Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2022-03-23
ECLI:NL:RBNHO:2022:2410
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,327 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/4274
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2022 in de zaak tussen
Vereniging van Eigenaren Pieter Kiesstraat 40 te Haarlem, uit Spaarndam, eiseres
(gemachtigde: [naam] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, Middelen & Services, verweerder
(gemachtigde: R. de Vries).
Procesverloop
In het besluit van 24 februari 2021 (primair besluit) heeft verweerder geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het legaliseren van de vervanging van drie kozijnen in de voorgevels op de eerste verdieping van het perceel Pieter Kiesstraat 40A in Haarlem.
In het besluit van 19 augustus 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 31 januari 2022 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1.1
Op 5 december 2020 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het legaliseren van de vervanging van drie kozijnen aan de voorgevel van het perceel Pieter Kiesstraat 40A in Haarlem.
1.2
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Garenkokerskwartier’. Op het perceel rust de bestemming ‘Gemengd – 2’. Het pand waarop de aanvraag betrekking heeft, is in het bestemmingsplan aangewezen als ‘orde-2 pand’. Het vervangen van de kozijnen is in strijd met artikel 20.1.1. onder i van de planregels, omdat het bouwplan tot verandering leidt van de indeling van de voorgevel.
1.3
In het besluit van 24 februari 2021 (primair besluit) heeft verweerder geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Verweerder verwijst daarbij naar een advies van de architectuurhistoricus van de afdeling Omgevingsbeleid, team Stedenbouw en Planologie. De architectuurhistoricus heeft negatief geadviseerd op de aanvraag en concludeert dat het vervangen van de kozijnen geen verbetering of herstel is van de voorgevel. De gekozen hoogte van het kalf, de roedeverdeling, de detaillering en materialisatie doet afbreuk aan het beeldbepalende pand. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.4
De bezwaaradviescommissie heeft voor de hoorzitting om een nadere motivering gevraagd van het advies van de architectuurhistoricus. Op 19 april 2021 heeft de architectuurhistoricus een aanvullend advies overgelegd. Na de hoorzitting heeft de bezwaaradviescommissie nogmaals om een aanvullend advies verzocht. Op 28 juni 2021 heeft de architectuurhistoricus een aanvullend advies overgelegd. Eiseres heeft op 8 juli 2021 gereageerd op dit nader advies.
2. In het besluit van 19 augustus 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen de adviezen van de afdeling Omgevingsbeleid, team Stedenbouw en Planologie en de cultuurhistoricus van 19 april 2021 en 28 juni 2021 ten grondslag.
3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage
4. De rechtbank stelt voorop, dat in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, Wabo aan verweerder een bevoegdheid tot vergunningverlening is toegekend. Dat betekent dat een beslissing tot toepassing van die bevoegdheid in rechte slechts terughoudend kan worden getoetst. Weliswaar is de toepassing in de onder artikel 2.12 Wabo genoemde situatie afhankelijk van eisen van een goede ruimtelijke ordening, maar ook bij de beoordeling of daarvan sprake is, komt aan verweerder een zekere beoordelingsruimte toe.
5. De rechtbank stelt vast dat de indeling van de ramen door de jaren heen is gewijzigd en onderscheidt daarbij drie situaties. In de laatst vergunde situatie in 1930 was de voorgevel voorzien van drie T-schuiframen. In de bestaande situatie is waarschijnlijk in de jaren zeventig de indeling van de ramen gewijzigd in twee vensters van vijf delen en één venster met twee delen. De bovenlichten van deze vensters zijn voorzien van glas-in-lood ramen. In de nieuwe situatie heeft eiseres in oktober 2020 kunststof kozijnen geplaatst, waarbij de glas-in-lood ramen zijn vervangen. De nieuwe kozijnen hebben een groter bovenlicht en een kleiner onderraam. De schuiframen zijn vervangen door draairamen. Niet in geschil is dat het pand een orde 2 bouwwerk is.
Gronden
6.1
Eiseres voert aan dat verweerder het bestreden besluit niet had mogen baseren op een onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd advies van een vooringenomen en anonieme interne deskundige. Er is sprake van een ongelijk speelveld omdat eiseres wordt tegengeworpen dat zij geen tegenadvies heeft overgelegd. Voorts voert zij aan dat de beschrijving in de redengevende omschrijving op basis waarvan het pand een orde-2 status heeft gekregen, niet overeen komt met de laatst vergunde situatie uit 1930 en ook niet met bestaande situatie uit de jaren zeventig. In 1930 was sprake van drie gelijke T vensters, terwijl in de bestaande situatie sprake was van twee vensters van vijf delen en een venster met twee delen. Aan de linkerhelft was geen sprake van originele schuiframen. De glas-in-lood ramen zijn samen met de verschillende vensters geplaatst en behoren niet tot de originele laatst vergunde situatie in 1930. Deze glas-in-lood ramen worden niet genoemd in het cultuurhistorisch onderzoek en de redengevende omschrijving. Voorts kan geen sprake zijn van bevriezing van het gevelbeeld op het moment van opname in 2015, omdat na 2015 geen veranderingen hebben plaatsgevonden aan de bestaande situatie totdat eiseres eind 2020 de kozijnen heeft vervangen. Verder voert eiseres aan dat zij juist een verbetering heeft aangebracht aan het gevelbeeld in vergelijking met de onvergunde rommelige situatie uit de jaren zeventig. Er is sprake van herstel van de cultuurhistorische waarde omdat de symmetrie uit 1930 is teruggebracht. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat het €15.000,- gaat kosten om de kozijnen opnieuw te vervangen.
6.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat kan worden uitgegaan van de redengevende omschrijving en de deskundigenadviezen van de architectuurhistoricus. Dat de redengevende omschrijving op onderdelen onjuist is, betekent niet dat niet kan worden uitgegaan van de redengevende beschrijving van het pand. Een redengevende omschrijving betekent niet dat het gevelbeeld wordt bevroren. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de verandering van de gevel niet kan worden aangemerkt als herstel of verbetering van de cultuurhistorische waarde en verwijst daarbij naar de adviezen van de cultuurhistoricus. De kozijnen wijken wat betreft indeling, materiaalgebruik en detaillering dermate af van de oorspronkelijke situatie, zodat ze een aantasting vormen van het beeldbepalende pand. Aangezien de houten kozijnen en schuiframen specifiek worden genoemd in de redengevende omschrijving en het pand tevens wordt aangeduid als een beeldbepalend en toonaangevend onderdeel van het straatbeeld, kent verweerder een zwaarwegend belang toe aan het in stand houden van de kozijnen en schuiframen.
6.3
Indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, mag dat bestuursorgaan bij het nemen van een besluit van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.Hetgeen eiseres heeft gesteld over de vooringenomenheid van de architectuurhistoricus en de toonzetting van het advies, leidt niet tot het oordeel dat het advies reeds daarom niet voldoet aan de hierboven gestelde eisen in de jurisprudentie. De rechtbank ziet geen reden om aan de objectiviteit en onpartijdigheid van de architectuurhistoricus te twijfelen.
6.4
In het nader advies van 28 juni 2021 stelt de architectuurhistoricus dat ‘Het uitgangspunt bij de beoordeling in principe de situatie op het moment van de beschrijving is. Maar dat betekent niet dat dat gevelbeeld als het ware bevroren wordt. Het kan bijvoorbeeld zijn dat een pand een niet oorspronkelijke en niet passende winkelpui heeft. Dan is handhaven van dat beeld niet het streven. Verbetering van deze situatie door een passende pui is dan een goede ontwikkeling.’ Voorts geeft de cultuurhistoricus aan dat ‘de redengevende omschrijving in het bestemmingsplan geen uitputtende en complete beschrijving is van het beschermde orde-2 pand, maar in hoofdlijnen aangeeft waarom het pand is aangewezen als beeldbepalend pand’.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van mr. L. van Broekhoven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Bijlage
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a.het bouwen van een bouwwerk,
(…)
c.het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a.indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
(…)
Bestemmingsplan Garenkokerskwartier
1.58
Orde 2 bouwwerken:
orde 2 betreft bouwwerken ouder dan 50 jaar die op grond van hun architectonische kwaliteit, op grond van hun plaats in de stedenbouwkundige structuur of als toonaangevend element behoudenswaardig zijn.
Artikel 5 Gemengd - 2
(…)
5.2
Bouwregels
Binnen de bestemming 'Gemengd - 2' gelden de bouwregels zoals aangegeven in artikel 20.
Artikel 20 Algemene bouwregels
Voor het bouwen op de gronden van de in de daartoe aangegeven bestemmingen gelden de volgende regels naast de in de bestemming genoemde specifieke bouwregels.
20.1
Bouwregels
Gebouwen
(…)
I. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - orde 2' dient de bestaande indeling van gevels, voor zover gekeerd naar openbaar toegankelijk gebied, gehandhaafd te blijven, tenzij gebouwd wordt overeenkomstig een op de verbeelding aangeduide trend of maatvoeringsaanduiding.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:82.
Uitspraak van de Afdeling van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2398
Uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:343