Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2021-03-16
ECLI:NL:RBNHO:2021:2277
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,334 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./repnr.: 8493494 \ EJ VERZ 20-22
Uitspraakdatum: 16 maart 2021
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
1 [verzoeker sub 1] 2. [verzoeker sub 2]
vennoten van verzoekster sub 3beiden wonende te [woonplaats]3. de vennootschap onder firma [verzoeker sub 3]gevestigd te [plaats]
verzoekers
verder gezamenlijk te noemen: [verzoeker]
gemachtigde: mr. N.M. Slump
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
IJsvogel Retail B.V.
gevestigd te Ede
verweerder
verder te noemen: IJsvogel
gemachtigde: mr. R.A.M. Schram
1Het verdere procesverloop
1.1.
Bij tussenbeschikking van 29 september 2020 heeft de kantonrechter zich bevoegd verklaard kennis te nemen van de verzoeken van [verzoeker] strekkende tot vordering van afschrift van bescheiden ex artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) en tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht ex artikel 202 Rv. Ook heeft de kantonrechter een mondelinge behandeling van de zaak bepaald.
1.2.
Op 19 januari 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Beide partijen hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting hebben beide partijen nog stukken toegezonden, [verzoeker] bij brieven van 7, 14 en 15 januari 2021 en IJsvogel bij (2) brieven van 12 januari 2021.
Feiten
2.1.
Tussen [verzoeker] als franchisenemer en IJsvogel als franchisegever is op 15 mei 2012 een franchiseovereenkomst tot stand gekomen. Op diezelfde dag hebben [verzoeker] als huurder en IJsvogel als verhuurder een huurovereenkomst gesloten ten aanzien van de huur van de winkelruimte aan [adres] . Op basis van deze overeenkomsten drijft [verzoeker] als franchisenemer van IJsvogel een dierenwinkel onder de naam Pets Place.
2.2.
Voorafgaand aan het tekenen van de overeenkomsten is door bureau [naam bureau] (in opdracht van IJsvogel) een vestigingsplaatsanalyse (VPA) gemaakt met een omzetprognose voor de eerste drie jaar. Door [naam] , werkzaam bij Pets Place, is een exploitatiebegroting gemaakt, eveneens voor de eerste drie jaar.
3Het verzoek
3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter:A. IJsvogel te veroordelen om binnen 14 dagen na deze beschikking op grond van artikel 843a Rv afschriften te verstrekken van de onder punt 62 in haar verzoekschrift genoemde bescheiden, althans de door de kantonrechter te formuleren bescheiden, en daarbij te bepalen dat IJsvogel een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 per dag dat zij niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 200.000,00;
B. een voorlopig deskundigenbericht te bevelen met benoeming van de heer [voorgestelde deskundige] te [plaats] , althans een door de kantonrechter nader te bepalen deskundige, en aan de deskundige de vragen voor te leggen als bedoeld in de punten 66 en 67 van zijn verzoekschrift, althans enige andere door de kantonrechter te formuleren vragen en te bepalen dat de deskundige hierover schriftelijk bericht uitbrengt.
3.2.
