Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2017-11-21
ECLI:NL:RBNHO:2017:9777
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummers: HAA 17/4364 en HAA 17/4365 uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 november 2017 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, te Haarlem, verzoekster (gemachtigde: mr. drs. J.L. Damen) en het college van burgemeester en wethouders van Hollands Kroon, verweerder (gemachtigde: mr. J. Gundelach). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: NL-Vastgoed Agriport B.V. , te Maasdijk, gemachtigde: mr. J.A. de Waard. Procesverloop Bij besluit van 7 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een logiesgebouw met kantoor, winkel en bijeenkomstruimte op het perceel [perceel] . Bij besluit van 12 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2017. Verzoekster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en drs. P.J.P. Ruber. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van M. van Munster, mr. R. Bergman en ir. D. Treffers. Derde-partij is vertegenwoordigd door haar directeur [naam] , bijgestaan door haar gemachtigde. Overwegingen 1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. 2.1 Met het primaire besluit heeft verweerder aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een logiesgebouw met winkel, kantoor en bijeenkomstruimte op het perceel [perceel] . De werklocatie Agriport omvat twee bedrijventerreinen en een glastuinbouw concentratielocatie. Op deze locatie werkt een groot aantal tijdelijke arbeidskrachten. Het onderhavige bouwplan is een initiatief om te komen tot een adequate oplossing voor de huisvestingsproblematiek van tijdelijke arbeidsmigranten, die werken op de locatie Agriport. Het logiesgebouw voorziet in 180 woonunits en biedt plaats aan maximaal 360 tijdelijke arbeidskrachten. Het bouwplan ligt in het bestemmingsplan Agriport 1, vastgesteld op 20 september 2016 door de raad van de gemeente Hollands Kroon, en heeft de bestemming ‘Enkelbestemming Bedrijventerrein’, ‘Dubbelbestemming Waarde-Archeologie’, ‘Functieaanduiding specifieke vorm van bedrijventerrein – ondersteunende voorzieningen’, Functieaanduiding bedrijf tot en met categorie 5.1’ en ‘Gebiedsaanduiding geluidzone – industrie’. Het bestemmingsplan is onherroepelijk komen vast te staan. 2.2 Het primaire besluit heeft betrekking op de activiteiten bouwen, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsvergunning (Wabo) en planologisch strijdig gebruik, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo. Verweerder heeft bepaald dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. 2.3 Voor de activiteit bouwen heeft verweerder het plan getoetst aan de criteria van artikel 2:10 van de Wabo en geconcludeerd dat er op grond van de uitkomst van deze toetsing geen aanleiding is om de omgevingsvergunning te weigeren. 2.4 Omdat het plan niet voldoet aan artikel 8.1.1 van de planregels van het bestemmingsplan, is de aanvraag op grond van artikel 2:10, tweede lid van de Wabo ook als een verzoek om af te wijken van het bestemmingsplan aangemerkt. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1˚, van de Wabo in samenhang met artikel 8, vijfde lid, onder d, van de planregels heeft verweerder bepaald dat van de regels in het bestemmingsplan kan worden afg Het spoedeisend belang is volgens verzoekster erin gelegen dat de bouwwerkzaamheden reeds zijn aangevangen, hetgeen onomkeerbare gevolgen heeft. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij ten onrechte niet als belanghebbende is aangemerkt bij de verlening van de omgevingsvergunning. Zij wijst op artikel 1:2, tweede lid, van de Awb en stelt dat onder aan het bestuursorgaan toevertrouwde belangen kan worden verstaan een provinciaal (ruimtelijk) belang, waarbij bepalend is of het belang zich leent voor behartiging op provinciaal niveau vanwege de daaraan klevende bovengemeentelijke aspecten. Dit dient volgens verzoekster marginaal te worden getoetst. 5.2 De voorzieningenrechter overweegt daaromtrent als volgt. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge artikel 1:2, tweede lid, van de Awb worden ten aanzien van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd. In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, 1988-1989, 21 221, nr. 3, p. 34) is inzake artikel 1:2, tweede lid, van de Awb vermeld dat de vraag of kan worden gesproken van een aan een bestuursorgaan toevertrouwd belang, moet worden beoordeeld aan de hand van de taken die aan het bestuursorgaan zijn opgedragen, waarbij in de eerste plaats de wetgeving bepalend is. Bepalend in deze zaak is dan ook de vraag of sprake is van een aan verzoekster concreet toevertrouwd belang dat met de verlening van de onderhavige omgevingsvergunning rechtstreeks wordt geraakt. De bestuursrechter toetst dit niet marginaal, maar vol. 6.1 Verzoekster heeft omtrent het aan haar toevertrouwd belang gewezen op de structuurvisie Noord-Holland 2040. Daarin is het uitgangspunt van zorgvuldig ruimtegebruik opgenomen, waarbij de provincie specifiek voor bedrijventerreinen een programmatisch belang ziet, namelijk een goede aansluiting van aanbod en vraag en voldoende vestigingsruimte voor bedrijven met grote milieuhinder en/of veiligheidsrisico’s. Dit programmatisch belang is nader uitgewerkt in de artikelen 11 en 12 van de vorige, ten tijde van de aanvraag geldende PRV. In deze artikelen is een verbod tot aanleg van nieuwe bedrijventerreinen neergelegd en een regeling opgenomen voor het beschikbaar houden van voldoende bedrijventerrein voor specifieke milieubelastende bedrijfssoorten. Agriport is een regionaal bedrijventerrein van bovengemeentelijk belang, dat is bedoeld voor grootschalige bedrijfsvestiging, ook in hogere milieucategorieën. Het toestaan van een logiesaccommodatie op dit terrein heeft direct consequenties voor de genoemde programmatische belangen, omdat die gronden dan niet meer beschikbaar zijn voor bedrijfsbestemming en dit kan leiden tot beperkingen in de vestigingsmogelijkheden voor bedrijven met grote milieuhinder en/of veiligheidsrisico’s. 6.2 Het van toepassing zijnde bestemmingsplan ‘Agriport 1’ is onherroepelijk. Het bestemmingsplan is dan ook een gegeven. In dit bestemmingsplan is een gedeelte van de gronden, gelegen aan de rand van het bedrijventerrein, aangeduid als ‘gebied voor ondersteunende voorzieningen’. Op deze gronden, waar ook het logiescentrum is beoogd, zijn reeds een truckwash en restaurant gelegen. Dat de onderhavige omgevingsvergunning direct gevolgen heeft voor de programmatische provinciale belangen uit artikel 11 en 12 van de ten tijde van de aanvraag om een omgevingsvergunning geldende PRV, volgt de voorzieningenrechter niet. Het bouwplan, waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, is immers gelegen in een gebied voor ondersteunende voorzieningen, zodat deze omgevingsvergunning geen directe gevolgen heeft voor de vestiging van bedrijven met grote milieuhinder en/of veiligheidsrisico’s. Dat op de locatie van het bouwplan geen bedrijven met een zwaardere milieucategorie kunnen vestigen is inherent aan het bestemmingsplan en niet het gevolg van de onderhavige omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het