Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2019-04-02
ECLI:NL:RBNHO:2019:2870
Bestuursrecht
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: HAA 19/1056 uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 april 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen de Stichting Beheer Multifunctioneel Centrum Nieuw Den Helder, te Den Helder, verzoekster (gemachtigde: mr. R. Muurlink), en de burgemeester van de gemeente Den Helder, verweerder (gemachtigde: R.H.J. Kwast en N. van Leeuwen). Bij besluit van 22 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeksters drank- en horecawetvergunning ingetrokken. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2019. Namens verzoekster zijn verschenen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2019. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening nu de drank- en horecawetvergunning reeds sinds 23 februari 2019 is ingetrokken en namens verzoekster is aangegeven dat daarvan schade wordt ondervonden in de vorm van verminderde inkomsten, welk gemis aan inkomsten bedreigend is voor haar voortbestaan. De omstandigheid dat inmiddels een nieuwe drank- en horecawetvergunning is aangevraagd en verweerder ook voornemens is deze te verlenen, doet aan het voorgaande niet af. De vergunning is immers nog niet verleend en zal op z’n vroegst worden verleend nadat het ontwerp daartoe gedurende zes weken na 1 april 2019 ter inzage heeft gelegen en daartegen geen zienswijzen zijn ingediend. 3.1 Op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b van de Dhw wordt een vergunning door de burgemeester ingetrokken, indien niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikelen 8 en 10 geldende eisen. Op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c van de Dhw wordt een vergunning door de burgemeester ingetrokken indien zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Op grond van artikel 31, tweede lid van de Dhw kan een vergunning door de burgemeester worden ingetrokken indien de vergunninghouder de bij of krachtens deze wet gestelde regels, dan wel de aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen, niet nakomt. 3.2 Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dhw is het verboden in een horecalokaliteit of op een terras alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse. Op grond van artikel 20, zesde lid, van de Dhw is het verboden in kennelijke staat van dronkenschap of kennelijk onder invloed van andere psychotrope stoffen dienst te doen in een slijtlokaliteit of horecalokaliteit. Op grond van artikel 4, derde lid, aanhef en onder a, van de Dhw hebben de in het eerste lid bedoelde regels in elk geval betrekking op de tijden gedurende welke in de betrokken inrichting alcoholhoudende drank mag worden verstrekt. In artikel 2:34b, eerste lid, van de Algemeen Plaatselijke Verordening van Den Helder (hierna: Apv) is bepaald dat paracommerciële rechtspersonen uitsluitend alcoholhoudende drank verstrekken van 12.00 uur tot maximaal 00.00 uur. Op grond van artikel 8, zesde lid, van de Dhw voldoen, indien een paracommerciële rechtspersoon het horecabedrijf uitoefent, ten minste twee leidinggevenden aan de bij of krachtens dit artikel gestelde eisen. 3.3 Ter invulling van zijn bevoegdheid tot handhavend optreden voert verweerder de “Beleidsregels Drank- en Horecawet (Handhavingsmatrix)” (hierna: de Beleidsregels). Uit de Beleidsregels volgt – kortgezegd – dat op de eerste constatering van een overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Dhw alsmede de eerste constatering van een overtreding van artikel 4, derde lid, aanhef en onder a, van de Dhw, bezien in samenhang met artikel 2:34b, eerste lid, van de Apv een schriftelijke waarschuwing volgt. Uit de Beleidsregels volgt verder dat op de eerste constatering van een overtreding van artikel 20, zesde lid, van de Dhw een schorsing van de vergunning volgt voor de duur van maximaal 12 weken. 4.1 De politie heeft in het proces-verbaal van bevindingen, ondertekend op 10 januari 2019, gerelateerd van hetgeen zich in de nacht van 1 op 2 december 2018 in en om het wijkcentrum heeft voorgedaan. Voor zover hier van belang, blijkt daaruit, kort samengevat, het volgende: Politiemedewerkers zijn omstreeks 2.40 uur bij het wijkcentrum aangekomen na een melding over een twist aldaar. Aangekomen bleek de meldster uit het wijkcentrum te zijn gezet door de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Een persoon die met de meldster naar buiten was gekomen, had een flesje bier in zijn handen waarvan hij aangaf dit te hebben gekocht in het wijkcentrum. Rond 3.40 uur zijn dezelfde politiemedewerkers opnieuw bij het wijkcentrum langsgegaan. De deur stond nog open en in het pand zaten ongeveer zes personen aan de bar te drinken. [naam 1] stond achter de bar en het duurde even voor hij doorhad dat de politie ter plaatse was. De politie nam hem apart en constateerde dat hij inwendig rook naar het gebruik van alcohol, onvast ter been stond, tegen de muur hing en met dubbele tong sprak. 4.2 Op grond van het proces-verbaal van bevindingen van de politie en naar aanleiding van dossieronderzoek heeft verweerder geconstateerd dat sprake is van overtredingen van artikel 13, eerste lid, van de Dhw, artikel 20, zesde lid, van de Dhw, artikel 4, derde lid, aanhef en onder a van de Dhw, bezien in samenhang met artikel 2:34b, eerste lid, van de Apv en overtreding van artikel 8, zesde lid van de Dhw. Verweerder heeft, na een daartoe strekkend voornemen, vervolgens het bestreden besluit genomen. 5.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster de overtredingen van artikel 4, derde lid, aanhef en onder a, van de Dhw bezien in samenhang met artikel 2:34b, eerste lid, van de Apv alsmede de overtreding van artikel 8, zesde lid, van de Dhw niet heeft bestreden. 5.2 Verzoekster betwist dat artikel 13, eerste lid, van de Dhw is overtreden nu zij geen alcohol heeft verkocht met het oogmerk om dit elders dan ter plaatse te laten nuttigen. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van verzoekster niet en is voorshands met verweerder van oordeel dat voor de vraag of sprake is van een overtreding van dit artikel, niet het oogmerk van de verkoop bepalend is, maar de feitelijke constatering dat het nuttigen van een door verzoekster verkochte consumptie elders heeft plaatsgevonden, hetgeen door haar niet is voorkomen. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder zich, gelet op hetgeen ten aanzien van [naam 1] is gerelateerd in het op ambtseed opgestelde proces-verbaal van bevindingen, op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 20, zesde lid, van de Dhw is overtreden. Aan de door verzoekster overgelegde verklaringen van onder meer mevrouw [naam 2] komt niet de betekenis toe die verzoekster daaraan hecht, nu deze niet objectief kunnen worden geacht. De omstandigheid dat van [naam 1] geen ademtest is afgenomen doet aan het door de politie gerelateerde evenmin afbreuk. 6. Niettegenstaande de juistheid van de aan verzoekster tegengeworpen overtredingen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert. Verweerder heeft in het bestreden besluit gewezen op door hem geconstateerde overtredingen en aangegeven dat “de ernst van de voorgaande overtredingen overschouwend en deze cumulerende, maken dat ik in lijn met mijn handhavingsbeleid de vergunning dien in te trekken”. In de Beleidsregels is, hetgeen ter zitting door verweerder is erkend, evenwel geen regeling neergelegd die ziet op de cumulatie van geconstateerde overtredingen en heeft verweerder ter zitting betoogd dat verweerder juist in afwijking van het beleid tot de intrekking van de vergunning is gekomen. De voorzieningenrechter ziet in de gebrekkige motivering van het bestreden besluit evenwel geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, nu die omissie in de te nemen beslissing op bezwaar kan worden hersteld. 7. Ook overigens ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daartoe is het volgende redengevend.