Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2020-10-01
ECLI:NL:RBNHO:2020:7643
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,580 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 19/4812
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. V.Y. Jokhan),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, verweerder,
(gemachtigde: mr. S.S. Kindt-Jiawan)
Procesverloop
Bij besluit van 25 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder heeft verweerder eiser per 1 januari 2019 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW) toegekend. Aan deze toekenning is tevens de arbeids- en re-integratieverplichting gekoppeld.
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 23 augustus 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder eiser tot
11 februari 2020 vrijgesteld van de arbeidsverplichting.
Bij besluit van 24 september 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard in die zin dat hij is vrijgesteld van de arbeidsverplichting.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek heden gesloten.
Overwegingen
1.1.
Eiser ontving een bijstandsuitkering op grond van de PW naar de norm van een alleenstaande.
1.2.
Verweerder heeft de bijstandsuitkering van eiser per 5 december 2018 beëindigd en per 21 maart 2018 ingetrokken op de grond dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door van zijn verkoopactiviteiten op Markplaats geen melding te maken. Volgens verweerder kon het recht op bijstand over de periode van 21 maart 2018 tot 5 december 2018 niet worden vastgesteld. Verweerder heeft vervolgens een totaal bedrag van € 10.142,28 aan verleende bijstand van eiser teruggevorderd. De bezwaren van eiser tegen deze besluitvorming heeft verweerder ongegrond verklaard. Het beroep van eiser tegen de beëindiging, intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering over de hiervoor genoemde periode heeft deze rechtbank bij uitspraak van 2 april 2020 ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBNHO:2020:2317).
2.1.
Verweerder onderkent dat eiser zich op 6 december 2018 bij verweerder heeft gemeld om een bijstandsuitkering aan te vragen, maar heeftt deze uitkering eiser eerst per 1 januari 2019 toegekend, omdat eiser (in elk geval) tot 5 december 2018 inkomsten had uit de verkoop van kleding op Marktplaats. Daarnaast heeft hij op 20 december 2018 een bijschrijving van zijn moeder op zijn bankrekening ontvangen ten bedrage van € 1.000,- onder de vermelding “lening aan [eiser] ”. Uit de vermelding op het bankafschrift valt niet op te maken waarvoor de lening is verstrekt. Met de op 19 januari 2019 opgemaakte geldleenovereenkomst tussen eiser en zijn moeder heeft eiser volgens verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de lening bestemd was voor de kosten van het levensonderhoud. Daarom moet de € 1.000,- worden aangemerkt als inkomen. Met dit inkomen beschikte eiser dus over middelen die de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm van € 946,73 overschreden en dat maakt dat eiser per 6 december 2018 nog geen recht had op een bijstandsuitkering. Volgens verweerder is terecht aan eiser per 1 januari 2019 een bijstandsuitkering toegekend.
2.2.
Eiser stelt zich op het standpunt dat de bijstandsuitkering per 6 december 2018 moet worden toegekend en dat verweerder gehandeld heeft in strijd met het bepaalde in artikel 44 van de PW. Nadat zijn bijstandsuitkering per 5 december 2018 was beëindigd, had eiser geen middelen meer en heeft hij zich tot zijn moeder gewend voor een lening voor de kosten van levensonderhoud, waaronder de huur. Eiser verwijst in dit kader naar de kopie van zijn WhatsApp-bericht dat vermeldt dat de huur is betaald. Eiser heeft ook tijdens het intakegesprek verklaard dat het om een lening ging. Op aanraden van zijn klantmanager hebben eiser en zijn moeder een geldleningsovereenkomst opgesteld en deze overeenkomst heeft eiser overgelegd. De omstandigheid dat hij nog niets aan zijn moeder heeft terugbetaald, komt door het feit dat hij op zijn uitkering wordt gekort vanwege de terugvordering. Volgens eiser is zijn situatie gelijk aan die in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 6 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3307.
3. De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder bij het bestreden besluit I alleen heeft beslist op het bezwaar van eiser tegen de arbeidsverplichting. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder beslist op het bezwaar tegen de ingangsdatum van de bijstandsuitkering.
