Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2017-11-10
ECLI:NL:RBNHO:2017:9281
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 16/3292 uitspraak van de meervoudige kamer van 10 november 2017 in de zaak tussen Koninklijke Luchtvaart Maatschappij NV, te Amstelveen, eiseres (gemachtigden: mr. P.V. Eijsvoogel en mr. D.M. Coumans), en Stichting Airport Coordination Netherlands, verweerder (gemachtigde: mr. A.H. Gaastra en mr. drs. F.J. Webbink). Procesverloop Verweerder heeft bij e-mail van 30 maart 2016 (het primaire besluit) het door eiseres en Malaysian Airlines (hierna: MH) ingediende verzoek om bevestiging van een “slot-swap” afgewezen (“request refused”). Bij brief van 30 mei 2016, verzonden per e-mail op 10 juni 2016 (het bestreden besluit I), heeft verweerder het verzoek van eiseres om heroverweging van het primaire besluit afgewezen. Eiseres heeft hiertegen op 19 juli 2016 beroep ingesteld. Verweerder heeft bij besluit van 14 oktober 2016 (het bestreden besluit II) het bestreden besluit I ingetrokken en eiseres niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar gericht tegen het primaire besluit. Op 2 november 2016 heeft eiseres gereageerd op het bestreden besluit II. De rechtbank heeft het beroep op 7 september 2017 op zitting behandeld. Namens eiseres zijn verschenen mr. [naam 1] en mr. [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigden mr. P.V. Eijsvoogel en mr. W.E. Mink. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door C.A.L.C. Ditvoorst, en J. van der Klugt, beiden werkzaam bij verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigden. Overwegingen Relatieve bevoegdheid 1. Eiseres is statutair gevestigd in Amstelveen. Gelet hierop is op grond van het bepaalde in artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtbank Amsterdam bevoegd om het beroep te behandelen. De rechtbank Noord-Holland heeft met toestemming van partijen en de rechtbank Amsterdam besloten om in dit geval aan het bepaalde in artikel 8:7 van de Awb voorbij te gaan, de behandeling van het beroep aan zich te houden, omdat doorzending van het beroep ter verdere behandeling door de rechtbank Amsterdam naar verwachting aanzienlijke vertraging met zich mee zal brengen. De rechtbank gaat er onder voornoemde omstandigheden met partijen van uit dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze uitspraak met toepassing van het bepaalde in artikel 8:117 van de Awb zal aanmerken als bevoegdelijk gedaan. Toepassing 6:19 Awb 2.1 Eiseres en MH hebben op 25 maart 2016 bij verweerder een formeel verzoek ingediend om bevestiging van de ruil van een aantal dagslots voor de zomer van 2016 van eiseres tegen een aantal nachtslots voor de zomer van 2016 van MH. Verweerder heeft dit verzoek in het primaire besluit afgewezen (“request refused”). 2.2 Volgens verweerder heeft eiseres met het beroepschrift van 19 juli 2016 voor het eerst te kennen gegeven bezwaren te hebben tegen dit primaire besluit en heeft het beroepschrift dan ook als bezwaarschrift aangemerkt. Omdat het bezwaarschrift is ingediend op 19 juli 2016 en dus ruim na het verstrijken van de bezwaartermijn van 6 weken, heeft verweerder dit bezwaarschrift met het bestreden besluit II, onder intrekking van het bestreden besluit I, niet-ontvankelijk verklaard. 2.3 Omdat met het bestreden besluit II het bestreden besluit I is ingetrokken zal de rechtbank het beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I met toepassing van artikel 6:19 van de Awb mede aanmerken als te zijn gericht tegen het bestreden besluit II. Het bestreden besluit II 3.1 Met betrekking tot het beroep gericht tegen het bestreden besluit II overweegt de rechtbank als volgt. 3.2 De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit II een beslissing op bezwaar betreft. Verweerder heeft met dit besluit beslist als ware het beroepschrift van eiseres een bezwaarschrift. Het beroepschrift is ingediend bij de rechtbank en de rechtbank heeft het beroepschrift niet ter verdere behandeling als bezwaarschrift aan verweerder doorgezonden als bedoeld in artikel 6:15, eerste lid, van de Awb. De rechtb 5.3 Artikel 8bis, eerste lid, aanhef en onder c, van de Slotverordening luidt als volgt: Slots mogen tussen luchtvaartmaatschappijen worden uitgewisseld op basis van een slot voor een slot. Het tweede lid luidt als volgt: De in lid 1 bedoelde overdrachten of uitwisselingen worden ter kennis van de coördinator gebracht en treden niet in werking voordat zij uitdrukkelijk door de coördinator zijn bevestigd. De coördinator bevestigt de overdrachten of uitwisselingen niet, wanneer zij niet aan de voorwaarden van deze verordening voldoen en hij er niet van overtuigd is dat: de luchtvaartexploitatie niet wordt geschaad, rekening houdend met alle technische, operationele en milieubeperkingen; de overeenkomstig artikel 9 opgelegde beperkingen worden nageleefd; lid 3 niet van toepassing is op een slotoverdracht 5.4 Artikel 8.5.1 van de WSG luidt als volgt: Airlines may only hold slots that they intend to operate, transfer, exchange or use in shared operation. Artikel 8.15.1 van de WSG luidt als volgt: An airline that ceases operations at an airport must immediately return all of the slots allocated to it for the remainder of the season and for the next season (if already allocated), and advise the coördinator whether or not it will use the slots in the future. 5.5 Verweerder heeft de weigering om de slotruil te bevestigen in het bestreden besluit I gemotiveerd door - kort samengevat - te stellen dat uitwisselen van slots in principe mogelijk is, maar dat KLM genoeg nachtslots heeft en dat er daarom geen noodzaak voor eiseres is om de nachtslots van MH voor eigen gebruik in te zetten. De rechtbank stelt vast dat deze motivering, gelet op de toepasselijke regelgeving, niet als grondslag kan dienen voor de weigering om de ruil te bevestigen. De beroepsgrond van eiseres, waarin het voormelde betoogd wordt, slaagt dan ook. 5.6 Verweerder heeft de weigering de ruil te bevestigen in beroep van een nadere motivering voorzien. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting onder meer gesteld dat de door eiseres en MH voorgestane ruil van de slots vanwege het bepaalde in artikel 8:15.1, eerste lid, van de WSG niet mogelijk was. Daarom is niet voldaan aan de voorwaarde neergelegd in artikel 8bis, eerste lid, aanhef en onder c, van de Slotverordening, hetgeen ingevolge het tweede lid van die bepaling aan de bevestiging van de slotruil in de weg staat. 5.7 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat uit het bepaalde in de artikelen 8.5.1 en 8.15.1 van de WSG, in samenhang bezien, volgt dat luchtvaartmaatschappijen slots mogen houden als de intentie bestaat om ze te gebruiken (al dan niet in een shared operation), over te dragen of te ruilen, tenzij de houder van de slots alle activiteiten op het vliegveld waarop de slots betrekking hebben staakt. In dat geval moeten de slot immers direct worden teruggeven. De stelling van eiseres dat een luchtvaartmaatschappij slots altijd onder zich mag houden, zolang de intentie bestaat om ze te ruilen, volgt de rechtbank daarom niet. 5.8 De rechtbank stelt vast dat MH per e-mail van 20 januari 2016 aan verweerder heeft aangegeven dat ze “have to suspend current operations to Netherlands (7x weekly KUL-AMS vv service).”. De rechtbank kan verweerder volgen in de stelling dat MH hiermee te kennen heeft gegeven alle activiteiten op Schiphol te staken. De stelling van eiseres dat met code-sharing MH zijn activiteiten niet heeft gestaakt, volgt de rechtbank niet. Het betreft hier immers alleen het gebruik door eiseres van vluchtnummers van MH. De activiteiten van MH op Schiphol zijn echter geheel gestaakt. 5.9 Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt gesteld dat de door eiseres voorgestane ruil als bedoeld in artikel 8.5.1, eerste lid, van de WSG op grond van het bepaalde in artikel 8.15.1 van de WSG niet was toegestaan en dat MH gehouden was haar slots onmiddellijk aan de slotcoördinator te retourneren. Dit is ook door verweerder aan MH verzocht