Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2022-10-26
ECLI:NL:RBNHO:2022:9510
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,964 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/330538 / HA ZA 22-468
Vonnis in incident van 26 oktober 2022
in de zaak van
1
[eiser 1],
wonende te [plaats 1],
2. [eiser 2],
wonende te [plaats 2],
3. [eiser 3],
wonende te [plaats 2],
eisers in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat mr. M.A.J. Brouwers te Oirschot,
tegen
1
[gedaagde 1],
2. [gedaagde 2],
beiden wonende te [plaats 3], België,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat mr. E.R. Butin Bik te Klundert.
Partijen zullen hierna [eiser 1] c.s. en [gedaagde 1] c.s. genoemd worden. Partijen afzonderlijk zullen [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3], [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 t/m 6
de incidentele conclusie van eis houdende exceptie van onbevoegdheid met producties 1 t/m 2b
de conclusie van antwoord in incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
Geschil
2.1.
In de hoofdzaak vorderen [eiser 1] c.s. onder meer (terug)betaling van uitgeleende gelden uit hoofde van met [gedaagde 2] gesloten geldleningsovereenkomsten. [eiser 1] c.s. betogen dat [gedaagde 1] c.s. paulianeus hebben gehandeld waardoor [eiser 1] c.s. als schuldeisers van [gedaagde 2] zijn benadeeld. [eiser 1] c.s. stellen dat [gedaagde 2] de verkoopopbrengst van een hotel in Portugal niet voor aflossing van de geldleningen heeft aangewend, maar gebruikt heeft om [gedaagde 1] te laten ontslaan (als borg) uit haar aansprakelijkheid voor een tussen [gedaagde 2] en kredietverstrekker Qredits gesloten geldleningsovereenkomst. [eiser 1] c.s. hebben daarom deze rechtshandeling buitengerechtelijk vernietigd primair op grond van artikel 3:45 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en subsidiair op grond van artikel 3:45 lid 2 BW.
Geschil
3.1.
[gedaagde 1] c.s. vorderen dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. [gedaagde 1] c.s. leggen hieraan ten grondslag dat zij in België wonen zodat de Belgische rechtbank bevoegd is op grond van de algemene regel, welke inhoudt dat de rechtbank van de woonplaats van gedaagden bevoegd is. Volgens [gedaagde 1] c.s. wordt dit nog versterkt door verdere aanknopingspunten met de Belgische rechtssfeer.
3.2.
Van [eiser 1] c.s. voeren verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
In de hoofdzaak stellen [eiser 1] c.s. een actio pauliana (buiten faillissement) in. Daarmee kan een schuldeiser een onverplichte rechtshandeling van zijn schuldenaar die hem in zijn verhaalsmogelijkheden heeft benadeeld, proberen aan te tasten.
In het Feniks-arrest (ECLI:EU:C:2018:805) heeft het Europese Hof van Justitie bepaald in welke lidstaat partijen een vraagstuk over de actio pauliana kunnen voorleggen. Uit dit arrest volgt dat de actio pauliana onder de regel van internationale bevoegdheid van artikel 7, punt 1, onder a), van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis) valt, waarbij het contractuele karakter van de rechtsverhouding tussen schuldeiser en schuldenaar bepalend is om de bevoegdheid te bepalen en niet het juridische karakter van de benadelende rechtshandeling. Dit betekent dat de schuldeiser zelf mag kiezen om het geschil voor te leggen aan de rechter in de lidstaat waar de overeenkomst met de schuldenaar is of moet worden uitgevoerd, of in de lidstaat van de verweerder.
4.2.
In deze zaak gaat het om een vordering tot (terug) betaling uit hoofde van geldleningsovereenkomsten, waarbij de kenmerkende prestatie bestaat uit het ter beschikking stellen van geleende bedragen. [eiser 1] c.s. waren ten tijde van het aangaan van de geldleningsovereenkomsten allen woonachtig in Nederland en de geldleningsovereenkomst is (onbetwist) in Nederland ten uitvoer gelegd. Ook de verbintenis tot terugbetaling van de geldleningen dient in Nederland te worden uitgevoerd.
4.3.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van de zaak kennis te nemen. Dat de rechtbank zich eerder in het kader van een verzoek tot een dwangakkoord onbevoegd heeft verklaard, omdat het centrum van voornaamste belangen van [gedaagde 2] niet in Nederland, maar in België ligt, maakt dit niet anders. Het gaat in deze immers niet om een insolventievordering, maar om een vordering buiten faillissement, waarbij voor de bepaling van de bevoegdheid het centrum van belangen geen enkele rol speelt. De rechtbank zal de incidentele vordering daarom afwijzen.
4.4.
[gedaagde 1] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.
Beoordeling
5.1.
[gedaagde 1] c.s. hebben een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen, maar nog niet geantwoord in de hoofdzaak. [eiser 1] c.s. stellen dat nu [gedaagde 1] c.s. hebben nagelaten hun verweren in de hoofdzaak naar voren te brengen, zij op grond van artikel 128 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) niet nogmaals de mogelijkheid dienen te krijgen om een conclusie van antwoord in de hoofdzaak te nemen. Dit betoog faalt.
5.2.
Op grond van artikel 128 lid 3 Rv moeten gedaagden alle excepties en hun antwoord ten principale tegelijk naar voren brengen, op straffe van verval van de niet aangevoerde excepties en, indien niet ten principale is geantwoord, van het recht om dat alsnog te doen. De exceptie van (internationale, absolute, relatieve en arbitrale) onbevoegdheid kan echter (ook) afzonderlijk, dat wil zeggen voorafgaand aan de conclusie van antwoord in de hoofdzaak, bij incidentele conclusie worden opgeworpen (zie Tekst en Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering bij artikel 128 lid 3 Rv). De regel van artikel 128 lid 3 Rv strekt er vooral toe te voorkomen dat excepties worden opgeworpen nadat voor antwoord is geconcludeerd en inhoudelijk over het geschil is gedebatteerd.
Door [gedaagde 1] c.s. is tijdig, zoals te doen gebruikelijk, voor het nemen van de conclusie van antwoord het onbevoegdheidsincident ingesteld. Dit brengt dan ook niet, zoals door [eiser 1] c.s. is aangevoerd, met zich dat [gedaagde 1] c.s., door dit incident op te werpen, geen verweer in de hoofdzaak ten gronde meer kunnen voeren. [gedaagde 1] c.s. zullen daarom alsnog in de gelegenheid worden gesteld om in de hoofdzaak een conclusie van antwoord te nemen op de in de beslissing vermelde rolzitting.
Dictum
De rechtbank
in het incident
6.1.
wijst het gevorderde af,
6.2.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser 1] c.s. tot op heden begroot op € 563,00,
in de hoofdzaak
6.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 december 2022 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Pott Hofstede en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2022.
type: 1589
coll: