Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2019-06-21
ECLI:NL:RBNHO:2019:5293
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
2,949 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 17/3265 T
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 21 juni 2019 in de zaak tussen
[eiseres]
, te [woonplaats] , eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Laros-van der Jagt).
Procesverloop
Bij besluit van 8 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder een verzoek van eiseres op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk ingewilligd en gedeeltelijk afgewezen.
Bij besluit van 29 september 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Bij besluit van 7 december 2015 heeft verweerder dit besluit gewijzigd in die zin dat verweerder eiseres alsnog een deel van een door haar gevraagd document heeft verstrekt.
Bij uitspraak van 10 april 2017 (zaaknummer HAA 15/4373, ECLI:NL:RBNHO:2017:3815) heeft de rechtbank Noord-Holland het door eiseres hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 september 2015 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 7 december 2015 ongegrond verklaard.
Bij besluit van 20 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard, aan eiseres documenten verstrekt en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2018. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts zijn namens verweerder verschenen M.A. Jonker en C. Groenendijk, werkzaam bij de gemeente Haarlem en mr. C.A. Geleijnse, advocaat. Het beroep is ter zitting gezamenlijk behandeld met het beroep van eiseres met zaaknummer HAA 17/3850.
Overwegingen
1. Bij brief van 25 april 2015 heeft eiseres een verzoek op grond van de Wob bij verweerder ingediend. Zij heeft verweerder verzocht om toezending van een afschrift van de volgende documenten:
Een kopie van het document/rapport omtrent het intern onderzoek van K&C over IV en/of Masterplan Digitalisering in 2012 opgesteld door o.a. [naam 1] en [naam 2] ;
Een kopie van het volledige personeelsdossier van eiseres tussen maart 2011 en mei 2014;
Een kopie van alle e-mailwisselingen, verslagen en rapporten tussen acht koppels van (met naam genoemde van a tot en met h opgesomde) personen omtrent de afwezigheid, ziekte, functie als Security Officer, rechtspositie, re-integratie en ontslag van eiseres in de periode tussen 1 mei 2013 en 1 mei 2014.
In dit beroep is uitsluitend nog in geschil het verzoek van eiseres zoals genoemd onder punt 3 (hierna te noemen: de e-mailwisselingen).
2. In de uitspraak van deze rechtbank van 10 april 2017 heeft de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaard en ten aanzien van de e-mailwisselingen geoordeeld dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten per e-mailbericht of onderdeel daarvan een beoordeling te geven. Bovendien is de rechtbank na bestudering van de stukken niet gebleken dat een groot deel daarvan is opgesteld voor intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
3. In het bestreden besluit van 20 juni 2017 heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van eiseres en zich daarbij beperkt tot de e-mailwisselingen. Verweerder heeft alsnog een beoordeling verricht zoals aangegeven in de uitspraak van 10 april 2017. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder alsnog documenten aan eiseres verstrekt in geanonimiseerde vorm waarbij de namen en tot namen herleidbare gegevens zijn verwijderd. Per document is beoordeeld of de informatie op de grondslag van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob op deze wijze kon worden verstrekt. Verweerder heeft hierbij aangegeven dat er niet meer documenten zijn dan de documenten die bij het bestreden besluit aan eiseres, in geanonimiseerde vorm, zijn verstrekt.
4.1
Eiseres voert aan dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob vervatte belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de ambtenaren waarvan de namen in de e-mailberichten zijn vermeld, prevaleert boven het belang van openbaarmaking van die gegevens. Openbaarheid van de namen is van belang omdat eiseres zodoende kan bewijzen of er al dan niet meer e-mailberichten zijn.
Onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS; uitspraak van 13 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3002) stelt eiseres dat namen van ambtenaren die besluiten krachtens mandaat ondertekenen openbaar moeten worden gemaakt. De functies van de betrokken ambtenaren (gemeentesecretaris, locosecretaris, directielid, hoofdafdelingsmanager, afdelingshoofd) vallen binnen het mandaatbesluit. Op grond van deze rechtspraak hoeven volgens eiseres de namen in de e-mailberichten die zijn verstrekt niet geanonimiseerd te worden.
4.2
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van de overgelegde stukken.
De rechtbank is van oordeel dat openbaarmaking aan een ieder van de namen van de in de e-mailberichten betrokken ambtenaren de persoonlijke levenssfeer van deze ambtenaren te zeer raakt, zodat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van deze ambtenaren zich verzet tegen openbaarmaking van hun namen. Reeds nu de documenten waarop het bestreden besluit ziet e-mailberichten zijn en geen besluiten kan het standpunt van eiseres - namelijk dat getoetst moet kunnen worden of sprake is van een geldig mandaat - niet leiden tot een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.1
Eiseres voert aan - na kennis te hebben genomen van de alsnog aan haar verstrekte e‑mailberichten - dat verweerder niet alle documenten heeft verstrekt. Dit blijkt volgens eiseres onder meer uit de inhoud en context van de e-mailberichten. Zo zijn in e-mailberichten genoemde bijlagen niet verstrekt, ontbreekt beantwoording van gestelde vragen en wordt het vervolg van een conversatie niet verstrekt.
Eiseres stelt voorts dat, omdat haar verzoek e-mailberichten betreft die gaan over haar functioneren, re-integratie en ontslag waarover de betreffende functionarissen nauw contact moeten hebben gehad, er meer e-mailberichten moeten zijn in de door haar genoemde periode tussen 1 mei 2013 en 1 mei 2014. Zij merkt op dat er geen e-mailberichten zijn overgelegd die over haar gaan in relatie tot het PwC-rapport. Dat vindt zij opmerkelijk omdat het PwC rapport juist over eiseres en haar functioneren gaat. Eiseres acht het niet geloofwaardig dat er in het geheel geen e-mailwisselingen zijn over haar in relatie tot het PwC-rapport.
5.2
Volgens rechtspraak van de ABRvS (uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1494) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat documenten niet of niet meer onder hem berusten en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat documenten toch onder het bestuursorgaan berusten.
5.3.1
Ter zitting heeft verweerder verklaard dat het verzoek van eiseres niet is opgevat als tevens betrekking hebbend op e-mailwisselingen betreffende het PwC-rapport en dat derhalve niet is gezocht naar e-mailberichten tussen de genoemde personen over eiseres in relatie tot het PwC-rapport. De rechtbank volgt eiseres in haar betoog dat het functioneren van eiseres in haar functie als Security Officer een verband heeft met het PwC-rapport. De rechtbank is dan ook van oordeel dat e-mailwisselingen tussen genoemde personen over eiseres in relatie tot het PwC-rapport vallen onder de reikwijdte van het Wob-verzoek van eiseres. Verweerder heeft e‑mailwisselingen die daarop zien dan ook ten onrechte niet betrokken in het bestreden besluit. Gelet hierop acht de rechtbank het niet op voorhand uitgesloten dat zich onder verweerder nog dergelijke e-mailwisselingen bevinden.
5.3.2
De rechtbank volgt eiseres voorts in haar betoog dat ten onrechte bij e-mailberichten gevoegde bijlagen niet zijn verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat een bij een e-mailbericht gevoegde bijlage een integraal onderdeel uitmaakt van het betreffende e-mailbericht. Dit betekent dat bij e-mailberichten gevoegde bijlagen vallen onder het verzoek van eiseres. De rechtbank stelt vast dat uit in ieder geval één door verweerder verstrekt e-mailbericht blijkt dat daarbij een bijlage was gevoegd die geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. Ook op dit punt acht de rechtbank aannemelijk dat er meer documenten onder verweerder berusten.
5.3.3
De rechtbank volgt eiseres evenwel niet in haar aanname dat uit het enkele feit dat beantwoording van in e-mailberichten gestelde vragen ontbreekt, dan wel dat een vervolg van een conversatie ontbreekt, volgt dat er meer e-mailberichten onder verweerder berusten dan zijn verstrekt. Zonder nadere onderbouwing is dat een te vergaande conclusie. Immers is niet ondenkbaar dat een deel van de e-mailberichten thans niet meer is terug te vinden, of bijvoorbeeld mondeling is beantwoord.
5.3.4
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft e-mailwisselingen tussen genoemde personen betreffende eiseres en het PwC-rapport én voor zover sprake is van bijlagen die onderdeel uitmaken van verstrekte e-mailberichten, is genomen in strijd is met artikel 3 van de Wob. Het beroep van eiseres is in zoverre gegrond.
Procesverloop
10. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Dictum
De rechtbank:
- draagt verweerder op zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen drie weken, aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, voorzitter, en mr. J.J. Maarleveld en mr. S.M. van Velsen, leden, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2019.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.