Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2017-11-07
ECLI:NL:RBNHO:2017:9499
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: HAA 17/2092 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2017 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: M.H. van Raay), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon , verweerder. Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] , te [woonplaats] , gemachtigde: mr. Th.C.J. Kaandorp. Procesverloop Bij besluit van 10 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om handhavend op te treden in verband met rookoverlast van de houtkachel van de derde-partij afgewezen. Bij besluit van 28 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 3 juli 2017 heeft de derde-partij een schriftelijke uiteenzetting ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door B. van Yperen en P. [naam 4] . Derde-partij is verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Overwegingen 1. Bij brief van 2 december 2016 heeft eiser een handhavingsverzoek ingediend bij verweerder. Eiser, die schuin achter de derde-partij woonachtig is, stelt ernstige rookoverlast en geurhinder te ervaren als gevolg van de houtkachel van de derde-partij. Met het primaire besluit heeft verweerder het verzoek afgewezen. Er zijn tussen 8 december 2016 en 10 januari 2017 diverse controles uitgevoerd en in geen van de gevallen kon rookoverlast of geurhinder door verweerder worden geconstateerd. 2. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Daarbij is verweerder afgeweken van het advies van de commissie bezwaarschriften, die adviseerde het bezwaar gegrond te verklaren, omdat er te weinig controles zijn uitgevoerd, de uitgevoerde controles onzorgvuldig zijn uitgevoerd en omdat er geen nader onderzoek is gedaan bij eiser om na te gaan op welke momenten de hinder en overlast worden ondervonden, zodat de controles hierop afgestemd konden worden. Verweerder stelt dat hij op basis van de uitgevoerde controles op verschillende tijdstippen voorafgaand aan het primaire besluit voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) stelt verweerder dat vijf controles voldoende zijn om het besluit op te baseren. Op de hoorzitting is voorts een toelichting gegeven door de toezichthouder met betrekking tot de wijze van controleren, alsmede met welke directe buren de toezichthouder nog meer contact heeft gehad over deze kwestie. Gelet op de negen controles die uiteindelijk hebben plaatsgevonden, waarbij geen zichtbare rook uit de schoorsteen is waargenomen en geen rookoverlast is geconstateerd, en nu geen van de buren heeft aangegeven overlast te ervaren van de houtkachel van de derde-partij, meent verweerder dat hij van handhaving kon afzien. 3. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder jegens zijn inwoners een zorgplicht heeft, onder meer betreffende hun gezondheid. Op basis mede hiervan heeft de Afdeling geoordeeld dat er voor een bestuursorgaan beginselplicht tot handhavend optreden bestaat. Bij overtreding is verweerder verplicht om handhavend op te treden, aldus eiser. Op basis van het rapport ‘Woodsmoke health effects: a review’ van Luke P. Naeher, alsmede een groot aantal andere bronnen die eiser heeft aangehaald, stelt eiser dat houtrook schadelijk is voor de gezondheid en minstens vijf kankerverwekkende bestanddelen bevat. Volgens eiser stookt de derde-partij reeds jarenlang op een dusdanige manier dat hij gemiddeld acht maanden per jaar stankoverlast ervaart in de zin van artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Eiser ondervindt hier ook gezondheidsklachten va Op grond van artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012, is het, onverminderd het bij of krachtens dit besluit of de Wet milieubeheer bepaalde, verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor: a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid; b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein; c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein, of d. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt. 5. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:444) zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 6.1 De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of in het onderhavige geval sprake is van overtreding van een wettelijk voorschrift, in dit geval artikel 7.22 van het Bouwbesluit. In dit kader is relevant de vraag of het gebruik van de houtkachel door de derde-partij tot gevolg heeft dat op een hinderlijke en of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid. 6.2 Voor het gebruik van houtkachels en haarden ontbreekt landelijke regelgeving. Zoals de Afdeling herhaaldelijk heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 17 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2226) bestaan er geen algemeen aanvaarde inzichten over de beantwoording van de vraag of, en zo ja, onder welke omstandigheden en bij welke frequentie, rook afkomstig van gebruik van een houtkachel schade aan de mens toebrengt. De Wet milieubeheer, in het bijzonder bijlage 1 van die wet, die grenswaarden bevat voor fijnstof (PM10 en PM2,5), geeft evenmin uitsluitsel daarover. 6.3 Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van het op hinderlijke of schadelijke wijze verspreiden van stank of rook heeft een toezichthouder in dienst van verweerder diverse controles uitgevoerd. Toezichthouder [naam 4] heeft toegelicht dat de onderhavige locatie ligt op de route die hij vrijwel dagelijks rijdt van en naar het werk. Hoewel hij daarbij ook meerdere keren is uitgestapt om te kijken of een rookgeur kon worden waargenomen en of er rook uit de schoorsteen kwam van de derde-partij – hetgeen nimmer het geval was – vervat [naam 4] deze beschouwingen niet onder zijn officiële controles. De controles die hij op locatie heeft gedaan, waren zowel bij eiser thuis, als op het adres van de derde-partij en door ter plaatse een ronde te maken. In het rapport van [naam 4] over deze controlebezoeken valt te lezen dat op 8 december 2016 een controle plaatsvond op het adres van de derde-partij. [naam 4] heeft daarbij vastgesteld dat het rookkanaal en de -afvoer geheel aan het Bouwbesluit voldoen en dat in het rookkanaal nog een katalysator zit, die de afvoergassen wat filtert. De haard brandde op dat moment en volgens [naam 4] werd op een goede manier gestookt met volledige verbranding, omdat de ruitjes van de haard glashelder waren en niet beroet. Het gestookte hout bleek droog en onbehandeld. Tijdens controles op 21 december 2016 om 15.35 uur, 29 de