Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-06-30
ECLI:NL:RBNHO:2023:10386
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,522 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknummer : 10461539 \ WM VERZ 23-287
CJIB-nummer : 251339393
Uitspraakdatum : 30 juni 2023
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van
[betrokkene]
(hierna te noemen: betrokkene).
1Het verloop van de procedure
1.1.
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De zaak is behandeld op de zitting van 20 juni 2023. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.
Overwegingen
2.1.
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden.
2.2.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd.
Informatieplicht
2.3.
Betrokkene voert aan dat hij in de beroepsfase van de officier van justitie meerdere malen heeft verzocht om het dossier, maar deze, in strijd met artikel 7:18 Awb pas heeft ontvangen bij de beslissing van de officier van justitie en daarom niet eerder een op de zaak gericht bezwaar heeft kunnen voeren.
2.4.
De betrokkene heeft de officier van justitie tweemaal om het verstrekken van het “volledige dossier” gevraagd. De betrokkene kan niet anders hebben bedoeld dan “de op de zaak betrekking hebbende stukken” als bedoeld in 7:18, vierde lid, Awb. Het gaat daarbij om stukken die nodig zijn om een boete op basis daarvan aan te vechten. In onderhavige zaak volgt dat de officier van justitie bij de beoordeling van het administratief beroep kennis had en gebruik heeft gemaakt van in ieder geval de foto van de gedraging. Gelet hierop diende de officier van justitie ten minste de foto van de gedraging aan betrokkene te verstrekken alvorens te beslissen om het beroep. De officier van justitie heeft niet gehandeld in overeenstemming met 7:18, vierde lid, Awb. Dat betekent dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond is en dat die beslissing moet worden vernietigd.
2.5.
Nu de beslissing van de officier van justitie wordt vernietigd, moet de kantonrechter beoordelen of de boete terecht is opgelegd.
Mobiel elektronisch apparaat vasthouden
2.6.
Betrokkene stelt dat zijn telefoon gewoon in de houder zat, zoals op de foto van de gedraging te zien en dat hij een cool-pack tegen zijn kaak hield omdat hij een dikke kaak had.
2.7.
In de toelichting van het zaakoverzicht verklaart de verbalisant onder andere het volgende: “…Ik, verbalisant, zag met een camerasysteem op basis van twee beelden met een tussentijd van 0,125 seconden dat de bestuurder van een voertuig tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vasthield. Ik heb daarbij duidelijk en onbelemmerd in het voertuig kunnen kijken. Doordat de overtreding met een camerasysteem is geconstateerd bestond er geen mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder. Daarom is er op kenteken bekeurd…”.
2.8.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden – met name uit de specifieke verklaring van de verbalisant en de foto van de gedraging – voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Dat betrokkene een cool-pack vasthoudt blijkt naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende uit de foto. Betrokkene heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant.
2.9.
Het beroep tegen de beschikking waarbij de boete is opgelegd, wordt daarom ongegrond verklaard.
De uitspraak
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
‒ verklaart het beroep tegen de beschikking waarbij de boete is opgelegd ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending:
Vgl. de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 september 2021, te vinden op www.rechtspraak.nl met zoekterm ECLI:NL:GHARL:2021:8519.