Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2017-06-14
ECLI:NL:RBNHO:2017:4788
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,598 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: 17/17
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2017 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D.A. van Poorten),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemskerk, verweerder
(gemachtigden: mr. W. Duineveld en G. Lukken).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 1], te [woonplaats] (vergunninghouder).
Procesverloop
Bij besluit van 18 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, ten behoeve van het realiseren van een recreatiewoning op het perceel naast de [perceel] (het perceel).
Bij besluit van 21 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Ook vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door [naam 2] .
Overwegingen
1.1.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is, voor zover van belang, het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…)
Op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wabo, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo, kan, voor zover van belang, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…):
(…)
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
(…)
1.2.
Op grond van artikel 1, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor), wordt onder bijbehorend bouwwerk in Bijlage II, van het Bor, verstaan: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;
Op grond van artikel 2.3, eerste lid, van het Bor, is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 3 in samenhang met artikel 5 van bijlage II.
Op grond van artikel 2.7, van het Bor, worden als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.
Artikel 3, van bijlage II, van het Bor, regelt de categorieën gevallen waarin voor bouwactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist.
Op grond van artikel 3, aanhef en tweede lid, van bijlage II, van het Bor, is een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op een op de grond staand bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m, en
b. de oppervlakte niet meer dan 70 m2;
Op grond van artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II, van het Bor, komen, voor zover van belang, voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan (…) wordt afgeweken, in aanmerking:
1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
(…)
1.3.
Op het perceel rust op grond van het bestemmingsplan “Heemskerk Buitengebied 2015” de bestemming “Recreatie - Verblijfsrecreatie” en de functieaanduiding “specifieke vorm van recreatie - recreatiewoning 2”.
Op grond van artikel 17.2.4, onder b, van de planregels, is bepaald dat voor het bouwen van recreatiewoningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatiewoning 2' de inhoud, goot- en bouwhoogte uitsluitend het bestaande mag bedragen.
2. Verweerder heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat voor de activiteit bouwen op grond van artikel 3, tweede lid, van bijlage II, van het Bor, geen omgevingsvergunning is vereist, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Voor de activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan heeft verweerder medewerking verleend met toepassing van artikel 4, eerste lid, van bijlage II, van het Bor.
3.1.
Eiser betoogt dat artikel 3, tweede lid, van bijlage II, van het Bor, ziet op een op de grond staand bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf. Hiervan is volgens de aanvraag van de omgevingsvergunning geen sprake, aangezien de omgevingsvergunning is aangevraagd voor een vakantiewoning dan wel recreatiewoning. De in onderhavig artikel genoemde maatvoeringseis van 70 m² is een maximum. In een bestemmingsplan kunnen ook beperkingen worden opgelegd aan het vergunningsvrij bouwen. Op grond van artikel 17.2.4, van de planregels, zijn beperkingen gesteld, namelijk dat het bouwwerk uitsluitend het bestaande mag bedragen. Het bestaande, voor zover dat er al was, was ongeveer 24 m² en dus veel kleiner dan voorgenomen recreatiewoning. De bouwwerken die voldoen aan artikel 3, van bijlage II, van het Bor, zijn alleen vrijgesteld voor het bouwen, maar niet voor het afwijken van het bestemmingsplan. Voor die bouwwerken is en blijft de bebouwingsregeling uit het bestemmingsplan onverkort gelden. Er is dan ook een omgevingsvergunning benodigd als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij onderhavig bouwplan gebruik heeft kunnen maken van artikel 3, tweede lid, van bijlage II, van het Bor. In de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3627, is overwogen dat uit de Nota van Toelichting bij het Bor (Stb. 2010, 143, blz. 154) volgt dat meer permanente bouwwerken voor recreatief nachtverblijf, zoals een kleine recreatiewoning, onder artikel 3, aanhef en tweede lid, van bijlage II, van het Bor, kunnen vallen. De recreatiewoning voldoet, naar tussen partijen niet in geschil is, aan de criteria zoals gesteld in artikel 3, tweede lid, onder a en b, van bijlage II, van het Bor. Nu aan de eisen van die bepaling is voldaan, is voor het bouwen van de recreatiewoning geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo vereist.
3.3.
De beroepsgrond faalt.
4.1.
Eiser stelt dat verweerder de omgevingsvergunning niet op grond van artikel 4, eerste lid, van bijlage II, van het Bor, heeft kunnen verlenen, omdat er op het perceel helemaal geen bouwwerk staat. Het betreft zodoende geen uitbreiding van een hoofdgebouw. Verweerder verwijst ten onrechte naar de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4687, omdat in die uitspraak sprake is van een andere situatie. Deze recreatiewoning is niet op te delen, terwijl het bouwwerk in voormelde uitspraak wel op te delen is. Eiser verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 22 november 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:4621, waarin staat dat artikel 4, eerste lid, van bijlage II, van het Bor, niet van toepassing is in situaties wanneer het bouwwerk niet op te delen is.
4.3.
Voor zover bouwplan de maten van het bestemmingsplan te buiten gaat, ziet het tevens op het oprichten van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van bijlage II van het Bor. Het bouwplan is immers een hoofdgebouw en een uitbreiding van het hoofdgebouw. Voor zover eiser betoogt dat het bouwplan niet voorziet in de oprichting van een bijbehorend bouwwerk overweegt de rechtbank dat het Bor niet als voorwaarde stelt dat het voorziene bouwwerk als een separaat gebouw moet worden gebouwd en als zodanig herkenbaar moet zijn. Bij het beantwoorden van de vraag of het bouwwerk een bijbehorend bouwwerk is waarvoor met toepassing van artikel 4 van bijlage II van het Bor omgevingsvergunning kan worden verleend, is niet van belang of het bouwplan functioneel ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2017.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.