Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2017-12-22
ECLI:NL:RBNHO:2017:11492
Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 15/1069 en HAA 15/1070 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2017 in de zaken tussen [X] , wonende te [Z] , eiser, gemachtigde: drs. H.F.A.M. Weijnen, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder. 15/1070 Procesverloop Verweerder heeft de verzoeken van eiser om ambtshalve vermindering van de aan hem opgelegde aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) over de jaren 2010 en 2011 afgewezen op 8 juli 2014. Verweerder heeft na daartegen gemaakt bezwaar bij uitspraken op bezwaar gedagtekend 3 januari 2015 de aanslagen ambtshalve verminderd tot aanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.268 (2010) respectievelijk een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.506 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.886 (2011). Eiser heeft daartegen beroep ingesteld bij beroepschrift door de rechtbank ontvangen op 18 februari 2015. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft een conclusie van repliek ingediend. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij. Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 21 april 2016. Op de zitting is gelijktijdig behandeld het beroep van [A] met zaaknummer HAA 15/1071. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. R.A. Wolffram en mr. J.H. van Wier. Bij brief van 16 september 2016 heeft de rechtbank partijen te kennen gegeven het onderzoek in de zaken van eiser met nummers 15/1069 en 15/1070 te heropenen en de zaken te verwijzen naar een meervoudige kamer. Eiser heeft vervolgens nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij. Verweerder heeft voorts op verzoek van de griffier van de rechtbank een afschrift verstrekt van het bij de rechtbank ingediende beroepschrift in de zaak van [A] met zaaknummer HAA 15/1071. Het (nadere) onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. R.A. Wolffram en mr. J.H. van Wier. Overwegingen Feiten 1. Eiser is gehuwd. De echtgenote van eiser (hierna: de echtgenote) draagt haar linkerbeen en -voet in een orthese. Zij lijdt tevens aan polymyalgia rheumatica en kan daardoor alleen over kleinere afstanden lopen. 2. Het loon uit vroegere dienstbetrekking van eiser bedroeg in 2010 € 52.249 en in 2011 € 45.943. Het loon uit vroegere dienstbetrekking van de echtgenote bedroeg in 2010 € 20.675 en in 2011 € 21.075. 3. Tot 27 augustus 2010 reden eiser en de echtgenote in een Honda CR-V, bouwjaar 2001, catalogusprijs € 34.500. Vanaf 27 augustus 2010 rijden zij in een Honda CR-V met als eerste afgiftedatum van het kentekenbewijs 27 mei 2010 (hierna: de Honda). De aankoopprijs bedroeg € 40.000. De catalogusprijs van deze auto bedraagt € 44.750. De echtgenote is in het bezit van een rijbewijs. 4. Eiser berekende zijn extra vervoerskosten in de aangifte ib/pvv voor het jaar 2010 op: Autokosten € 7.914 (hierin een degressieve afschrijving van € 3.220) Openbaar vervoer € 60 Fietsen € 484 + (onderhoud/afschrijving) Totaal € 8.458 Vergelijkbare personen € 5.427 -/- (vergeleken met autokosten kleine middenklasse en 15.695 verreden kilometers) Aftrek € 3.031 5. Verweerder heeft de autokosten van vergelijkbare personen voor het jaar 2010 gesteld op € 6.693, waarbij is vergeleken met de autokosten van een kleine middenklasse auto tot 27 augustus 2010 en een middenklasse auto vanaf 27 augustus 2010 en 15.695 verreden kilometers. De aftrek extra vervoerskosten is gehonoreerd tot een bedrag van € 1.765, voor aftrek van de daarvoor geldende drempel. 6. Eiser berekende zijn extra vervoerskosten in de aangifte ib/pvv voor het jaar 2011 op: Autokosten € 14.630 (hierin een degressieve afschrijving van € 8.080 36.933, ECLI:NL:HR:2002:AE0462 en HR 4 maart 2016, nr. 15/03126, ECLI:NL:HR:2016:347). De beroepen zijn derhalve ontvankelijk. Gelet op dit een en ander kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn eerst ter zitting ingenomen stelling dat met genoemde verminderingen van 3 januari 2015 geen uitspraken op bezwaar zijn gedaan. De omstandigheid dat hierin staat vermeld dat tegen de verminderingen geen bezwaar kan worden gemaakt en dat hiertegen niet in beroep kan worden gegaan, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Inhoudelijk 15. Verweerder is bij het bepalen van de vervoerskosten van met eiser vergelijkbare personen uitgegaan van gegevens van de ANWB uit 2010 zoals bewerkt door het Nibud in 2012. De hoogte van de door eiser zelf gemaakte vervoerskosten ten bedrage van € 8.458 voor 2010 en € 14.835 voor 2011 is niet in geschil. Evenmin is in geschil dat het besteedbaar inkomen van eiser en zijn echtgenote in 2010 € 42.363 en in 2011 € 42.853 bedraagt. 16. Artikel 9.6 van de Wet IB 2001, houdt - voor zover van belang - het volgende in: “1. Een ambtshalve vermindering van een belastingaanslag geschiedt uitsluitend op de voet van dit artikel. 2. In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen wordt een onjuiste belastingaanslag door de inspecteur ambtshalve verminderd. (…)” Artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 houdt - voor zover van belang - het volgende in: “De inspecteur vermindert ambtshalve een belastingaanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld zodra hem dat is gebleken, tenzij: a.(…)” 17. Bij de beoordeling van de vraag of is gebleken of de aanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld en of verweerder deze ambtshalve had moeten verminderen, neemt de rechtbank de normale bewijslastverdeling als uitgangspunt. Dit betekent dat gelet op het feit dat eiser zich op een aftrekpost beroept en verweerder die post heeft betwist, eiser feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken op grond waarvan hij recht heeft op aftrek van de door hem in zijn aangifte opgevoerde (extra) vervoerskosten (vgl. Hof Amsterdam 11 augustus 2016, nr. 15/00849, ECLI:NL:GHAMS:2016:3374 en 6 april 2017, nr. 16/00166, ECLI:NL:GHAMS:2017:1782). De rechtbank ziet ook geen aanleiding terughoudend te toetsen of verweerder de aanslagen ambtshalve had moeten verminderen. 18. Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 zijn uitgaven voor specifieke zorgkosten onder andere vervoerskosten die wegens ziekte en invaliditeit zijn gemaakt. De voor aftrek in aanmerking komende kosten dienen rechtstreeks door de ziekte opgeroepen te worden. Kosten die wel verband houden met ziekte of invaliditeit, maar niet in direct verband met de ziekte of invaliditeit staan, kunnen derhalve niet in aftrek worden gebracht. De hiervoor vermelde bepaling in artikel 6.17, eerste lid, van de Wet IB 2001 is ontleend aan artikel 46 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964). In de wetsgeschiedenis van de Wet IB 2001 (Belastingherziening 2001) is te kennen gegeven dat met de gewijzigde formulering geen inhoudelijke wijziging is beoogd. In de parlementaire geschiedenis van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wet van 29 december 2008, Stb. 606) is eveneens aangegeven dat met het zelfstandig opnemen van de uitgaven voor vervoer wegens ziekte of invaliditeit in (thans) artikel 6.17, eerste lid, onderdeel b, geen inhoudelijke wijziging is beoogd (zie Kamerstukken II 2008/09, 31 706, nr. 3, blz. 47): “De zelfstandige opneming van uitgaven voor vervoer beoogt geen inhoudelijke wijziging ten opzichte van de huidige bepaling betreffende de aftrekbaarheid van de uitgaven voor vervoer, maar een betere en overzichtelijker indeling van artikel 6.17, eerste lid, van de Wet IB 2001. Alle uitgaven voor vervoer wegens ziekte of invaliditeit blijven aftrekbaar in de vorm en omvang overeenkomstig de huidige regeling. Dit betekent dat aftrek ook mogelijk blijft indien de zieke of invalide belastingplichtige Indien de belanghebbende de aldus door de inspecteur overgelegde (statistische) gegevens betwist, dient aan de hand van de gebruikelijke regels van stelplicht en bewijslast (bewijslastverdeling naar redelijkheid) te worden beoordeeld welke partij de meest gerede partij is om nader bewijs bij te brengen (in gelijke zin Hof Amsterdam in zijn uitspraak van 28 september 2017, nr. 16/00462, ECLI:NL:GHAMS:2017:4036, rechtsoverweging 4.4.5). 23. In het onderhavige geval heeft eiser de door verweerder opgestelde berekening van de maatmankosten en de ter onderbouwing door deze overgelegde statistische gegevens op twee punten aangevochten. Wat betreft de stelling van eiser dat verweerder vanaf 27 augustus 2010 ten onrechte is uitgegaan van een auto uit hetzelfde prijssegment (een middenklasse-auto) als de auto van eiser, is de rechtbank van oordeel dat eiser door de verwijzing naar de door hem overgelegde (geïndexeerde) CBS-tabellen, en zijn betoog dat personen met een handicap in het algemeen - vanwege hun handicap - zijn aangewezen op een duurdere auto, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege de invaliditeit van zijn echtgenote een duurdere auto heeft moeten aanschaffen dan personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren. De door eiser genoemde tabellen geven immers hoogstens inzicht in de vraag welk bedrag tweepersoonshuishoudens met een besteedbaar inkomen als dat van eiser en zijn echtgenote gemiddeld aan autokosten besteden. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat dit gemiddelde overeenkomt met een ‘kleine middenklasse-auto’ in de zin van de door verweerder gehanteerde maatmantabellen, maakt eiser met enkel dit statistische gemiddelde niet aannemelijk dat een belastingplichtige met een ziekte of handicap die een duurdere auto aanschaft dan deze ‘gemiddelde auto’, die aanschaf niet vanuit persoonlijke voorkeur doet, maar per definitie deze meerkosten maakt vanwege de ziekte of invaliditeit; daarvoor zijn deze gegevens te algemeen van aard. Reeds op deze gronden verwerpt de rechtbank het standpunt van eiser dat verweerder gehouden is om de bestaande CBS-tabellen inzake het bestedingspatroon per inkomenscategorie verder te laten verfijnen. 24. Tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, die heeft gesteld dat de aanschaf van de Honda mede is ingegeven door persoonlijke voorkeur en dat de voor de echtgenote noodzakelijke voorzieningen ook beschikbaar zijn in een kleine middenklasse-auto, heeft eiser ook met hetgeen hij voor het overige heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat bij het bepalen van de objectieve meerkosten die in rechtstreeks verband staan met de invaliditeit van de echtgenote moet worden uitgegaan van een maatman met een auto uit een andere prijscategorie dan de auto van eiser. Aangezien de Honda een middenklasse-auto is in de zin van de bij de berekening van de maatmankosten gehanteerde tabel, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van de autokosten van een maatman met een kleine middenklasse-auto. 25. Eiser neemt voorts het standpunt in dat in het door verweerder gebruikte rekenprogramma onvoldoende rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat de echtgenote van eiser in tegenstelling tot personen die niet ziek zijn, geen zakelijke kilometers maakt in verband met werk. Dat in het door verweerder gebezigde cijfermateriaal ter berekening van de kosten van de maatman geen rekening wordt gehouden met de door eiser gestelde omstandigheid dat niet invalide personen (meer) zakelijke kilometers rijden, vormt naar het oordeel van de rechtbank echter geen reden om op het verkregen resultaat van de maatmankosten correcties aan te brengen. In de door verweerder gebruikte cijfers wordt de mobiliteit van de Nederlandse bevolking en worden de gemiddelde autokosten tot uitdrukking gebracht. Dat betekent dat in de tabellen zowel personen zijn verwerkt die woon-werk kilometers ma