[verzoeker] legt (samengevat) aan het verzoek onder A ten grondslag dat zij een rechtmatig belang heeft bij een afschrift van de onder 62 in haar verzoekschrift gevraagde informatie/stukken. Volgens [verzoeker] heeft IJsvogel onjuiste gegevens verstrekt op basis waarvan zij de huur- en franchiseovereenkomsten zijn aangegaan en is in zoverre sprake van dwaling dan wel heeft IJsvogel onrechtmatig gehandeld. De voor aanvang van het sluiten van de huur- en franchiseovereenkomst door IJsvogel verstrekte omzetindicaties/prognoses zijn niet bewaarheid. Mede op basis van een op haar verzoek uitgevoerde quickscan door Franchise Support Groep op de door [naam bureau] uitgevoerde VPA (hierna: de quickscan) is er aanleiding om te veronderstellen dat sprake is geweest van ondeugdelijke prognoses. Daarbij twijfelt [verzoeker] eraan of het systeem van Pets Place wel de voordelen in zich heeft die in de considerans van de franchiseovereenkomst worden verondersteld en waarvan zij bij het sluiten van de overeenkomsten uitging. Zo wijkt het exploitatiebeeld van Pets Place negatief af van het landelijk gemiddelde van dierenspeciaalzaken en hanteert IJsvogel voor franchisenemers hogere inkoopprijzen dan voor eigen Pets Place filialen. Als [verzoeker] meer marge en lagere huurlasten had gehad en (fee)kosten had bespaard dan was de exploitatie succesvoller verlopen. In zoverre is volgens [verzoeker] dan ook sprake van schending van de zorgplicht dan wel eveneens onrechtmatig handelen door IJsvogel. Voor het instellen van een vordering in een bodemprocedure zijn volgens [verzoeker] de volgende gronden denkbaar:
a. dwaling en vernietiging van de gesloten huur- en franchiseovereenkomsten dan wel onrechtmatige daad wegens het overhandigen van ondeugdelijke prognoses;
b. onrechtmatige daad wegens misbruik van recht door IJsvogel, namelijk door de prijsstelling van het verplichte assortiment te gebruiken om op termijn verlieslatende franchisewinkels te creëren die zij vervolgens kosteloos kan overnemen, danwel door de gedwongen winkelnering te gebruiken om haar groothandelsmarge kunstmatig hoog te houden en haar eigen filialen te bevoordelen ten opzichte van de franchisenemers;
c. onrechtmatige daad wegens handelen door IJsvogel in strijd met de mededingingswet;
d. toerekenbare tekortkoming door IJsvogel vanwege schending van haar zorgplicht;
e. de ongeoorloofdheid van het concurrentiebeding.
3.3.
[verzoeker] stelt belang te hebben bij het onder B verzochte deskundigenbericht, omdat het oordeel van een deskundige relevant is voor haar (toekomstige) bewijspositie. De deskundige kan de feiten vaststellen die mogelijk een oordeel rechtvaardigen dat IJsvogel ondeugdelijke prognoses aan [verzoeker] ter hand heeft gesteld en/of onrechtmatig heeft gehandeld en/of niet gedegen heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht c.q. het concurrentiebeding vernietigbaar is.
4Het verweer
4.1.
IJsvogel voert verweer tegen de verzoeken. Ten aanzien van het verzoek onder A stelt zij zich onder meer op het standpunt dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 843a Rv. Ten eerste ontbreekt volgens IJsvogel een rechtmatig belang, aangezien door [verzoeker] slechts tendentieuze/suggestieve stellingen worden ingenomen die op geen enkele wijze deugdelijk zijn onderbouwd. Ten tweede wordt door [verzoeker] een zodanig groot aantal bescheiden opgevraagd over een zodanig grote periode dat geen sprake meer is van voldoende concrete en bepaalde bescheiden maar van een fishing expedition. Ten derde heeft het verzoek grotendeels betrekking op bescheiden waarbij [verzoeker] geen partij is. Die bescheiden kunnen niet worden gevorderd/hoeven niet te worden verstrekt. En ten vierde bestaan er gewichtige redenen om de stukken niet te verstrekken, omdat het vertrouwelijke stukken met gegevens/cijfers van derden betreft. Ook indien IJsvogel zou zijn gehouden bepaalde gegevens te verstrekken zijn daarvoor alternatieve mogelijkheden zoals een rapport van een accountant of administratiekantoor waarin de relevante gegevens/cijfers worden benoemd en toegelicht. Los daarvan geldt dat vorderingen gebaseerd op feiten/omstandigheden van meer dan vijf jaar geleden ook reeds zijn verjaard, zodat er ook hierom geen grond bestaat om inzage te verlangen in bescheiden van voor 2015, aldus IJsvogel.
4.2.
Verder verzet IJsvogel zich tegen het verzochte deskundigenbericht, kort gezegd omdat daarvoor geen aanleiding of grond bestaat en de door [verzoeker] geformuleerde vragen niet door een deskundige kunnen worden beantwoord. Ook heeft IJsvogel bezwaar tegen de persoon van de voorgestelde deskundige.
4.3.
Indien het verzoek geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, is IJsvogel voornemens hoger beroep in te stellen. Om die reden verzoekt IJsvogel om de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Beoordeling
het verzoek ex artikel 843a Rv
5.1.
