Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2017-11-03
ECLI:NL:RBNHO:2017:9104
Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem zaaknummer: HAA 15/270 uitspraak van de meervoudige kamer van 3 november 2017 in de zaak tussen [X] B.V., te [Z] , eiseres, (gemachtigde: mr. S. van den Berg), en de inspecteur van de Belastingdienst Midden- en kleinbedrijf, Kantoor Hoofddorp , verweerder. Procesverloop Eiseres heeft voor het tijdvak maart 2014 aangifte loonheffingen gedaan. Het afgedragen bedrag van € 30.505 bestond voor € 21.381 uit de zogenoemde pseudo-eindheffing hoog loon (hierna: crisisheffing). Tegen de afdracht heeft eiseres bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op verzoek van eiseres de behandeling van het beroep aangehouden in afwachting van de arresten van de Hoge Raad van 29 januari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:121 en 124). De rechtbank heeft het verzoek van eiseres om nadere aanhouding van de behandeling van het beroep tot het moment waarop het Europese Hof voor de Rechten van de Mens uitspraak heeft gedaan, afgewezen. Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiseres. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2017 te Haarlem. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F. Belhaj en mr. A. de Groot. Overwegingen Feiten 1. Eiseres is een financiële holding en houdster- en bestuurmaatschappij; tevens verricht zij consultancy werkzaamheden. De aandelen van eiseres zijn voor 100% in handen van de heer [A] (hierna: de dga). Eiseres heeft een aandelenbelang van 17% in [B] B.V. en 10% in [C] B.V. De dga had een indirect aandelenbelang in [D] N.V. waarbij hij in dienst is. 2. Het door eiseres aangegeven loon en de ingehouden loonheffing bedraagt over de jaren 2013 tot en met 2016: 2013 2014 2015 2016 Loon € 296.382 268.566 233.586 221.161 Loonheffing € 142.678 121.623 103.085 96.547 3. In 2013 heeft eiseres aan haar dga een loon van € 283.632 betaald. Dit bedrag bestaat onder meer uit de doorbetaling van een vergoeding van € 96.424 voor werkzaamheden die de dga voor [D] N.V. heeft verricht. 4. Volgens de aangiften omzetbelasting bedroeg de omzet gedurende deze jaren: 2013 2014 2015 2016 Omzet € 353.724 424.750 409.650 349.464 5. In de aangiften vennootschapsbelasting van eiseres staat het volgende opgenomen: 2013 2014 2015 Winstreserves € 5.341.683 4.862.097 4.858.062 Omzet € 355.823 430.416 404.651 Kosten grond- en hulpstoffen € - 11.952 4.657 Lonen en salarissen (incl. soc. lasten en pensioen) € 204.949 198.176 230.654 Afschrijvingen € 44.575 75.934 95.158 Overige kosten € 42.878 61.092 100.219 Saldo fin. baten en lasten € 66.629 43.551 26.445 Resultaat deelnemingen € 19.918 - -/- 9.000 Resultaat € 149.986 123.373 -/- 8.592 Geschil 6. Tussen partijen is in geschil of eiseres gehouden is de crisisheffing af te dragen. Meer in het bijzonder is primair in geschil: - of de heffing in strijd is met doel en strekking van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet); - of de heffing in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EP EVRM); en - of de heffing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel als bedoeld in de artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Subsidiair is in geschil of de crisisheffing van toepassing is op het salaris dat door eiseres wordt doorbetaald op grond van artikel 32d van de Wet. Beoordeling van het geschil Het wettelijk systeem 7. De crisisheffing kan volgens eiseres niet worden geheven, nu hoofdstuk IV van de Wet daarvoor geen wettelijke basis biedt. Artikel 32bd van de Wet i In genoemd arrest is beslist dat de crisisheffing voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening is, en dat daarmee derhalve aan de vereisten van ‘lawfulness’ is voldaan. Voorts is beslist dat het heffen van belastingen in het algemeen belang, zoals in de slotzin van artikel 1 van het EP EVRM ligt besloten, in beginsel voldoet aan het vereiste van een ‘legitimate aim’, en dat er geen grond is om daarover anders te oordelen in het onderhavige geval waarin de wetgever ter oplossing van de ernstige begrotingsproblemen in 2013 en 2014 een reeks ingrijpende maatregelen heeft genomen, waarvan de crisisheffing deel uitmaakt. Ten slotte is beslist dat met de invoering en de verlenging van de crisisheffing tot en met het jaar 2014 de ‘fair balance’ op regelniveau niet is geschonden. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. 13. Zoals in r.o. 2.8 van het arrest van de Hoge Raad met nummer ECLI:NL:HR:2016:124 is overwogen, laat het voorgaande echter de mogelijkheid open dat er onder omstandigheden sprake is van een individuele en buitensporige last. Nu op eiseres de last rust in dit verband feiten en omstandigheden aan te voeren en eiseres niets heeft aangevoerd komt de rechtbank aan een beoordeling ter zake niet toe. Artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR 14. Eiseres neemt het standpunt in dat de pseudo-eindheffing in strijd is met het in artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR neergelegde gelijkheidsbeginsel. 15. De Hoge Raad heeft in voormelde arresten geoordeeld dat de crisisheffing niet discriminerend is in de zin van artikel 26 van het IVBPR. In hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Immateriële schadevergoeding 16. Geschillen over de heffing van belastingen behoren binnen een redelijke termijn te worden beslecht. Daarvoor geldt als uitgangspunt voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen een termijn van twee jaar (zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverwegingen 3.2 en 3.4.2). In belastingzaken wordt, indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie (rechtsoverweging 3.9.1 van het hiervoor genoemde arrest). 17. Het bezwaar tegen de afdracht is op 12 mei 2014 door verweerder ontvangen. Op 28 oktober 2014 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan. Het beroepschrift daartegen is op 8 december 2014 door de rechtbank ontvangen. De rechtbank doet op 3 november 2017 uitspraak. 18. In dit geval is de redelijk te achten termijn van twee jaar overschreden. Vanaf de aanvang van de bezwaarfase tot aan de uitspraak van de rechtbank zijn (afgerond) 3 jaar en 6 maanden verstreken. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn met 1 jaar en 6 maanden. Dat rechtvaardigt een schadevergoeding van 3 x € 500 = € 1.500. Aangezien de uitspraak op bezwaar dateert van 28 oktober 2014, heeft verweerder het aan hem toe te rekenen deel van de redelijke termijn van een half jaar niet overschreden. Gelet hierop acht de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn volledig toerekenbaar aan de beroepsfase. De rechtbank zal daarom op de voet van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) veroordelen tot betaling van een vergoeding voor immateriële schade van € 1.500. 19. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 495 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 0,5 aangezien alleen een toekenning van