Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2022-12-20
ECLI:NL:RBNHO:2022:11546
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,763 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/112856-18 (P)
Uitspraakdatum: 20 december 2022
Tegenspraak
Vonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 december 2022 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.J. Booij en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B.J. de Groot, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 27 maart 2017 te Heerhugowaard aan [benadeelde] (zijn echtgenote) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken vinger, heeft toegebracht door met (veel) kracht in de vinger van die [benadeelde] te bijten;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 maart 2017 te Heerhugowaard zijn echtgenote, [benadeelde],
heeft mishandeld door met (veel) kracht in de vinger van die [benadeelde] te bijten.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, omdat geen waarde kan worden gehecht aan de verklaringen van aangeefster [benadeelde] en haar broer [getuige] en het dossier ook overigens te veel “losse eindjes” bevat.
3.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen nu het tot vrijspraak strekkende verweer zijn weerlegging vindt in de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van de verdachte die erop neerkomt dat hij heel hard in de vinger van aangeefster heeft gebeten. Uit de medische gegevens van aangeefster is gebleken dat haar pink gebroken was, dat meermalen operatief ingrijpen noodzakelijk was en dat sprake is van blijvend functieverlies. De rechtbank gaat op grond hiervan uit van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 27 maart 2017 te Heerhugowaard aan [benadeelde] (zijn echtgenote) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken vinger, heeft toegebracht door met kracht in de vinger van die [benadeelde] te bijten.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
zware mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot.
5Strafbaarheid van het feit 5.1 Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van noodweer, nu de verklaring van de verdachte dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn lijf waartegen hij zich mocht verdedigen, voldoende steun vindt in het procesdossier en niet onaannemelijk is. Daarom verzoekt de officier van justitie de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
5.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ook bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweer toekomt. Aangeefster en haar broer hebben geprobeerd de verdachte ter verstikken. Zijn reactie op dat geweld was noodzakelijk en passend.
5.3
Oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 41 Sr kan een beroep op noodweer slagen als sprake is geweest van een verdediging van eigen of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De verdediging moet hierbij noodzakelijk (subsidiariteitseis) en geboden (proportionaliteitseis) zijn geweest.
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop het beroep op noodweer steunt – anders dan voor de beslissing over de bewezenverklaring – niet als maatstaf geldt dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg (zie het arrest van de Hoge Raad van 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417).
In het licht van het vorenstaande overweegt de rechtbank het volgende. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn twee mogelijke scenario’s af te leiden ten aanzien van de gebeurtenissen op 27 maart 2017 in de woning van aangeefster en de verdachte. Het eerste scenario wordt geschetst door aangeefster en haar broer, getuige [getuige]. Het tweede scenario wordt geschetst door de verdachte. Deze verklaringen staan voor wat betreft de feiten en omstandigheden waaronder de verdachte aangeefster in haar pink heeft gebeten, haaks op elkaar.
Het scenario van de aangeefster en haar broer houdt in dat de verdachte zonder enige aanleiding de hand van aangeefster heeft gepakt en toen hard op haar pink heeft gebeten. Aangeefster heeft tegenover de politie verklaard dat zij dacht dat de verdachte een toeval kreeg vanwege zijn suikerziekte.
Het scenario van de verdachte houdt in dat de verdachte in de pink van aangeefster heeft gebeten, omdat hij zich moest verweren tegen een poging om hem te verstikken. De verdachte heeft verklaard dat hij op de bank in de woonkamer zat en dat de broer van aangeefster, die op visite was, aan de verdachte vroeg of hij zijn horloge mocht bekijken. De broer van aangeefster heeft op dat moment de handen van de verdachte vastgepakt en heeft eveneens de benen van de verdachte tussen zijn eigen benen geklemd. Aangeefster zou vervolgens achter de verdachte zijn gaan staan en huishoudfolie om zijn mond hebben gewikkeld. De verdachte zou het huishoudfolie weg gekregen hebben, waarna de broer van aangeefster een kussen op zijn hoofd heeft gedrukt. Vervolgens zou aangeefster een plastic zak over het hoofd van de verdachte hebben getrokken. De verdachte voelde op dat moment iets langs zijn mond gaan en heeft toen uit zelfverdediging hard gebeten. Dit bleek de pink van aangeefster te zijn. Daarna zou de verstikkingspoging zijn gestopt. Aangeefster heeft ten slotte de verdachte met een dumbbell op zijn hoofd geslagen en is met haar broer naar de huisartsenpost vertrokken.
Het noodweerscenario van de verdachte vindt zijn onderbouwing in de volgende feiten en omstandigheden.
De verdachte heeft direct na de gebeurtenissen, toen aangeefster en haar broer waren vertrokken naar de huisartsenpost, het alarmnummer 112 gebeld. Tegenover de meldkamer heeft de verdachte verklaard dat zijn echtgenote en haar broer hem hebben proberen te verstikken, dat hij in de vinger van zijn echtgenote heeft gebeten, dat hij tegen zijn hoofd is geslagen met een gewicht en dat hij het plastic dat gebruikt is niet meer terug kan vinden in huis. De verdachte heeft onder meer verklaard over huishoudfolie en een rode plastic tas. De gealarmeerde politieagenten troffen de verdachte wankelend op zijn benen aan, duizelig en misselijk. Ook had hij bloed rondom zijn mond en op zijn overhemd. De verdachte heeft dezelfde dag nog de spoedeisende hulp bezocht, waar een (verse) fractuur aan het jukbeen aan de linkerzijde van zijn hoofd is vastgesteld. Na deze melding zijn verbalisanten naar de huisartsenpost gestuurd om aangeefster en haar broer aan te houden. Deze verbalisanten hebben gezien dat de broer van aangeefster een plastic zak uit zijn jas haalde en het in de vuilnisbak gooide en dieper in de vuilnisbak wegstopte. Het door de verbalisanten aangetroffen plastic betrof onder meer een stuk huishoudfolie en een rode plastic tas van “Kruidvat”. Verder is er in lijn met de verklaring van de verdachte, DNA van de verdachte aangetroffen op het huishoudfolie en aan de binnenzijde van de plastic tas.
Dictum
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Stelt vast dat het bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. Buiskool, voorzitter,
mr. M.E. Allegro en mr. H. Bakker, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Snelder,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 december 2022.
Mr. H. Bakker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.