Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2017-04-13
ECLI:NL:RBNHO:2017:11737
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,371 tokens
Inleiding
uitspraak buiten zitting
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 17/1213 en HAA 17/1214
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2017 in de zaak tussen mr. [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,
en
de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft tegen de beslissingen op bezwaar van verweerder van 20 januari 2017 (de bestreden besluiten) beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Bij beslissing van [datum] 2016 heeft het Hof van Discipline te Amsterdam - voor zover hier van belang - eiseres de maatregel van schrapping van het tableau met onmiddellijke ingang opgelegd. De administratieve verwerking van de maatregel is vervolgens op [datum] 2016 uitgevoerd door de afdeling Beheer Advocaten Registratie (BAR), een afdeling van de Nederlandse Orde van Advocaten. Daarnaast zijn de gegevens van eiseres op [datum] 2016 geplaatst op de (openbare) "Lijst geschorste en geschrapte advocaten". Tot slot heeft verweerder bij brief van 15 november 2016 gereageerd op diverse brieven van eiseres.
3. Eiseres heeft bij brieven van 27 november 2016 bezwaar gemaakt tegen de schrapping van het tableau op [datum] 2016, de plaatsing op de "Lijst geschorste en geschrapte advocaten" en tegen verweerders brief van 15 november 2015. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaren niet gericht zijn tegen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
4. Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder h, van de Advocatenwet verwerkt de secretaris van de algemene raad, met het oog op het in het belang van een goede rechtsbedeling vaststellen van de hoedanigheid van de advocaat op het tableau, van iedere advocaat gegevens met betrekking tot beslissingen op grond van artikel 48, eerste lid.
Op grond van artikel 8b, aanhef en onder d, van de Advocatenwet maakt de secretaris van de algemene raad schriftelijk een lijst openbaar van gegevens over advocaten tan aanzien van wie een beslissing tot het onvoorwaardelijk opleggen van een maatregel als bedoeld in
zaaknummer: HAA 17/1213 en HAA 17/1214 blad 2
artikel 48, tweede lid, onder dof e, onherroepelijk is geworden. In deze lijst worden opgenomen de maatregel die aan de advocaat is opgelegd, voor zover van toepassing met vermelding van de duur_van de maatregel.
5. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uitvoering door de secretaris de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten van de handelingen bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder h, van de Advocatenwet (de feitelijke schrapping van het tableau) en artikel 8b, eerste lid, aanhef en d, van die wet (het plaatsen van de gegevens van eiseres op de openbare lijst met onder meer geschrapte advocaten) geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, de Awb, maar feitelijke handelingen waartegen het instellen bezwaar en beroep niet mogelijk is.
6. De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat de brief van 15 november 2016 waarin verweerder een nadere toelichting heeft gegeven op onder meer de in de Advocatenwet opgenomen regeling van het tuchtrecht en het gevolg dat de wetgever heeft verbonden aan de door het Hof van Discipline aan eiseres opgelegde maatregel van schrapping, geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De brief heeft een informatief karakter en is niet gericht op rechtsgevolg. Tegen de brief staan derhalve evenmin bestuursrechtelijke rechtsmiddelen open.
7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de door eiseres ingediende bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard bij de bestreden besluiten.
8. Op grond van artikel 7:3, aanhef onder a, van de Awb mag van het horen worden afgezien als het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Nu de bezwaren van eiseres niet tegen besluiten zijn gericht, mocht verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt stellen dat er geen twijfel mogelijk was over de niet-ontvankelijkheid van de bezwaren. Verweerder heeft daarom op grond van het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb van horen mogen afzien.
9. De beroepen zijn ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat in beroep noch in bezwaar aanleiding.
zaaknummer: HAA l 7/1213 en HAA l 7/1214 blad 3
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Slijkhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2017.
Griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 1 3 -04- 2017
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.