Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2017-11-07
ECLI:NL:RBNHO:2017:9248
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: HAA 17/1886 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2017 in de zaak tussen [eisers] , te [woonplaats] , eisers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon , verweerder (gemachtigde: J. Benz). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] , te [woonplaats] . Procesverloop Bij besluit van 15 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om op grond van artikel 3.14a, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit), maatwerkvoorschriften te stellen voor twee windturbines, gelegen aan de [adressen] , afgewezen. Bij besluit van 1 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, alsmede een nader onderzoeksrapport. Eisers hebben op 24 augustus 2017 een nader stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2017. Eisers zijn verschenen, vergezeld van [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 2] en [naam 3] . Overwegingen 1. Op grond van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, voldoet een windturbine of een combinatie van windturbines ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen, tenzij deze zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein, en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein. Op grond van artikel 3.14a, tweede lid, van het Activiteitenbesluit, kan, onverminderd het eerste lid, het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift teneinde rekening te houden met cumulatie van geluid als gevolg van een andere windturbine of een andere combinatie van windturbines, normen met een lagere waarde vaststellen ten aanzien een van de windturbines of een combinatie van windturbines. 2.1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De afstand tussen de woning van eisers en de windturbine aan de [adres 1] is ongeveer 230 meter. Voor deze windturbine is op 23 januari 2001 een vergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend. Op 6 maart 2016 is op grond van het Activiteitenbesluit een melding gedaan voor het vervangen van de windturbine aan de [adres 1] voor een van het type [type windturbine 1] . Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was de windturbine aan de [adres 1] nog niet vervangen. De afstand tussen de woning van eisers en de windturbine aan de [adres 2] is ongeveer 340 meter. Voor deze windturbine is op 11 januari 2013 een melding op grond van het Activiteitenbesluit gedaan. 2.2 Bij brief van 17 mei 2016 hebben eisers verweerder verzocht op grond van artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de windturbines vanwege de cumulatie van geluid ervan. 2.3 Verweerder heeft het verzoek van eisers beschouwd als te zijn gedaan op grond van het tweede lid van artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit. Verweerder heeft vervolgens bij brief van 7 juli 2016 aan eisers meegedeeld dat hij voornemens is hun verzoek af te wijzen. Bij brief van 19 juli 2016 hebben eisers tegen het voornemen een zienswijze ingebracht. Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen, welk besluit hij bij het bestreden besluit heeft gehandhaafd. 3. De rechtbank stelt vast dat eisers verweerder in hun brief van 17 mei 2016 tevens hebben verzocht om (productie)gegevens van de windturbines en dat eisers in hun zienswijze van 19 juli 2016 verweerder (ook) hebben verzocht maatwerkvoorschriften ten aanzien van de windturbines te stellen op grond van het derde lid van artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij afzonderlijke besluiten heeft genomen op deze twee verzoeken v 6.5 Geconcludeerd moet dan ook worden dat de onderbouwing van verweerder in het bestreden besluit voor de stelling dat voor de overdrachtsberekeningen gebruik kon worden gemaakt van het spectrum van de [type windturbine 2] turbine onvoldoende was. 6.6 De beroepsgrond slaagt. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt wegens strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde motiveringsbeginsel voor vernietiging in aanmerking. 7. De rechtbank zal bezien of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten. 8. Hangende beroep heeft verweerder het rapport “Onderzoek akoestisch en slagschaduw windturbine [adres 1] te [plaatsnaam] ” van [naam bedrijf] van 16 augustus 2017 overgelegd. Eerst met het overleggen van dit rapport heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk gemaakt dat de twee typen windturbines wat betreft de geluidbelasting vergelijkbaar zijn. In het nieuwe rapport wordt namelijk, evenals in het rapport van 20 april 2016, geconcludeerd dat aan de norm van het eerste lid van artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit wordt voldaan. 9.1 Met betrekking tot het betoog van eisers dat in het rapport van onjuiste, niet te controleren theoretische gegevens is uitgegaan overweegt de rechtbank als volgt. 9.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat het aan eisers is aan te tonen dat de door de derde-partij overgelegde theoretische gegevens niet kloppen. Indien eisers niet het tegendeel bewijzen, mag hij van de door de derde-partij overgelegde theoretische gegevens uitgaan. Verweerder is van mening dat eisers in dit bewijs niet zijn geslaagd. Uit de door eisers overgelegde resultaten van de door hen uitgevoerde geluidsmetingen blijkt namelijk niet dat deze metingen volgens de daarvoor geldende regels zijn uitgevoerd. Derhalve zijn deze gegevens niet representatief. Ter zitting heeft verweerder verder verklaard dat het gebruikelijk is in de praktijk uit te gaan van fabrieksgegevens en op basis daarvan een inschatting te maken. Als in de praktijk blijkt dat de uitkomsten anders zijn dan op basis van de theoretische gegevens is ingeschat, vormt een eventueel handhavingstraject een correctiemogelijkheid. 9.3 De rechtbank is van oordeel dat verweerder, mede gelet op het feit dat de conclusies van het rapport van 20 april 2016 over het cumulatieve geluidsniveau op de gevel van de woning van eisers worden bevestigd door het rapport van 16 augustus 2017, van de gegevens van voornoemde onderzoeksrapporten uit mocht gaan. De door eisers uitgevoerde geluidsmeting maakt dit niet anders. Daargelaten of eisers hun metingen overeenkomstig de daarvoor geldende regels hebben uitgevoerd, zien deze metingen niet op de situatie waarin de windturbine aan de [adres 1] is vervangen. Dit kan ook niet, omdat de windturbine aan de [adres 1] nog niet is vervangen. Voor zover eisers met de door hun uitgevoerde metingen wilden aantonen dat de door de derde-partij overgelegde gegevens niet kloppen, hebben zij dat met de overgelegde meetresultaten dus niet aannemelijk kunnen maken. Een contra-expertisehebben eisers niet overgelegd. Ook in hetgeen eisers verder hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het systeem dat verweerder hanteert onjuist te achten. Verweerder is derhalve terecht uitgegaan van theoretische gegevens waarmee berekeningen zijn gemaakt. 9.4 De beroepsgrond slaagt niet. 10.1. Eisers betogen verder dat verweerder bij zijn besluitvorming een belangenafweging had moeten maken. Verweerder kan namelijk wel maatwerkvoorschriften stellen, omdat voor het cumulatieve geluidniveau in artikel 3.14a, tweede lid, van het Activiteitenbesluit, geen norm is opgenomen. Bij die belangenafweging had verweerder moeten betrekken dat de impact van een moderne windturbine zeer groot is en dat de turbine in het voorliggende geval op korte afstand van hun woning staat. 10.2. Verweerder stelt zich op het stan