Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2022-05-04
ECLI:NL:RBNHO:2022:4973
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
1,708 tokens
Inleiding
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/3998
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 4 mei 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , woonachtig te [woonplaats] , eiser,
en
de ontvanger van de Gemeente Den Helder, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 15 juli 2021 op het bezwaar van eiser tegen de invorderingskosten van de voor het jaar 2021 opgelegde aanslag gemeentelijke belastingen.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2022. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordiger door [naam] . Eiser is, zonder bericht aan de rechtbank, niet verschenen. De rechtbank heeft ter zitting onderzocht of eiser behoorlijk is uitgenodigd voor de zitting, zodat het onderzoek kan worden voltooid. De griffier heeft eiser bij aangetekende brief, verzonden op 11 april 2022 en gericht aan het in het beroepschrift vermelde adres, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Deze brief is op 27 april 2022 retour gezonden aan de rechtbank. Op 25 april heeft de rechtbank de aangetekende brief ter kennisneming per gewone post aan het door eiser in zijn beroepschrift opgegeven adres verzonden.
Overwegingen
1. Met dagtekening 26 februari 2021 is aan eiser een aanslag gemeentelijke belastingen 2021 (de aanslag) opgelegd ten bedrage van € 708,96. De uiterste betaaldatum is 30 april 2021.
2. Wegens het uitblijven van betaling door eiser heeft verweerder op 29 mei 2021 een aanmaning verzonden. In de aanmaning staat vermeld dat eiser alsnog uiterlijk binnen 14 dagen na dagtekening de aanslag dient te betalen. Verweerder heeft daarbij een bedrag van € 17 aan aanmaningskosten in rekening gebracht. Eiser heeft niet gereageerd.
3. Verweerder heeft aan eiser op 3 juli 2021 een dwangbevel verzonden en daarbij € 100 aan kosten in rekening gebracht.
4. Eiser heeft op 6 juli 2021 bezwaar gemaakt tegen de bij het dwangbevel in rekening gebrachte invorderingskosten. Bij uitspraak op bezwaar van 15 juli 2021 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
5. Tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoort een verzendrapport van verweerder waaruit blijkt dat de aanmaning per post naar het woonadres van eiser ( [woonadres] ) is gestuurd.
6. Eiser heeft beroep ingesteld. In geschil is of de dwangbevelkosten terecht in rekening zijn bracht.
7. Op grond van artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet geschieden de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990 (IW) en de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kostenwet) als waren die belastingen rijksbelastingen.
8. Op grond van 12, eerste lid, van de IW kan de invordering van de belastingaanslag geschieden bij een door de Ontvanger uit te vaardigen dwangbevel. Op grond van het tweede lid van dit artikel kunnen bij het dwangbevel tevens de kosten van het dwangbevel worden ingevorderd. Voor het betekenen van een dwangbevel met bevel tot betaling is € 44 verschuldigd verhoogd met € 4 van elk geheel van € 45 waarmee de gevorderde som € 45 te boven gaat, met dien verstande dat niet meer verschuldigd is dan € 13.108 (artikel 3, eerste lid, van de Kostenwet (tekst 2021)).
9. Ten aanzien van de stelling van eiser dat hij het dwangbevel niet heeft ontvangen, overweegt de rechtbank als volgt. In beginsel is het aan de Ontvanger om aannemelijk te maken dat het dwangbevel op het adres van de belastingschuldige is ontvangen of aangeboden, dan wel dat het dwangbevel de belastingschuldige anderszins heeft bereikt. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst of aanbieding van het dwangbevel op dat adres. Dit brengt mee dat de Ontvanger in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres. Het ligt vervolgens op de weg van de belastingschuldige het vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de belastingschuldige aannemelijk maakt dat de aanmaning niet op zijn adres is ontvangen of aangeboden; voldoende is dat op grond van hetgeen de belastingschuldige aanvoert ontvangst of aanbieding redelijkerwijs moet worden betwijfeld (vgl. Hoge Raad 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416 en Hoge Raad 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9354). Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij werkt met zogeheten bulk runs via een printservicebureau die de post vervolgens aanbiedt aan PostNL. Het printservicebureau voldoet aan de ISO-standaarden en controleert door middel van een gewichtsmeting of de door verweerder aangeboden hoeveelheid post gelijk is aan de door het printservicebureau aan PostNL aangeboden hoeveelheid post. Daarnaast heeft verweerder steekproefsgewijs de desbetreffende bulk run gecontroleerd op niet ontvangen post, maar verweerder is geen gevallen tegengekomen. Uit het door verweerder overgelegde verzendrapport met betrekking tot de aanmaning, de verzending van het dwangbevel naar hetzelfde adres en hetgeen verweerder ter zitting heeft verklaard, kan naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat het dwangbevel naar het woonadres van eiser is verzonden.
10. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,
1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.