4.
De vader vordert dat de voorzieningenrechter vervangende toestemming verleent om [de minderjarige] uit te schrijven van de school in [plaats] en haar weer in te schrijven op haar voormalige school in [plaats] , [school] . Volgens de vader is de eenzijdige beslissing van de moeder om [de minderjarige] in [plaats] naar school te laten gaan, schadelijk voor [de minderjarige] . [de minderjarige] is weggerukt uit haar vertrouwde sociale omgeving in [plaats] , aldus de vader.
De moeder voert verweer. Zij meent juist in het belang van [de minderjarige] te hebben gehandeld door een eind te maken aan de dagelijkse autoritten van [plaats] naar de school in [plaats] . Deze schoolkeuze biedt [de minderjarige] de kans om na schooltijd een sociaal leven op te bouwen in [plaats] , waar zij het erg naar haar zin heeft en al vrienden heeft gemaakt. Volgens de moeder gaat het goed met [de minderjarige] . Al voor de zomervakantie heeft [de minderjarige] zich georiënteerd op scholen in [plaats] . Het leek erop dat zij dit jaar nog niet terecht kon op de school van haar keuze, maar vlak voor de zomervakantie ontving [de minderjarige] bericht dat zij na de zomervakantie daar alsnog terecht kon. Omdat er haast bij was en vader met vakantie was, heeft de moeder [de minderjarige] toen ingeschreven.
4.5.
De voorzieningenrechter dient te beoordelen of het belang van [de minderjarige] vergt dat zij nu terugkeert naar haar voormalige school in [plaats] , zoals vader vordert. De aard en het voorlopige karakter van deze procedure maken dat dit een terughoudende beoordeling betreft, waarbij geen plaats is voor uitgebreid onderzoek. Dit in tegenstelling tot een procedure op grond van artikel 1:253a BW, waarbij de belangen van alle betrokkenen in aanmerking zullen worden genomen en tegen elkaar zullen worden afgewogen met inachtneming van de in de rechtspraak ontwikkelde criteria.
4.6.
Bij deze beoordeling neemt de voorzieningenrechter tot uitgangspunt dat [de minderjarige] in [plaats] woont en daar voorlopig zal blijven wonen. De vader vordert immers geen terugverhuizing van [de minderjarige] naar [plaats] en tijdens de zitting heeft de vader verklaard dat hij ook (nog) geen bodemprocedure tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem is gestart. De vader is er nog niet over uit of hij dat in het belang van [de minderjarige] wenselijk vindt. Gelet op voornoemd uitgangspunt zou terugkeer van [de minderjarige] naar haar school in [plaats] tot gevolg hebben dat zij doordeweeks dagelijks op en neer moet reizen van [plaats] naar [plaats] (met de auto een uur rijden enkele reis, buiten de spits). De voorzieningenrechter acht dit te belastend voor [de minderjarige] en daarom niet in haar belang. Passend bij de leeftijd en ontwikkeling van [de minderjarige] is dat zij energie en ruimte krijgt om na schooltijd haar huiswerk te maken en aandacht te besteden aan de sociale contacten in haar directe leefomgeving, en aan haar sport/hobby’s. Dit laat onverlet dat de voorzieningenrechter met de vader constateert dat de moeder in strijd met de wet én de afspraken in het ouderschapsplan heeft gehandeld door [de minderjarige] zonder voorafgaand overleg met de vader, zonder zijn toestemming dan wel met vervangende toestemming van de rechter, in te schrijven op deze school in [plaats] . Hetzelfde geldt voor de weigering van de moeder om de vader, ondanks zijn verzoek daartoe, op de hoogte te stellen van de naam van de school (pas tijdens de zitting heeft de vader vernomen naar welke school [de minderjarige] nu gaat). Deze handelwijze is - ongeacht de beweegredenen van de moeder - kwalijk, maar leidt niet tot een ander oordeel wat betreft het belang van [de minderjarige] op dit moment. Daarom wijst de voorzieningenrechter de vordering van de vader onder I af.
4.7.
Gelet op deze afwijzing komt de voorzieningenrechter toe aan beoordeling van de voorwaardelijke vordering van de vader tot vaststelling van een voorlopige zorgregeling.
voorlopige zorgregeling
4.8.
De vader vordert een zorgregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] in een cyclus van vier weken drie van de vier weekenden bij hem verblijft. De moeder vindt dit te veel; zij wil dat [de minderjarige] de gelegenheid heeft om in het weekend tijd met vrienden in [plaats] door te brengen en een bijbaantje te hebben.
4.9.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Gebleken is dat [de minderjarige] , sinds zij naar school gaat in [plaats] , feitelijk om het weekend bij haar vader verblijft. De voorzieningenrechter acht het in het belang van [de minderjarige] om deze gang van zaken voorlopig te continueren. Dit geeft [de minderjarige] de gelegenheid om in haar vrije tijd enerzijds invulling te geven aan haar huidige (sociale) leven in [plaats] , en anderzijds haar vader (en familie) en haar oude vrienden in [plaats] te blijven zien. Wanneer [de minderjarige] drie van de vier weekenden bij haar vader zou verblijven, kan een dergelijke balans onvoldoende worden bereikt.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vordering van de vader om vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] uit te schrijven van de school in [plaats] en haar in te schrijven op [school] te [plaats] , af,
5.2.
stelt een voorlopige zorgregeling vast waarbij [de minderjarige] om het weekend bij de vader verblijft vanaf vrijdag na school tot zondag na het avondeten,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. van Diepen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier A.M. Bergen op 13 oktober 2023.
Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat. Omdat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.