De kantonrechter stelt voorop dat artikel 843a Rv vier cumulatieve voorwaarden verbindt aan de toewijsbaarheid van een vordering tot overlegging van stukken: 1) degene die de vordering instelt, moet daarbij op het moment dat hij de vordering instelt een rechtmatig belang hebben, 2) het moet gaan om bepaalde bescheiden, 3) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is en 4) degene van wie de bescheiden worden gevraagd, moet deze te zijner beschikking of onder zijn berusting hebben. Is aan deze voorwaarden voldaan, dan bestaat desalniettemin geen gehoudenheid tot overlegging van bescheiden indien daarvoor gewichtige redenen bestaan of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Bij de beoordeling van de vraag of de eisende partij een rechtmatig belang heeft, geldt als uitgangspunt dat de enkele stelling dat de wederpartij onrechtmatig heeft gehandeld (of tekortgekomen is in de nakoming van de overeenkomst), en dat hij dat wil bewijzen met de gevraagde stukken, daartoe onvoldoende is. De eisende partij zal voldoende feiten en omstandigheden moeten aanvoeren waaruit het "redelijke vermoeden" blijkt dat sprake is van een onrechtmatige daad (of tekortkoming) (HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304). Daarnaast zal de eisende partij moeten onderbouwen waarom juist de gevraagde stukken relevant zijn voor de onderbouwing van zijn vordering of verweer (zie de conclusie van de AG behorend bij HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:307).
5.2.
Het meest verstrekkende verweer van IJsvogel betreft haar beroep op verjaring ten aanzien van een eventuele vordering op grond van dwaling vanwege feiten of omstandigheden die dateren van meer dan vijf jaar geleden. Indien dit verweer slaagt, blijft de beoordeling van het verzoek beperkt tot de verzochte bescheiden die dateren van ná 2015. IJsvogel heeft in dit verband erkend dat juist lijkt te zijn dat de VPA ondeugdelijk was, maar betoogd dat [verzoeker] hiervan al in 2013 op de hoogte was. Gelet op de verjaringstermijn van vijf jaar voor het instellen van een vordering tot vernietiging van een overeenkomst op grond van dwaling, is deze vordering volgens IJsvogel inmiddels verjaard en bestaat er daarom geen grond om inzage te verlangen in bescheiden van vóór 2015. Partijen zijn ter zitting uitgebreid ingegaan op de vraag op welk moment [verzoeker] bekend was met de fouten in het VPA en zijn het daarover niet eens. Ter onderbouwing van haar stelling dat [verzoeker] bekend was met de ondeugdelijkheid van de VPA heeft IJsvogel zich beroepen op een aantal bescheiden en [verzoeker] heeft de deugdelijkheid daarvan betwist. Naar het oordeel van de kantonrechter staat gelet op het debat hierover niet zonder meer vast dat IJsvogel zich in een eventueel te voeren bodemprocedure met succes zou kunnen beroepen op verjaring. Dit verweer slaagt dan ook niet.
5.3.
De kantonrechter komt daarmee toe aan de beoordeling van de vraag of voor de stukken die [verzoeker] onder randnummer 62 van haar verzoekschrift noemt, ook die van vóór 2015, is voldaan aan de voorwaarden van artikel 843a Rv.
5.4.
[verzoeker] vordert allereerst afgifte van “alle testen tussen 2003 en 2019, zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 van de franchiseovereenkomst.” Volgens [verzoeker] meende IJsvogel uit deze testen de profijtelijke waarde van de (volgens IJsvogel) verbeteringen, verrijkingen en veranderingen van de bestaande know how van haar systeem te kunnen afleiden. [verzoeker] wil kunnen beoordelen of IJsvogel dit ‘aantoonbaar’ kan maken. Die aantoonbaarheid staat als eis genoemd in artikel 14 lid 2 van de franchiseovereenkomst, aldus [verzoeker] Volgens [verzoeker] mag van IJsvogel dan ook contractueel worden verwacht dat zij de profijtelijke waarde van verbeteringen, verrijkingen e.d. aantoont. De kantonrechter wijst dit onderdeel van het verzoek af. Gebleken is dat de genoemde bepaling niet in de franchiseovereenkomst tussen IJsvogel en [verzoeker] is opgenomen, zodat deze niet (mede) kan dienen als grondslag van een jegens IJsvogel in te stellen vordering. Daarmee ontbreekt een rechtmatig belang voor toewijzing van dit onderdeel van het verzoek. Daarbij komt dat IJsvogel c.s. nog heeft aangevoerd dat rapporten van dergelijke testen niet bestaan, zodat ook dit een grond vormt voor afwijzing van dit onderdeel van het verzoek.
5.5.
Voorts heeft [verzoeker] afschrift gevorderd van “alle facturen over de jaren 2013 tot en met 2018 aan Pet’s Place Hoofdkantoor DC die betrekking hadden op een eigen filiaal.” [verzoeker] stelt deze stukken nodig te hebben voor het maken van een vergelijking op productniveau tussen de inkoopprijzen voor de franchisenemers en de eigen filialen. Onder verwijzing naar twee facturen die zij reeds in bezit heeft, heeft [verzoeker] in dit kader betoogd dat aan de franchisenemers hogere prijzen in rekening werden gebracht dan aan de eigen filiaalhouders. De kantonrechter wijst ook dit onderdeel van het verzoek af. [verzoeker] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij een rechtmatig belang heeft bij een afschrift van al deze stukken. Het is de kantonrechter niet duidelijk ten behoeve van welke vordering [verzoeker] de beschikking zou willen krijgen over deze facturen. In de tekst van nummer 62 van het verzoekschrift staat dat verzocht wordt om de in nummer 62 genoemde bescheiden omdat [verzoeker] moet kunnen controleren of IJsvogel heeft voldaan aan de invulling van haar zorgplicht. Gelet daarop zou de grondslag van de in te stellen vordering wanprestatie zijn. In de dikgedrukte tekst die daaraan voorafgaat (boven nummer 60 van het verzoek) staat echter “opgevraagde stukken ter controle van de op Pet’s Place berustende zorgplicht/mogelijk misbruik van recht/verboden koppelverkoop oneerlijke mededinging”. Gelet daarop en op het verzoekschrift en de ter zitting daarop gegeven toelichting overigens begrijpt de kantonrechter dat [verzoeker] meent dat IJsvogel misbruik van recht maakt en daarmee onrechtmatig handelt door eenzijdig de prijzen te bepalen die zij aan haar franchisenemers rekent. Het had op de weg van [verzoeker] gelegen om duidelijk te maken ten aanzien van welke vordering zij een rechtmatig belang meent te hebben bij het verkrijgen van afschriften van deze facturen. [verzoeker] heeft dat nagelaten zodat een dergelijk belang niet is komen vast te staan. Ten aanzien van de door [verzoeker] genoemde twee opties op grond waarvan sprake zou kúnnen zijn van misbruik van recht weegt daarbij bovendien mee dat die enkele suggestie onvoldoende is om een redelijk vermoeden aan te nemen. Bovendien heeft IJsvogel beide opties gemotiveerd betwist en naar aanleiding van de door [verzoeker] overgelegde facturen toegelicht dat het prijsverschil in inkoop tussen franchisenemers en de eigen filialen werd gecompenseerd doordat aan de eigen filialen op andere posten hogere kosten in rekening werden gebracht en dat er daarnaast sinds 2015 geen prijsverschil meer is. Mede gelet daarop heeft [verzoeker] onvoldoende gesteld voor het oordeel dat er een redelijk vermoeden is van misbruik van recht.
5.6.
Verder vordert [verzoeker] afgifte van “alle (desnoods deels geanonimiseerde) jaarverslagen, zoals die op grond van 6.2., sub 1 uit het Formulehandboek 2011 door verweerder zijn ontvangen tussen 2011 en 2019”, “alle (desnoods deels geanonimiseerde) door Pet’s Place ontvangen kwartaalverslagen tussen 2011 en 2019, zoals bedoeld in artikel 6.2 sub 2 van het Formulehandboek 2011”, “het rapport aangaande de jaarlijkse vergelijking tussen de ‘ingestuurde marge’, zoals bedoeld in 6.2 van het Formulehandboek 2011 en de gerealiseerde marge zoals die uit de bovengenoemde jaar- en kwartalenverslagen blijkt”. Deze onderdelen zullen eveneens worden afgewezen. Ook hiervoor geldt dat [verzoeker] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij een rechtmatig belang heeft bij de gevraagde stukken.
Dictum
De kantonrechter:
6.1.
stelt [verzoeker] in de gelegenheid zich uiterlijk op 30 maart 2021 uit te laten over het hiervoor onder 5.13 overwogene, waarna IJsvogel uiterlijk op 13 april 2021 hierop kan reageren;
6.2.
wijst voor het overige de verzoeken van [verzoeker] strekkende tot afschrift van bescheiden ex artikel 843a Rv en tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht ex artikel 202 Rv af;
6.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. Kruithof, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Beoordeling
Nog los van de vraag of voldaan is aan het vereiste dat het moet gaan om stukken aangaande een rechtsbetrekking waarin [verzoeker] partij is, valt niet in te zien hoe uit de jaar- en kwartaalverslagen van andere franchisenemers kan worden afgeleid dat IJsvogel jegens [verzoeker] onrechtmatig heeft gehandeld danwel wanprestatie heeft gepleegd. [verzoeker] heeft haar verzoek op dit punt niet geconcretiseerd. Dat geldt ook ten aanzien van het gevraagde rapport aangaande de jaarlijkse vergelijking tussen de ingestuurde en gerealiseerde marge. Daarover heeft IJsvogel bovendien nog aangevoerd dat dergelijke rapporten niet bestaan. Ook op die grond dient dat onderdeel te worden afgewezen.
5.7.
Tevens vordert [verzoeker] afgifte van “rapportages waaruit is af te leiden op welke wijze (via welke mogelijkheden) verweerder zich heeft ingespannen om ‘gedegen’ te voldoen aan de op haar berustende zorgplicht” en “rapportages uit het verplichte centrale kassasysteem om het verloop van de brutowinstmarge (detailhandelmarge) van de franchisevestigingen te kunnen volgen, alsook die van de eigen filialen.” De kantonrechter zal ook dit onderdeel van het verzoek afwijzen. IJsvogel heeft terecht betoogd dat deze bescheiden te onbepaald zijn zodat sprake is van een fishing expedition. Dat geldt temeer omdat [verzoeker] niet heeft aangegeven ten aanzien van welke periodes zij de rapportages verlangt. Bovendien heeft IJsvogel aangevoerd dat dergelijke rapportages niet bestaan en [verzoeker] heeft dat niet weersproken. Het verzoek kán in zoverre dan ook niet worden toegewezen. Tot slot geldt ook hier dat [verzoeker] heeft nagelaten te onderbouwen waarom juist deze stukken relevant zijn voor de onderbouwing van enige vordering, zodat een rechtmatig belang daarbij ontbreekt.
5.8.
Daarnaast vordert [verzoeker] “alle gedetailleerde jaarverslagen vanaf 2003 tot en met (1 juli) 2019 van de IJsvogel Retail B.V. (…) om het verloop te kunnen vergelijken tussen1) de groothandelsmarge/resultaten van Pet’s Place2) de brutowinstmarge/resultaten van de franchisevestigingen en3) de brutowinstmarge/resultaat.”Ook dit onderdeel van het verzoek zal worden afgewezen. [verzoeker] heeft nagelaten aan te geven ten aanzien van welke vordering(en) zij deze stukken zou willen verkrijgen en evenmin heeft zij geconcretiseerd waarom juist deze stukken voor die vordering(en) relevant zijn. Daarmee heeft zij onvoldoende onderbouwd dat zij een rechtmatig belang heeft bij een afschrift van die jaarverslagen. Bovendien heeft IJsvogel naar voren gebracht dat uit deze jaarverslagen de onder 1 t/m 3 gewenste gegevens niet vallen af te leiden, terwijl het overigens gaat om vertrouwelijke en bedrijfsgevoelige informatie en daarmee een beroep gedaan op gewichtige redenen als bedoeld in artikel 843a lid 3 Rv. [verzoeker] heeft niet toegelicht dat en waarom haar belang bij toewijzing van het verzoek zwaarder zou moeten wegen dan het belang van IJsvogel bij het weigeren om bedrijfsgevoelige informatie te verstrekken. Ook om die reden zal het verzoek worden afgewezen.
5.9.
Ten slotte vordert [verzoeker] “de volledige omschrijving van de ‘know how’ van de Pet’s Place formule”. [verzoeker] stelt hier belang bij te hebben in verband met een tussen haar en IJsvogel (al dan niet geoorloofd) overeengekomen concurrentiebeding. Dit onderdeel zal als te onbepaald worden afgewezen. Gegeven de betwisting door IJsvogel dat er documentatie met know how is en bij gebrek aan verduidelijking van dit deel van het verzoek door [verzoeker] , is onduidelijk of een beschrijving van de volledige know how van de Pets Place formule wel bestaat en in welke vorm deze aan [verzoeker] zou moeten worden overgedragen.
het verzoek ex artikel 202 Rv
5.10.
