Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2021-09-01
ECLI:NL:RBNHO:2021:12937
Civiel recht; Europees civiel recht, Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,832 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
Zittingsplaats Alkmaar
zaaknummer / rolnummer: C/15/315476 / HA ZA 21-220
Vonnis van 1 september 2021
in de zaak van
[eiser]
in hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van
mevrouw [erflaatster]
kantoorhoudende te [plaats] ,
eiser,
advocaat mr. M.V. Vermeij te Alkmaar,
tegen
1. de vennootschap naar buitenlands recht
CMR MANAGEMENT (INTERNATIONAL) Limited,
gevestigd te Gibraltar,
2. [gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden,
mr. E. Doornbos te Badhoevedorp.
Eiser wordt hierna aangeduid als [eiser] Gedaagden sub 1 en 2 worden hierna tezamen aangeduid als [gedaagden] en afzonderlijk als CMR respectievelijk [gedaagde] .
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de (verwijzings)beschikking van de rechtbank Den Haag van 24 februari 2021 gegeven onder rolnummer C/09/584874/HA RK 19-687 waarbij de zaak in de stand waarin deze zich bevond naar deze rechtbank is verwezen, om te dienen op de rolzitting van 21 april 2021;
De akte toelichting eis/wijziging/vermeerdering van eis met producties van de zijde van [eiser]
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Op 19 september 2018 is mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster) overleden.
2.2.
Bij beschikking van 26 augustus 2019 van de rechtbank Midden-Nederland is [eiser] benoemd tot (opvolgend) executeur in de nalatenschap van erflaatster.
2.3.
[gedaagde] was financieel/fiscaal adviseur van erflaatster en haar vooroverleden echtgenoot.
2.4.
Door erflaatster en haar vennootschap Gimmick B.V. zijn in de jaren 2015-2018 meerdere betalingen gedaan op de privérekening van [gedaagde] , tot een totaalbedrag van
€ 279.500,00.
2.5.
[gedaagde] heeft deze gelden beheerd in een op Gibraltar gevestigd fonds genaamd CMR.
2.6.
CMR heeft bij brief van mei 2019 aan de erven van erflaatster een overzicht verzonden van de stand van het fonds per 1 januari 2019, zijnde € 301.500,00.
2.7.
Per e-mail van 30 juli 2019 bericht [gedaagde] namens CMR aan de erven van erflaatster onder meer het navolgende:
“Wij hebben de deelname bij CMR Internationale Management Ltd (geregistreerd onder nummer (..) ten name van mevrouw [erflaatster] ) per 01-07-2019 opgezegd. Het contract eindigt conform onze voorwaarden 3 maanden na opzegging, derhalve 1 oktober 2019 en zal 15 werkdagen na beëindiging worden overgemaakt.
Wij zullen het bedrag overmaken op een door u aangegeven rekeningnummer ten name van erven [erflaatster] , zoals dit bij CMR International Management Ltd. is geregistreerd. (..)”
2.8.
Partijen hebben nadien gecorrespondeerd over uitbetaling van het fonds aan de erven van erflaatster. Er zijn geen betalingen verricht.
2.9.
Bij beschikking van deze rechtbank van 22 juni 2021 heeft de voorzieningenrechter aan [eiser] verlof verleend tot het leggen van (repeterend) conservatoir beslag ten laste van [gedaagde] op de in de beschikking genoemde vermogensbestanddelen.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat en na vermeerdering van eis - dat de rechtbank bij uitvoerbaar voorraad te verklaren vonnis:
Primair
[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan de nalatenschap van erflaatster c.q. aan de executeur van een bedrag ad € 301.500,-- vermeerderd met de wettelijke rente per 26 oktober 2019 tot en met het moment van algehele voldoening, voorts te vermeerderen met de beslagkosten in ieder geval bestaande uit het betaalde griffierecht ad € 667,00 alsmede 2 punten a € 2.491,00 (conform het liquidatietarief), nadere kosten PM, alsmede de buitengerechtelijke kosten (PM);
Subsidiair voor zover de rechtbank oordeelt dat er geen (contractuele) rechtsverhouding bestaat tussen [gedaagde] en erflaatster: [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de nalatenschap van erflaatster c.q. aan de executeur van een bedrag ad € 301.500,-- vermeerderd met de wettelijke rente per 26 oktober 2019 tot en met het moment van algehele voldoening, voorts te vermeerderen met de beslagkosten in ieder geval bestaande uit het betaalde griffierecht ad € 667,00 alsmede 2 punten a € 2.491,00 (conform het liquidatietarief), nadere kosten PM, alsmede de buitengerechtelijke kosten (PM);
[gedaagden] veroordeelt in de (na)kosten van het geding.
