Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-10-02
ECLI:NL:RBNHO:2023:10530
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,244 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknummer : 10594854 \ WM VERZ 23-409
CJIB-nummer : 246242215
Uitspraakdatum : 2 oktober 2023
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van
[betrokkene]
(hierna te noemen: betrokkene).
Het verloop van de procedure
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 19 september 2023. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.
Overwegingen
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: stilstaan op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken).
Betrokkene stelt in zijn beroepschrift dat er ter plaatse geen sprake is van een trottoir, maar duidelijk sprake is van een parkeerhaven. Betrokkene stelt aan de hand van meegezonden foto’s van de situatie, dat het trottoir en de trottoirband afbuigt en ter plaatse eindigt. Er is ook geen verhoogde rijbaanafscheiding meer aanwezig, maar enkel een uitsparing met betonplaten. Dit is de inrichting van een parkeerhaven, aldus betrokkene.
Beoordeeld moet worden of de locatie waar het voertuig van betrokkene stond, moet worden aangemerkt als een trottoir. Het RVV 1990 bevat geen definitie of omschrijving van het begrip “trottoir”. Bij het bepalen of een weggedeelte als trottoir moet worden aangemerkt, moet daarom worden uitgegaan van hoe het weggedeelte zich voor de gemiddelde weggebruiker voordoet. Naar het oordeel van de kantonrechter is het van betonplaten voorziene weggedeelte waarop het voertuig van betrokkene stond naar de uiterlijke verschijningsvorm niet bestemd om uitsluitend door voetgangers te worden gebruikt en kan dit dus niet worden aangemerkt als trottoir. Daarbij is van belang dat uit de foto’s in het dossier blijkt dat in het verlengde van de betonplaten aan één kant een trottoir ligt dat door een schuine opstaande stoeprand duidelijk wordt afgescheiden van de betonplaten en dat tussen de betonplaten een de naastgelegen weg geen hoogteverschil bestaat of afscheiding of stoeprand ligt. Dat betekent dat geen sprake is van een trottoir en de gedraging niet is begaan. De beslissing van de officier van justitie en het besluit waarbij de boete is opgelegd, moeten daarom worden vernietigd en het beroep is gegrond.
Betrokkene heeft een ‘Formulier dwangsom’ toegestuurd, waarmee kennelijk is bedoeld om toekenning van een dwangsom te vragen voor de procedure bij de kantonrechter. De wettelijke regeling van de dwangsom is echter niet van toepassing op de procedure en het beroep bij de kantonrechter. Er kan daarom geen vaststelling van een dwangsom plaatsvinden. Overigens is ook de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak bij de kantonrechter niet overschreden, omdat er uitspraak wordt gedaan binnen twee jaar na de gedraging waarvoor de boete is opgelegd. Ook de officier van justitie heeft binnen de wettelijke termijn van 16 weken beslist.
De uitspraak
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de
boete is opgelegd;
‒ bepaalt dat de officier van justitie het bedrag dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: