Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2021-12-28
ECLI:NL:RBNHO:2021:12693
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,871 tokens
Inleiding
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 20/294
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 28 december 2021 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. B.J.B. Boersma),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Eindhoven, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres op 1 juni 2018 een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt ten bedrage van € 58.640,90, bestaande uit € 56.440,20 aan douanerechten en € 2.200,70 aan rente op achterstallen.
Op 25 oktober 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen deze utb gegrond verklaard en de utb verminderd tot een bedrag van € 56.714,54, bestaande uit € 54.554,01 aan douanerechten en 2.160,53 aan rente op achterstallen.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2021. Namens eiseres zijn verschenen A.P. van Breukelen, kantoorgenoot van de gemachtigde, en [naam 1] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] en mr. drs. [naam 4] .
Overwegingen
Feiten
1. In de periode van 23 maart 2015 tot en met 24 juli 2017 zijn in naam en voor rekening van eiseres douaneaangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van onder meer segmented ringmagnets (niet gemagnetiseerd en wel gemagnetiseerd) en irregular blockmagnets, met vermelding van de Volksrepubliek China (hierna: China) als land van oorsprong. De goederen zijn in de aangiften ingedeeld onder Taric-code 8505 1100 60.
2. In september 2017 is verweerder gestart met een controle na vrijgave op grond van artikel 48 van het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU). De controle ziet op de 58 aangiften ten invoer die in de periode 23 maart 2015 tot en met 24 juli 2017 zijn gedaan. Verweerder heeft zijn bevindingen neergelegd in een controlerapport van 23 april 2018. Tijdens de controle is vastgesteld dat de goederen, die thans nog in geschil zijn, ten onrechte zijn ingedeeld onder Taric-code 8505 1100 60. Zij hadden volgens het controlerapport moeten worden ingedeeld onder Taric-code 8505 1100 99.
3. De goederen waarover geschil bestaat zijn in de uitspraak op bezwaar als volgt omschreven:
Segmented ringmagnets, niet gemagnetiseerd
“Deze goederen betreffen grijze gebogen plaatjes van verschillende afmetingen uit een legering van ijzer, neodymium, boor en een kleine hoeveelheid praseodymium, die per vier stuks bestemd zijn om, na magnetisering, een permanente ringmagneet te vormen.”
Segmented ringmagnets, gemagnetiseerd
“Deze goederen betreffen grijze gebogen plaatjes van verschillende afmetingen uit een legering van ijzer, neodymium, boor en een kleine hoeveelheid praseodymium, die per vier stuks een permanente ring vormen.”
Irregular blockmagnets
“Dit artikel betreft een achthoekig blokje van 50 x 35,5 x 20 x 12,5 x 6 mm uit een legering van ijzer, neodymium, boor en een kleine hoeveelheid praseodymium dat bestemd is om na magnetisering als een permanente magneet te worden gebruikt.”
4. Op verzoek van de rechtbank heeft eiseres segmented ringmagnets meegenomen naar de zitting. Volgens eiseres zien niet gemagnetiseerde segmented ringmagnets en gemagnetiseerde segmented ringmagnets er hetzelfde uit en bestaat er in wezen geen verschil tussen beide goederen. Op pagina 4 van het aanvullend beroepschrift is de volgende afbeelding van segmented ringmagnets opgenomen:
5. Eiseres heeft eveneens getracht irregular blockmagnets naar de zitting mee te nemen. Zij was, mede gelet op het late verzoek van de rechtbank, slechts in staat een goed mee te nemen dat vergelijkbaar is. Op pagina 9 van het aanvullend beroepschrift is de volgende afbeelding van irregular blockmagnets opgenomen (het betreffen acht irregular blockmagnets met een grootte van 50 x 35,5 x 12,6 x 6 mm, die aan elkaar verbonden zijn):
Geschil
7. Verweerder stelt dat ten aanzien van twee aangiften eiseres per abuis als schuldenaar is aangemerkt. Daarnaast is in de utb ten onrechte een bedrag aan douanerechten en rechten op achterstallen begrepen voor segmented ringmagnets, niet gemagnetiseerd, die na 1 januari 2017 zijn ingevoerd. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat in de utb ten onrechte een bedrag aan douanerechten en rente op achterstallen is begrepen voor deze goederen. De utb dient op grond van het voorgaande te worden verminderd tot een bedrag van € 54.433,88 aan douanerechten en € 2.160,53 aan rente op achterstallen.
8. Niet in geschil is dat de goederen ingedeeld moeten worden in GN-postonderverdeling 8505 1100. In geschil is of in de utb terecht is uitgegaan van indeling onder Taric-code 8505 1100 99 en dientengevolge geen aanspraak bestaat op de autonome tariefschorsing van Verordening (EU) Nr. 1387/2013. Het geschil over de indeling van segmented ringmagnets heeft enkel betrekking op de periode vóór 1 januari 2017. Voor de goederen die waren aangemerkt als segmented ringmagnets, gemagnetiseerd, was voor de periode met ingang van 1 januari 2017 al geen utb meer uitgereikt.
9. Eiseres stelt dat de utb ten onrechte aan haar is uitgereikt en licht dit als volgt toe.
Segmented ringmagnets, al dan niet gemagnetiseerd
Primair neemt eiseres het standpunt in dat de segmented ringmagnets dienen te worden ingedeeld onder Taric-code 8505 1100 60. Toepassing van indelingsregel 2a heeft volgens eiseres tot gevolg dat de segmented ringmagnets dienen te worden ingedeeld onder deze Taric-code. In haar pleitnota heeft zij een e-mailbericht van [naam 5] (hierna: dhr. [naam 5] ) van de Douane (I-functionaris team BTI/LWT), dat betrekking heeft op een andere zaak waarin de indeling van andersoortige goederen speelt, opgenomen waarin staat: “On whether interpretative rule 2a also relates to the TARIC-codes mentioned, GIR 2a is potentially applicable to declarations of goods falling under 7610 90 90 91 and 7610 90 90 92”. Eiseres meent dat uit deze e-mail is af te leiden dat is toegezegd dat indelingsregel 2a in het onderhavige geval van toepassing is. Toepassing van indelingsregel 2a leidt ertoe dat de segmented ringmagnets kunnen worden ingedeeld onder Taric-code 8505 1100 60. Van de vier segmenten zal namelijk een ring worden gemaakt.
Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat de segmented ringmagnets dienen te worden ingedeeld onder Taric-code 8505 1100 80. Onder deze Taric-code worden artikelen in de vorm van een rechthoek ingedeeld. Eiseres betoogt dat de onderhavige segmenten de vorm van een rechthoek hebben. Dat zij gebogen zijn, staat niet aan indeling onder Taric-code 8505 1100 80 in de weg.
Irregular blockmagnets
Eiseres neemt ten aanzien van de irregular blockmagnets het standpunt in dat deze dienen te worden ingedeeld onder Taric-code 8505 1100 70. Zij betoogt dat het product kwalificeert als een “schijf”. Een schijf hoeft in haar optiek niet rond te zijn om als zodanig te kwalificeren. Volgens eiseres is niet vereist dat de goederen na invoer in autoluidsprekers worden gebruikt, zoals verweerder eist. Voor uitleg van “van de soort voor” wijst eiseres naar een arrest van het Hof van Justitie van 19 februari 2009, C-376/07, Kamino International Logistics BV, ECLI:EU:C:2009:105. Het Hof van Justitie heeft hierin geoordeeld dat gekeken moet worden naar de technische mogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van het apparaat.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de utb. Voorts verzoekt eiseres om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (het beroepschrift dateert van 24 mei 2018) en veroordeling van verweerder in de proceskosten en de griffierechten.
10. Volgens verweerder mag de rechtbank het e-mailbericht van dhr. [naam 5] niet in haar oordeel meenemen omdat dit pas ter zitting door eiseres is overgelegd. De e-mail heeft bovendien geen betrekking op de onderhavige zaak.
Verweerder handhaaft, buiten de vermindering genoemd onder rechtsoverweging 6.1., de utb. De (overige) goederen komen volgens verweerder niet in aanmerking voor autonome tariefschorsing.
Toepassing schorsingsverordening
De schorsingsverordening is volgens verweerder niet van toepassing omdat de goederen niet vallen onder de Taric-codes die eiseres noemt. Slechts die goederen waarvan de objectieve kenmerken en eigenschappen in de schorsingsposten zijn omschreven, komen in aanmerking voor een tariefschorsing. Een ruimere uitleg strookt niet met de doelstelling van een schorsingsverordening, zijnde de tariefschorsing verlenen die een marktdeelnemer voor een specifiek product heeft aangevraagd. Verweerder verwijst naar arresten van het HvJ EU van 13 maart 1986 (58/85, ECLI:EU:C:1986:128, Ethicon GmbH, punt 14) en 17 februari 2011 (C-11/10, ECLI:EU:C:2011:91, Marishipping and Transport BV, punt 16) en een conclusie van Advocaat-Generaal De Wit van 10 augustus 2007 (43002, ECLI:NL:PHR:2007:AY5995, punt 4.21).
Segmented ringmagnets, niet gemagnetiseerd
De segmented ringmagnets kunnen volgens verweerder niet worden ingedeeld onder Taric-code 8505 1100 60 dan wel 8505 1100 80. Zij dienen in overeenstemming met de utb te worden ingedeeld onder Taric-code 8505 1100 99.
Om in aanmerking te komen voor indeling onder Taric-code 8505 1100 60 moeten de goederen de vorm hebben van een ring, buis, huls of kraag (zie de tekst bij de schorsingspost). Het betreffen in de onderhavige zaak echter gebogen plaatjes die pas na invoer een ring zullen vormen.
Met betrekking tot indeling onder Taric-code 8505 1100 80 heeft volgens verweerder te gelden dat de tekst van deze schorsingspost vóór 1 januari 2017 niet “gebogen rechthoek of een passend gemaakte rechthoek” luidde. Vanaf 1 januari 2017 komt de tekst “al dan niet passend gemaakt” voor in Taric-code 8505 1100 47 en kunnen de goederen wel onder deze Taric-code worden ingedeeld.
Segmented ringmagnets, wel gemagnetiseerd
Voor de segmented ringmagnets, wel gemagnetiseerd, heeft volgens verweerder hetzelfde te gelden. De goederen dienen in overeenstemming met de utb te worden ingedeeld onder Taric-code 8505 1100 99 en kunnen niet worden ingedeeld onder Taric-code 8505 1100 60 dan wel 8505 1100 80. De bewoordingen “na magnetisering” komen voor in Taric-code 8505 1100 60, zodat de goederen ten tijde van invoer niet gemagnetiseerd mogen zijn en de segmented ringmagnets, wel gemagnetiseerd, ook om deze reden niet onder Taric-code 8505 1100 60 kunnen worden ingedeeld.
Irregular blockmagnets
De irregular blockmagnets kunnen volgens verweerder niet worden ingedeeld onder Taric-code 8505 1100 60, 8505 1100 70 dan wel 8505 1100 80. Zij dienen in overeenstemming met de utb te worden ingedeeld onder Taric-code 8505 1100 99.
Irregular blockmagnets kunnen niet worden ingedeeld onder Taric-code 8505 1100 60, aangezien ze niet de vorm van een ring, buis, huls of kraag hebben.
Indeling onder Taric-code 8505 1100 70 is in de optiek van verweerder evenmin mogelijk. Eiseres dient dan namelijk aan te tonen dat op basis van de kenmerken en eigenschappen van irregular blockmagnets geconcludeerd moet worden dat ze van de soort gebruikt voor autoluidsprekers zijn. Dat heeft zij niet gedaan. Dat de artikelen zijn gemaakt van hetzelfde materiaal als de soort gebruikt voor autoluidsprekers, neodymium, is niet voldoende. Daarnaast voert verweerder aan dat op basis van de vorm en de afmetingen van een achthoekige magneet niet gesteld kan worden dat sprake is van een schijf met een te bepalen diameter. Uitsluitend van een cirkel (schijf), bol of cilinder kan een diameter worden bepaald. De schorsingspost beschrijft geen achthoekig blokje.
Overwegingen
14. Niet in geschil is dat de utb, op grond van de overwegingen genoemd onder 6.1., dient te worden verminderd tot een bedrag van € 54.433,88 aan douanerechten en € 2.160,53 aan rente op achterstallen. Het beroep is om deze reden gegrond, en de uitspraak op bezwaar dient in ieder geval in zoverre te worden vernietigd.
Toepassing indelingsregel 2a
15. In haar pleitnota heeft eiseres een e-mail van dhr. [naam 5] opgenomen waaruit zou blijken dat de indelingsregel 2a in een geval als het onderhavige toepassing vindt. Verweerder heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat deze e-mail te laat in het geding is gebracht. De rechtbank stelt voorop dat de e-mail dateert van kort voor de zitting, namelijk 22 oktober 2021. Het bericht is zeer beperkt van omvang en eiseres heeft tijdens de zitting aangegeven zich slechts op één regel uit het e-mailbericht te beroepen. De rechtbank zal daarom deze e-mail, ondanks het verzet van verweerder, wel in haar oordeel betrekken.Verweerder betoogt dat de e-mail geen betrekking heeft op de onderhavige zaak. Uit de e-mail blijkt volgens de rechtbank inderdaad niet dat verweerder heeft toegezegd dat in het onderhavige geval aan de hand van indelingsregel 2a moet worden beoordeeld of de onderhavige schorsingsverordening toepassing vindt. Het bericht heeft betrekking op een andere zaak en op andere goederen. Verder is de strekking van het bericht slechts dat indelingsregel 2a “potentially applicable” is op indeling van de goederen in de zaak waarop de e-mail betrekking heeft. Het betoog van eiseres faalt.
Toepassing schorsingsverordeningen
16. In zijn arrest van 18 maart 1986 (Ethicon GmbH, 58/85, ECLI:EU:C:1986:128) benadrukt het Hof van Justitie dat in het geval van tariefschorsing de omschrijving van het product moet worden uitgelegd aan de hand van objectieve, uit de tekst van die omschrijving, volgende criteria en een latere wijziging van de omschrijving niet met terugwerkende kracht invloed kan hebben:
“12. De schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief krachtens artikel 28 EEG-Verdrag heeft blijkens hetgeen wordt overwogen in de considerans van de desbetreffende verordeningen van de Raad, tot doel tijdelijk te voldoen aan de behoeften van de verwerkende industrie van de Gemeenschap. Bij de vaststelling van dergelijke bepalingen moet de Raad niet enkel rekening houden met deze behoeften, maar ook met de eisen van de rechtszekerheid en met de moeilijkheden waarvoor de nationale douanediensten staan bij de vervulling van hun omvangrijke en ingewikkelde taken.
13. Bijgevolg moet de omschrijving van een produkt waarvoor schorsing van douanerechten is verleend, worden uitgelegd aan de hand van objectieve, uit de tekst van die omschrijving volgende criteria, en mag zij niet, in strijd met de letter ervan, van toepassing worden verklaard op andere produkten, ook niet wanneer deze zich ten aanzien van hun eigenschappen en gebruik niet onderscheiden van de produkten die wel onder de schorsing vallen. In het bijzonder kan een latere wijziging van de omschrijving van het onder de schorsing vallende produkt niet met terugwerkende kracht invloed hebben op de uitlegging van de voordien gebruikte omschrijving.”
17. Het Hof van Justitie heeft in zijn arresten van 3 december 1998 (Schoonbroodt, C-247, ECLI:EU:C:1998:586) en 17 februari 2011 (Marishipping and Transport BV, C-11/10, ECLI:EU:C:2011:91) nogmaals herhaald dat bepalingen van schorsingsverordeningen strikt en overeenkomstig hun formulering moeten worden uitgelegd (citaat uit Schoonbroodt):
“23. Er zij aan herinnerd, dat de Raad, wanneer hij bepalingen vaststelt waarbij douanerechten worden geschorst, rekening moet houden met de eisen van de rechtszekerheid en met de moeilijkheden waarvoor de nationale douanediensten staan (arrest van 18 maart 1986, Ethicon, 58/85, Jurispr. blz. 1131, punt 12). Daaruit volgt, dat dergelijke bepalingen strikt en overeenkomstig hun formulering moeten worden uitgelegd, zodat zij niet met voorbijgaan van de letter ervan kunnen worden toegepast op producten die er niet in zijn vermeld (arrest van 12 december 1996, Olasagasti e. a., C-47/95—C-50/95, C-60/95, C-81/95, C-92/95 en C-148/95, Jurispr. blz. I-6579, punt 20).”
18. Uit de eerste overweging van de considerans van Verordening (EU) Nr. 1387/2013 leidt de rechtbank af dat de productie van de in bijlage I van deze verordening genoemde goederen op het moment dat deze verordening werd vastgesteld ontoereikend of onbestaande was, waardoor niet kon worden voldaan aan de behoeften van de afnemende sectoren in de Unie. Het betreft onder meer de goederen die vallen binnen het bereik van Taric-codes 8505 1100 47 (vanaf 1 januari 2017), 8505 1100 60, 8505 1100 70 en 8505 1100 80 (tot 1 januari 2017). Het was, aldus de tweede considerans van de verordening, daarom in het belang van de Unie dat de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor deze producten werden geschorst. Uit de in overweging 13 en 14 van deze uitspraak opgenomen arresten van het Hof van Justitie blijkt dat de omschrijving van de goederen waarvoor schorsing van douanerechten is verleend, moet worden uitgelegd aan de hand van objectieve, uit de tekst van die omschrijving volgende criteria. Het betreft dan ook een strikte uitleg. Een schorsingsverordening beoogt namelijk enkel de heffing van douanerechten op bepaalde goederen te schorsen, geheel los van de indeling van deze goederen in de GN (zie in dezelfde zin conclusie Advocaat-Generaal De Wit van 10 augustus 2007, 43002, ECLI:NL:PHR:2007:AY5995, punt 4.21). De rechtbank zal de indeling van de goederen dus beoordelen aan de hand van de objectieve omschrijving.
Indeling segmented ringmagnets
19. De rechtbank zal eerst beoordelen of segmented ringmagnets vatbaar zijn voor indeling onder Taric-code 8505 1100 60. Uit de schorsingsverordening blijkt dat het voor indeling onder deze Taric-code van belang is dat het om “ringen, buizen, hulzen of kragen” gaat. De rechtbank is van oordeel dat segmented ringmagnets, zijnde losse gebogen plaatjes, gezien de objectieve omschrijving, niet voor indeling onder Taric-code 8505 1100 60 in aanmerking komen. De losse gebogen plaatjes zullen namelijk pas na invoer een ringmagneet (kunnen) vormen (zie afbeelding in overweging 4 van deze uitspraak) en het betreffen op het moment dat de goederen worden ingevoerd dan ook geen ringen, buizen, hulzen of kragen.
20. Met betrekking tot indeling onder Taric-code 8505 1100 80 heeft volgens de rechtbank het volgende te gelden. Indeling onder Taric-code 8505 1100 80 is voorbehouden aan goederen die de vorm van een “driehoek, vierkant of rechthoek” hebben. Vanaf 1 januari 2017 geldt een nieuwe Taric-code, zijnde 8505 1100 47, en is Taric-code 8505 1100 80 komen te vervallen. In de nieuwe Taric-code is opgenomen dat het een “driehoek, vierkant of rechthoek” mag betreffen die “al dan niet passend (…) of met afgeronde hoeken [is gemaakt]”. Partijen zijn het er ten gevolge van deze wijziging over eens dat segmented ringmagnets vanaf 1 januari 2017 onder Taric-code 8505 1100 47 kunnen worden ingedeeld. Partijen verschillen daarentegen van mening over de betekenis van deze wijziging voor de indeling van de segmented ringmagnets vóór 1 januari 2017. De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 18 maart 1986 (Ethicon GmbH, 58/85, ECLI:EU:C:1986:128) blijkt dat een latere wijziging van een omschrijving niet met terugwerkende kracht invloed kan hebben op de uitlegging van de voordien gebruikte omschrijving. Schorsingsbepalingen dienen strikt en overeenkomstig hun bewoordingen te worden uitgelegd. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat segmented ringmagnets vóór 1 januari 2017 niet kunnen worden ingedeeld onder Taric-code 8505 1100 80. De vier gelijke segmented ringmagnets zijn dermate gebogen dat zij, als zij aaneengesloten worden, één ringmagneet kunnen vormen. Eén segmented ringmagnet overbrugt dus een hoek van 90 graden.
Conclusie
24. De rechtbank is dus van oordeel dat verweerder de goederen in de utb terecht onder de door hem genoemde Taric-codes heeft ingedeeld.
Vergoeding immateriële schade
25. Eiseres heeft een verzoek tot vergoeding van immateriële schade gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
26. Het bezwaar is op 8 juni 2018 door verweerder ontvangen. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 25 oktober 2019. De rechtbank doet op 28 december 2021 uitspraak. Het betreft een periode van 1.300 dagen. Daarmee is in beginsel de redelijke termijn van twee jaar overschreden met 19 maanden (vgl. voornoemd arrest, rechtsoverweging 3.4.2).
27. Tussen partijen is in geschil dat sprake is geweest van omstandigheden die deze lange tijdspanne rechtvaardigen. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat een periode van 368 dagen in aftrek moet worden gebracht. Hij heeft dit als volgt toegelicht:
177 dagen die eiseres nodig had om het beroepschrift te motiveren;
60 dagen in verband met aanvullend onderzoek dat verweerder heeft verricht;
10 dagen uitstel waar eiseres om verzocht om op het aanvullend onderzoek te reageren;
7 dagen uitstel waar eiseres om verzocht voor het leveren van aanvullend bewijs (een technische tekening van een luidspreker met magneet); en
120 dagen in verband met het vermoedelijke uitstel van de zitting in verband met corona.
28. De rechtbank is van oordeel dat niet gesproken kan worden van ‘bijzondere omstandigheden’ als gevolg waarvan een verlenging van de termijn gerechtvaardigd is (vgl. voornoemd arrest, rechtsoverweging 3.5.1). Zo kan volgens de rechtbank niet gesproken worden van “herhaalde verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of om uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen” van de kant van eiseres. Uit de overgelegde stukken blijkt dat partijen in bezwaar met elkaar in overleg waren en dat van beide kanten stukken zijn uitgewisseld. De oorzaak dat het uiteindelijk 177 dagen duurde voordat het beroepschrift werd gemotiveerd, is dan ook niet enkel het gevolg van het handelen van eiseres. Beide partijen waren met elkaar in overleg. Verweerder heeft een periode van 60 dagen nodig gehad voor aanvullend onderzoek. Het is geen bijzondere omstandigheid dat eiseres dan een (korte) tijdspanne nodig heeft om te reageren. Ook de door verweerder benoemde 120 dagen in de beroepstermijn kunnen volgens de rechtbank niet in mindering op de overschrijding van de termijn worden gebracht. In de onderhavige procedure is de zitting niet als gevolg van het coronavirus op een latere datum gepland.
29. Er is aldus een tijdsverloop tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de uitspraak van de rechtbank van afgerond 43 maanden. De redelijke termijn is met 19 maanden overschreden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 2.000. Naar het oordeel van de rechtbank is de termijnoverschrijding deels aan verweerder en deels aan de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) toe te rekenen: € 1.158 respectievelijk € 842 (vgl. voornoemd arrest, rechtsoverweging 3.11.1).
Proceskosten
30. Nu het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank stelt de proceskosten vast op € 1.496 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor 1).
31. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder op te dragen het door eiseres betaalde griffierecht van € 345 te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover dat in rechtsoverweging 14 is overwogen;
vermindert de utb tot een bedrag van € 54.433,88 aan douanerechten en € 2.160,53 aan rente op achterstallen;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;
veroordeelt verweerder in vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van [verwijderd: € 2.000] € 1.158;
veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming in vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 842;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.496;
draagt verweerder op aan eiseres een bedrag van € 350 ter zake van het betaalde griffierecht te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.P.M. van den Maagdenberg, voorzitter, en mr. P.H. Lauryssen en mr. dr. C.A. Schreuder, leden, in aanwezigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 december 2021.
griffier voorzitter
De griffier is verhinderd te tekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,
1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Geschil
Indeling onder Taric-code 8505 1100 80 is volgens verweerder evenmin mogelijk, aangezien de goederen niet de vorm van een driehoek, vierkant of rechthoek hebben.
Verzoek vergoeding immateriële schade
Met betrekking tot het verzoek van eiseres om vergoeding van immateriële schade merkt verweerder het volgende op. De bezwaarfase heeft volgens verweerder 494 dagen geduurd. Daarvan dienen echter twee periodes te worden afgetrokken wegens bijzondere omstandigheden: 188 dagen in verband met aan eiseres op haar verzoek verleend uitstel en 60 dagen in verband met extra onderzoek dat verweerder verrichtte. Verder dient in de beroepsfase rekening gehouden te worden met 120 dagen extra doorlooptijd in verband met corona, aldus verweerder. De rechtbank dient met deze aspecten rekening te houden bij de berekening van een vergoeding voor immateriële schade.
11. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Toepasselijke regelgeving
12. Het onderhavige geding spitst zich toe op de toepassing van een schorsingsverordening, zijnde Verordening (EU) Nr. 1387/2013 van 17 december 2013 en latere wijzigingen van deze Verordening. Deze Verordening luidt (voor zover thans relevant):
“Overwegende hetgeen volgt:
(1) De productie in de Unie van de in bijlage I genoemde landbouw- en industrieproducten is momenteel ontoereikend of onbestaande, waardoor niet kan worden voldaan aan de behoeften van de afnemende sectoren in de Unie.
(2) Het is derhalve in het belang van de Unie dat de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor deze producten geheel of gedeeltelijk worden geschorst.
(…)”
13. De in geschil zijnde Taric-codes, die in Bijlage I van de schorsingsverordening zijn opgenomen, luiden als volgt (Taric-code 8505 1100 47 is per 1 januari 2017 ingevoerd en Taric-code 8505 1100 80 is per die datum komen te vervallen):
GN-code
TARIC
Omschrijving
8505 1100
47
Artikelen in de vorm van een driehoek, vierkant of rechthoek, al dan niet passend gemaakt of met afgeronde hoeken, bestemd om na magnetisering als permanente magneten te worden gebruikt, die neodymium, ijzer en boor bevatten, met de volgende afmetingen:
-een lengte van 9 mm of meer maar niet meer dan 105 mm,
- een breedte van 5 mm of meer maar niet meer dan 105 mm, en
- een hoogte van 2 mm of meer, maar niet meer dan 55 mm
8505 11 00
60
Ringen, buizen, hulzen of kragen gemaakt van een legering van neodymium, ijzer en boor, met
— een diameter van niet meer dan 45 mm,
— een hoogte van niet meer dan 45 mm, van de soort gebruikt bij de vervaardiging van permanente magneten na magnetisering
8505 11 00
70
Schijf:
— met een diameter van niet meer dan 90 mm,
— al dan niet voorzien van een gat in het midden,
— bestaande uit een legering van neodymium, ijzer en boor, bedekt met nikkel, bestemd om na magnetisering als permanente magneet te worden gebruikt, van de soort die wordt gebruikt in autoluidsprekers
8505 11 00
80
Artikelen in de vorm van een driehoek, vierkant of rechthoek, bestemd om na magnetisering als permanente magneten te worden gebruikt, die neodymium, ijzer en boor bevatten, met de volgende afmetingen:
— een lengte van 15 mm of meer doch niet meer dan 105 mm
— een breedte van 5 mm of meer doch niet meer dan 105 mm
— een hoogte van 5 mm of meer doch niet meer dan 55 mm”