[verzoeker] heeft voorgesteld de volgende vragen aan de deskundige voor te leggen:1. Is de VPA (productie 4) en de daarin getrokken conclusie omtrent (onder meer) de omzetpotentie van € 850.000,- incl. BTW (pagina 36) – in het licht van de concrete opmerkingen van [naam] in de zogenaamde Quickscan (bijlage bij productie 7) – aan te merken als een realistische prognose omtrent de te verwachten omzetten van de door verzoekers te drijven onderneming? Is er sprake van een deugdelijk onderzoek? Kunt u uw visie onderbouwen?2. Hoe verklaart de deskundige het verschil in groei resp. krimp, tussen het aantal eigen filialen van Pet’s Place respectievelijk het aantal franchisefilialen? Klopt het dat verlieslatende franchisefilialen na overname winstgevend zijn voortgezet als eigen filiaal? Hoe verklaart u dat? Graag ook uw toelichting op dit antwoord.3. Zijn de (inkoop)kosten voor de franchisenemers hoger, gelijk of lager dan die voor de eigen filialen? Zo ja hoeveel procent bedraagt het verschil gemiddeld? Betalen de eigen filialen ook een fee? Hoe verhouden de inkoopprijzen voor franchisenemers via Pet’s Place zich gemiddeld met inkoopprijzen van dezelfde producten bij andere groothandels? Voldoet Pet’s Place met haar prijsstellingen (in- en verkoopprijzen) ‘gedegen (…) aan de op har berustende zorgplicht’ en/of ‘wordt de ingestuurde marge ook gerealiseerd in de winkels’? Meer specifiek: was er (jaarlijks) een ingestuurde marge, zo ja, hoe hoog was die en werd deze gehaald? Zo nee, heeft Pet’s Place mogelijkheden gezocht en benut om dat te verbeteren? Heeft Pet’s Place – ten opzichte van de markt van haar (eenzijdige) prijsstelling geprofiteerd ten koste van haar verplichte afnemers/franchisenemers? Welke argumenten liggen ten grondslag aan uw antwoord?4. Neemt door de eventuele bovengenoemde handelingen de ‘goodwill’/waarde van de franchisefilialen af? In hoeverre is er sprake van het (bewust of onbewust) creëren van oplopende rekening-courant schulden als mogelijk ‘wisselgeld’ voor kosteloze overnames door Pet’s Place ten behoeve van de uitbreiding van haar eigen filiaalbedrijf? Welke argumenten liggen ten grondslag aan uw antwoord? 5. Heeft de bestaande know how (al dan niet na ‘verbeteringen, verrijkingen en veranderingen’) een aantoonbare profijtelijke waarde gehad en is dit (zoals contractueel afgesproken) ook ‘aantoonbaar’ te maken door Pet’s Place? Graag een toelichting van uw antwoord.6. In het verlengde van vraag 4, als verzoekers niet gebonden zou zijn aan het huur- en franchisecontract (inclusief huurprijs, formule-/afnameverplichtingen en fee bijdragen), zou zij dan bij dezelfde omzet betere bedrijfsresultaten hebben behaald? Met andere woorden: is aan de contractuele basisgedachte achter franchising voldaan, te weten het combineren van de goede eigenschappen van een ondernemer, met de goede eigenschappen van een groot filiaalbedrijf om gezamenlijk tot een voor beide partijen positief resultaat te komen. “Een win-win situatie voor franchisegever en franchisenemer.” Ook hierbij graag een onderbouwing van uw antwoord?7. Voldoet de volledig beschreven know how (indien al aanwezig) aan de criteria van geheim-zijn en wezenlijk, zoals bedoeld in de bovengenoemde Europese Verordening.
5.11.
IJsvogel verzet zich tegen het verzoek. Volgens IJsvogel bestaat voor het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht geen aanleiding of grond. Daarbij kunnen de geformuleerde vragen niet door een deskundige worden beoordeeld, aangezien dit impliceert dat de deskundige allerlei andere (vertrouwelijke) informatie zou verkrijgen omtrent rechtsverhoudingen van IJsvogel met andere partijen, welke informatie IJsvogel niet wenst te verstrekken en waartoe zij ook niet gehouden is. Bovendien is de vraagstelling aan de deskundige volstrekt ondeugdelijk omdat aan de deskundige feitelijk wordt gevraagd of sprake is van wanprestatie of onrechtmatige daad, terwijl het niet aan een deskundige is om dat te beoordelen.