Het in getrapte vorm beslissen op het bezwaar is echter in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gesteld noch gebleken is echter dat eiser daardoor in zijn belangen is geschaad zodat met toepassing van artikel 6:22 van de Awb aan deze getrapte besluitvorming geen verdere gevolgtrekkingen worden verbonden.
4. Met betrekking tot het geschil over de ingangsdatum van de uitkering overweegt de rechtbank als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 44, eerste lid, van de PW wordt, indien door het college is vastgesteld dat het recht op bijstand bestaat, de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak heeft een betrokkene in beginsel geen recht op bijstand indien en voor zover hij zich periodieke middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan, Dit kan anders zijn indien die betrokkene in een periode waarin hij geen bijstand of ander inkomen ontvangt, ter voorziening in zijn levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van leningen. Daartoe moet de betrokkene aannemelijk maken dat hij niet over ander inkomen kan beschikken en voorts dat het gaat om leningen die zijn verstrekt voor levensonderhoud. Daarvoor is van belang dat de betrokkene aannemelijk maakt van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag hij de lening heeft ontvangen, dat bij de betaling, en niet later, de afspraak is gemaakt dat het een lening betreft en dat die dus terugbetaald moet worden, en dat die lening voor levensonderhoud bedoeld is (uitspraak van 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3188).
4.3
De rechtbank stelt vast dat op 20 december 2018 € 1.000,- op de bankrekening van eiser is bijgeschreven met de vermelding ’Lening aan [eiser] ’. Dit bedrag is afkomstig van de rekening van zijn moeder. Pas een maand later, op 19 januari 2019, is tussen eiser en zijn moeder een geldleenovereenkomst opgemaakt. Deze overeenkomst vermeldt dat eind december 2018 een lening van € 1.000,- is verstrekt ter tijdelijke voorziening van de noodzakelijke kosten van het bestaan van eiser over de maand december 2018. Ook vermeldt de overeenkomst dat de lening in één termijn dient te worden terugbetaald zodra eiser weer beschikt over de middelen ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan.
De rechtbank steelt tevens vast dat eiser tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat hij in de periode van 6 december 2018 tot 20 december 2018 geleefd heeft van (een deel) van de bijstandsuitkering over november 2018 die aan het eind van die maand aan hem is uitgekeerd.
4.4.
De rechtbank overweegt dat uit de vermelding ‘Lening aan [eiser] ’ op het bankafschrift niet valt op te maken waarvoor de lening is bedoeld. Weliswaar is op 19 januari 2019 een geldleenovereenkomst tussen eiser en zijn moeder opgesteld, maar aan deze overkomst kan niet de waarde worden gehecht die eiser daaraan gehecht wenst te zien, De overeenkomst is achteraf opgemaakt. Daarbij is het maar de vraag of sprake is van een daadwerkelijke aflossingsverplichting nu de overeenkomst vermeldt dat eiser de € 1.000,- in één termijn dient terug te betalen zodra hij weer over middelen beschikt ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Gelet op de hoogte van de bijstandsuitkering zal eiser niet aan deze gestelde aflossingsverplichting kunnen voldoen. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij een deel van de op 20 december 2018 overgemaakte € 1.000,- heeft gebruikt om zijn huur te betalen. Het WhatsApp-bericht waarin eiser zijn moeder meedeelt dat hij zijn huur heeft betaald, is gedateerd op 23 augustus en ziet dus niet op een huurbetaling in december 2018. Dat eisers situatie gelijk zou zijn aan die van de belanghebbende in de door eiser aangehaalde uitspraak van de CRvB wordt door de rechtbank tot slot niet gevolgd. In die zaak was er een e-mailbericht met een aanbod van een lening voorafgaande aan de storting zelf, was er een verklaring van degene van wie de lening afkomstig was en was de lening ten tijde van de behandeling van de zaak al afgelost. Gelet op het vorenstaande moet geconcludeerd worden dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de lening gebruikt heeft voor de kosten van levensonderhoud en moet de gestelde lening als middel worden aangemerkt dat bij het vaststellen van het recht op bijstand over de maand december 2018 in aanmerking moest worden genomen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van D.M.M. Luijckx griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.