Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2017-11-03
ECLI:NL:RBNHO:2017:9103
Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem zaaknummer: HAA 14/3151 uitspraak van de meervoudige kamer van 3 november 2017 in de zaak tussen [X] N.V., te [Z] , eiseres, (gemachtigde: mr. M.D.C. de Vries), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoofddorp, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft voor het tijdvak maart 2014 aangifte loonheffingen gedaan. Het afgedragen bedrag van € 243.012 bestond voor € 17.702 uit de zogenoemde pseudo-eindheffing hoog loon (hierna: crisisheffing). Tegen de afdracht heeft eiseres bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiseres. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep aangehouden in afwachting van de arresten van de Hoge Raad van 29 januari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:121 en 124). Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2017 te Haarlem. Namens eiseres zijn verschenen mr. M.D.C. de Vries en mr. drs. [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F. Belhaj en mr. A. de Groot. Overwegingen Feiten 1. Eiseres is een naamloze vennootschap behorende tot de branche rechtskundige adviesbureaus, belastingconsulenten en notariskantoren. Eiseres houdt zich bezig met het verlenen van diensten op administratief, technisch, financieel, economisch of bestuurlijk gebied. 2. Het door eiseres aangegeven loon en de ingehouden loonheffing bedroeg over de jaren 2012 en 2013: 2012 2013 Loon € 945.565 1.414.788 Loonheffing € 336.212 558.757 3. Volgens de aangiften omzetbelasting bedroeg de omzet gedurende deze jaren: 2012 2013 2014 2015 2016 Omzet € 3.260.662 5.702.535 5.779.976 5.143.810 6.421.874 4. In de aangiften vennootschapsbelasting van eiseres staat het volgende opgenomen: 11/2011-12/2012 01/2013-12/2013 2014 2015 2016 Winstreserve € 294.297 270.563 407.103 374.260 728.518 Omzet € 5.078.227 7.278.339 8.247.732 10.009.702 11.710.528 Kosten grond- en hulpstoffen € 2.728.194 4.025.547 4.002.024 4.944.582 5.484.528 Lonen en salarissen (incl. soc. lasten en pensioen) € 1.403.777 2.208.327 2.805.164 3.750.441 4.360.532 Afschrijvingen € 136.443 157.283 46.140 52.690 84.533 Overige kosten € 409.618 470.952 742.748 717.824 860.204 Saldo fin. baten en lasten € 19.665 903 -/- 591 416 -/- 14.737 Geschil 5. Tussen partijen is in geschil of eiseres gehouden was de crisisheffing af te dragen. Meer in het bijzonder is in geschil: - of de crisisheffing in strijd is met het systeem van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet); - of de crisisheffing in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EP EVRM), en; - of de crisisheffing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR). Beoordeling van het geschil Het wettelijk systeem 6. De crisisheffing kan volgens eiseres niet worden geheven, nu hoofdstuk IV van de Wet daarvoor geen wettelijke basis biedt. Artikel 32bd van de Wet is, aldus eiseres, onverbindend omdat artikel 1 van de Wet niet toestaat dat ter zake van één en hetzelfde loonbestanddeel loonbelasting wordt geheven ten laste van werkgever en werknemer. 7. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:121, over een vergelijkbare stelling geoordeeld als eiseres inneemt. Kort gezegd heeft de Hoge Raad in dit arrest geoordeeld dat de tekst van artikel 32bd, eerste lid, van de Wet bepaalt dat de crisisheffing wordt geheven in afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens de Wet bepaalde. Klaarblijkelijk heeft de wetgever daarbij mede het oog gehad op h