3.2.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
vooraf
De rechtbank leidt uit de verwijzingsbeschikking af dat [gedaagden] ten tijde van de procedure bij de rechtbank Den Haag werd bijgestaan door een advocaat. Uit de verwijzingsbeschikking en de door deze rechtbank ontvangen stukken blijkt namelijk dat de advocaat van [gedaagden] op 21 januari 2021 een “Formulier F” heeft ingediend op de voet van het bepaalde in artikel 16 van de Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 (hierna: de Verordening). Uit het derde lid van dit artikel volgt dat [gedaagden] op dat moment nog niet gehouden was om toe te lichten op welke inhoudelijke gronden het door [eiser] gevorderde werd betwist.
4.2.
In de verwijzingsbeschikking heeft de rechtbank Den Haag onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 17 van de Verordening overwogen dat de procedure verder wordt behandeld volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure en beide partijen opgedragen te verschijnen op de rol van deze rechtbank van 21 april 2021, vertegenwoordigd door een advocaat. Naar de rechtbank constateert is uitsluitend [eiser] op voornoemde datum verschenen. Nadat ter rolle van 14 juli 2021 vonnis was bepaald op 25 augustus 2021 heeft zich op laatstgenoemde datum een advocaat namens [gedaagden] gesteld met het (volstrekt ongemotiveerde) verzoek om (alsnog) een conclusie van antwoord te nemen. Daarin kan niet worden bewilligd. Gelet op de duidelijke (rol)instructie in de verwijzingsbeschikking en de stand waarin het geding 4 maanden nadien is komen te verkeren, had het op de weg van [gedaagden] gelegen toe te lichten welke klemmende redenen eraan in de weg stonden dat zij zich op 21 april 2021 bij deze rechtbank meldde. Deze processuele houding van [gedaagden] verdraagt zich geenszins met doel en strekking van de Verordening op basis waarvan het geding door [eiser] destijds is ingeleid. Deze is immers gericht op een vereenvoudigde en versnelde rechtsgang ingeval van grensoverschrijdende niet betwiste geldvorderingen. In de bijbehorende preambule is onder meer het navolgende opgenomen:
“Doel van deze verordening is de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren, en het vrije verkeer van Europese betalingsbevelen tussen de lidstaten te bewerkstelligen door minimumnormen te stellen waarvan de naleving tot gevolg heeft dat in de lidstaat van tenuitvoerlegging voorafgaand aan de erkenning en de tenuitvoerlegging geen intermediaire procedure hoeft te worden ingeleid.”
4.3.
Van stukken uit een eerder stadium van het geding die blijk geven van de inhoudelijke gronden van het verweer is de rechtbank niet gebleken. Daarbij verdient opmerking dat de griffier van deze rechtbank navraag heeft gedaan bij de griffie van de rechtbank te Den Haag om zeker te stellen dat het procesdossier na verwijzing compleet is ontvangen.
4.4.
ten gronde
Sterk samengevat heeft [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat erflaatster en haar vennootschap Gimmick B.V. in de periode november 2015 – februari 2018 tezamen in totaal een bedrag van € 279.500,00 hebben overgemaakt op de privérekening van [gedaagde] , welke gelden [gedaagde] voor erflaatster in een fonds (CMR) zou gaan beheren. CMR heeft de rekening van Gimmick B.V. samengevoegd met die van erflaatster. In het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster hebben de erven [gedaagde] verzocht om uitbetaling van de gelden. Ondanks een betalingstoezegging en de nodige correspondentie tussen partijen, heeft [gedaagden] niet aan haar betalingsverplichting voldaan, aldus [eiser]
4.5.
Gelet op de door [eiser] in het geding gebrachte stukken en de bij akte gegeven nadere toelichting, komt het gevorderde de rechtbank rechtmatig en gegrond voor. Het primair gevorderde is daarom voor toewijzing vatbaar op de wijze als hierna nader in het dictum bepaald.
4.6.
proceskosten
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht € 1.666,00
- beslagkosten € 4.982,00 (2,0 punten x tarief € 2.491,00)
- salaris advocaat € 2.491,00 (1,0 punt × tarief € 2.491,00)
Totaal € 9.139,00
4.7.
De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
Dictum
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de nalatenschap van erflaatster c.q. aan [eiser] van een bedrag ad € 301.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 26 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding inclusief beslagkosten begroot op een bedrag van € 9.139,00;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Haverkate en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2021.
Conc.: AvA
Coll: ACH