Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2017-10-27
ECLI:NL:RBNHO:2017:9250
Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem zaaknummer: HAA 14/2489 uitspraak van de meervoudige kamer van 27 oktober 2017 in de zaak tussen [X ] ., te [Z] , eiseres (gemachtigde: mr. S.A. Verburg), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft voor het tijdvak maart 2013 aangifte loonheffingen gedaan. Het afgedragen bedrag van € [€ -,- 1] bestond voor € [€ -,- 2] uit de zogenoemde pseudo-eindheffing hoog loon (hierna: crisisheffing). Tegen de afdracht van dit bedrag heeft eiseres bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2017 te Haarlem. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.R. Mohamed Hoesein. Overwegingen Feiten 1. Volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel is eiseres een [A] . Eiseres is 100% aandeelhouder van een vijftal besloten vennootschappen waarmee zij een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting vormt. Eiseres vormt met deze vennootschappen en een andere rechtspersoon een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. 2. Eiseres had in 2012 [#] personeelsleden in dienst met een loon hoger dan € 150.000 per jaar. De door eiseres op aangifte afgedragen crisisheffing over het tijdvak maart 2013 bedraagt € [€ -,- 2] . Eiseres heeft in 2012 aan de heer [B] , een [c] die van [.. 1] tot en met [.. 2] voor eiseres werkzaam is geweest, een vergoeding van € [€ -,- 3] uitbetaald en in de loonadministratie verwerkt. Deze vergoeding ziet op een op [...] 2007 overeengekomen garantieregeling inzake de 30%-regeling. 3. Per [.. 8] 2008 heeft eiseres een schuld aan de heer [B] opgenomen van € [€ -,- 4] . In het jaarverslag 2010/2011 wordt ter toelichting opgemerkt: “ [B] is op [.. 3] benoemd tot [G] . Vanaf [.. 1] tot en met [.. 4] is [B] werkzaam geweest als [c] van [C] van [X ] . In verband met het uiteindelijk niet kunnen toepassen van een fiscale regeling in de periode als [c] is door de vennootschap een benodigde reservering van EUR [€ -,- 5] miljoen opgenomen per [.. 9] 2011 (per [.. 10] 2010 EUR [€ -,- 5] miljoen) voor het mogelijk bruteren van het ontstane verschil in het netto salaris aan [B] .” 4. De door de fiscale eenheid in de aangiften vennootschapsbelasting aangegeven winstreserves, (netto) omzet, personeels- en andere kosten en resultaten zijn voor de boekjaren 2010/2011 tot en met 2012/2013 als volgt: 07/2010-06/2011 07/2011- 06/2012 07/2012-06/2013 Winstreserves € [€ -,- 6] [€ -,- 7] [€ -,- 8] Ondernemingsvermogen € [€ -,- 9] [€ -,- 10] [€ -,- 11] Bedrijfsopbrengsten € [€ -,- 12] [€ -,- 13] [€ -,- 14] Grondstofkosten € [€ -,- 17] Personeelskosten € [€ -,- 15] [€ -,- 16] [€ -,- 18] Afschrijvingen € [€ -,- 19] [€ -,- 20] [€ -,- 21] Overige bedrijfskosten € [€ -,- 22] [€ -,- 23] [€ -,- 24] Saldo fin. baten en lasten € [€ -,- 25] [€ -,- 26] [€ -,- 27] Resultaat uit deelnemingen € [€ -,- 29] Buitengewone resultaten € [€ -,- 28] [€ -,- 30] [€ -,- 31] Saldo fiscale winstberekening € [€ -,- 32] [€ -,- 33] [€ -,- 34] 5. De omzet exclusief omzetbelasting van de fiscale eenheid bedraagt in de jaren 2010 tot en met 2013: 2010 2011 2012 2013 Omzet € [€ -,- 35] [€ -,- 36] [€ -,- 37] [€ -,- 38] 6. Het door eiseres aangegeven loon en de ingehouden loonheffing bedragen: 2010 2011 2012 2013 Loon € [€ -,- 39] [€ -,- 40] [€ -,- 41] [€ -,- 42] Loonheffing € [€ -,- 43] [€ -,- 44] [€ -,- 45] [€ -,- 46] Geschil 7. Tussen partijen is in geschil of eiseres gehouden is de crisisheffing af te dragen. Meer in het bijzonder is in geschil: - of de crisisheffing in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en d De rechtbank begrijpt het standpunt van eiseres aldus dat zij meent dat zij is geconfronteerd met een substantieel bedrag aan te betalen crisisheffing en dat zij het in het bijzonder als onrechtvaardig beschouwt dat zij in verhouding tot andere werkgevers zoveel crisisheffing moet betalen. Naar het oordeel van de rechtbank is bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een individuele buitensporige last niet doorslaggevend dat sprake is van een in absolute zin hoog belastingbedrag (zie Hoge Raad 20 juni 2014, nr. 13/01431, ECLI:NL:HR:2014:1463) of dat van eiseres een hoger bedrag dan gemiddeld wordt geheven. Er dient sprake te zijn van bijzondere, niet voor alle [A] geldende feiten en omstandigheden, die voor eiseres een buitensporige last teweegbrengen (vergelijk HR 17 maart 2017, nr. 15/04187, ECLI:NL:HR:2017:442). Dat eiseres harder door de crisisheffing wordt geraakt dan andere werkgevers, is inherent aan de vormgeving van de crisisheffing waarvoor de wetgever gekozen heeft, welke vormgeving binnen de aan de wetgever toekomende beoordelingsmarge valt (zie overweging 13). Tijdens het wetgevingsproces is aandacht besteed aan de gevolgen van de crisisheffing voor [A] (bijv. Handelingen I, 2011/12, vergadering 9 juli 2012, nr. 37, item 2, en de reactie van de staatssecretaris van Financiën tijdens diezelfde vergadering, item 7, p. 63). Gelet op het voorgaande is het de vraag of er bijkomende omstandigheden zijn die – in samenhang met de hiervoor genoemde omstandigheden – maken dat sprake is van individuele en buitensporige last in het geval van eiseres. 14. De rechtbank is van oordeel dat bij de toetsing of sprake is van een individuele buitensporige last, alle (relevante) feiten en omstandigheden van belang zijn. Het gaat bij de beoordeling of een belastingplichtige buitensporig wordt geraakt door een belastingmaatregel immers om het effect van die maatregel op diens totale financiële situatie. De rechtbank is voorts van oordeel dat bij de toets of sprake is van een individuele buitensporige last niet alleen moet worden gekeken naar het jaar waarop de crisisheffing betrekking heeft, maar ook naar de daaropvolgende jaren, zodat de mogelijke gevolgen van de desbetreffende maatregel voor de bedrijfsvoering en continuïteit beoordeeld kunnen worden. Uit het overzicht opgenomen in overweging 3 blijkt dat het ondernemingsvermogen in de boekjaren 2010/2011, 2011/2012 en 2012/2013 respectievelijk € [€ -,- 9] , € [€ -,- 10] en € [€ -,- 11] beliep. Het vermogen van eiseres is dus ondanks de crisisheffing gegroeid in die jaren, zodat niet gebleken is dat de crisisheffing een excessieve last voor eiseres vormt. 15. De rechtbank komt, het geheel overziend, tot de slotsom dat de crisisheffing in relatieve en absolute zin niet dermate omvangrijk is dat zij in de omstandigheden van het geval als een individuele buitensporige last kan worden aangemerkt die tot gevolg heeft dat de crisisheffing (gedeeltelijk) niet van haar eiseres kan worden (na)geheven. Artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR 16. Eiseres heeft aangevoerd dat de crisisheffing in strijd is met artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR. 17. De Hoge Raad heeft in voormelde arresten geoordeeld dat de crisisheffing niet discriminerend is in de zin van artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR. In hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Garantieregeling 18. Eiseres meent dat de uitbetaalde vergoeding aan de heer [B] niet tot de grondslag van de pseudo-eindheffing hoog loon behoort, en voert daartoe het volgende aan. De dienstbetrekking is reeds op [.. 11] 2008 beëindigd. De schuld aan de heer [B] is per deze datum gepassiveerd op de balans. De toepasselijkheid van de 30%-regeling is door eiseres in 2007 gegarandeerd, en deze garantieregeling kon worden ingeroepen op het moment dat definitief was dat de heer [B] daarvoor niet aanmerking kwam. De afwijzing van het verzoek om toepassing v