Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2022-04-13
ECLI:NL:RBNHO:2022:4349
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,251 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknummer : 9665191 \ WM VERZ 22-97
CJIB-nummer : [nummer]
Uitspraakdatum : 13 april 2022
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van
[betrokkene]
gemachtigde : Verkeersboete.nl (N.G.A. Voorbach)
Het verloop van de procedure
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 18 maart 2022. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. De gemachtigde van betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.
Overwegingen
Geschil
Betrokkene voert in het beroepschrift aan dat de officier van justitie in zijn beslissing de proceskosten onjuist heeft vastgesteld. De officier van justitie heeft een bedrag van € 400,50 toegekend. Er is ten onrecht een half punt toegekend voor de telefonische hoorzitting.
De gemachtigde van betrokkene betoogt dat de officier van justitie bij de vergoeding van de proceskosten ten onrechte een half punt heeft toegekend voor het telefonisch horen, omdat de officier van justitie heeft geweigerd om in stemmen met een fysieke hoorzitting. Dat betoog kan niet slagen. De kantonrechter stelt vast dat in dit geval in administratief beroep feitelijk een telefonische hoorzitting heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat daarvoor terecht een half punt is toegekend, gelet op inmiddels vaste rechtspraak (zie de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7004 en de uitspraak van 17 januari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:280). Het beroep is dus ongegrond.
Op zichzelf stelt de gemachtigde van betrokkene terecht dat de officier van justitie fysiek had moeten horen. Het is ook vaste rechtspraak dat telefonisch horen niet tot de mogelijkheden behoort, als de gemachtigde van betrokkene expliciet om een fysieke hoorzitting heeft verzocht, zoals hier het geval is (zie de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4789 en de uitspraak van 25 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1844).
Maar de omstandigheid dat de officier van justitie niet fysiek heeft gehoord, kan in dit geval niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden. Het beroep van betrokkene tegen de boete is door de officier van justitie al gegrond verklaard en de beschikking waarbij die boete is opgelegd, is al vernietigd. Betrokkene kan met het beroep bij de kantonrechter dus geen ander of beter resultaat bereiken. Fysiek horen had ook niet tot een ander resultaat geleid dan betrokkene al heeft bereikt. Het beroep bij de kantonrechter kan er ook niet toe leiden dat een hogere proceskostenvergoeding wordt toegekend voor het administratieve beroep dan de officier van justitie heeft gedaan, zoals hiervoor is overwogen. Betrokkene heeft dus geen belang bij de beoordeling van de beroepsgrond dat de officier van justitie fysiek had moeten horen. Het enkel verkrijgen van een proceskostenveroordeling voor het beroep bij de kantonrechter kan op zichzelf geen voldoende belang opleveren.
Er is geen reden voor toekenning van een proceskostenvergoeding, omdat het beroep ongegrond is.
De uitspraak
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep tegen de proceskostenvergoeding van de officier van justitie ongegrond;
‒ wijst het verzoek op vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Slijkhuis, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 70,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: