Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2017-12-22
ECLI:NL:RBNHO:2017:11387
beschikking RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling privaatrecht Zittingsplaats Alkmaar zaaknummer / rekestnummer: C/15/260381 / HA RK 17-105 Beschikking van 22 december 2017 in de zaak van [naam] wonende te [woonplaats] , verzoekster, advocaat mr. M.A. Hardy te Hoorn, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid J.C.P. KOMEN HOLDING B.V. , gevestigd te Spanbroek, 2. naamloze vennootschap DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V. , gevestigd te Amsterdam, verweersters, advocaat mr. P. Oskam te Amsterdam. Partijen zullen hierna [verzoekster] , Komen en Delta Lloyd, genoemd worden. Verwerende partijen zullen gezamenlijk verweersters genoemd worden. 1 De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift van 8 juni 2017 met 14 producties het verweerschrift de mondelinge behandeling op 30 oktober 2017 in aanwezigheid van: verzoekster, bijgestaan door mr. Hardy voornoemd; namens Delta Lloyd de heer S.H. Knol, schadebehandelaar binnendienst, bijgestaan door mr. Oskam voornoemd de pleitnotitie van verzoekster 2 De feiten 2.1. [verzoekster] huurt vanaf 1 februari 2016 een gedeelte van een bedrijfspand (de begane grond en de eerste verdieping), gelegen aan de Zijperweg 4F te Schagen, van Komen. Zij gebruikt deze bedrijfsunit voor haar bedrijf Beauty Plaza, dat cursussen persoonlijke verzorging geeft. 2.2. Op 27 mei 2016 is [verzoekster] , na het geven van een cursus op de eerste verdieping, bij het afdalen van de trap gevallen. Zij viel van de derde (of tweede) trede van boven. Ze is helemaal naar beneden gevallen. Ten tijde van de val had [verzoekster] onder haar rechterarm een hondje, een Shih Tzu, en aan haar linkerarm een tasje. 2.3. De trap begint, van bovenaf gezien, met drie treden richting de muur. Deze drie treden maken een draai naar rechts waardoor de treden aan de linkerkant breder zijn dan aan de rechterkant. Bij de vierde trede (de hoektrede) begint het rechte gedeelte van de trap naar beneden. Aan de linkerkant van de drie bovenste treden is een balustrade geplaatst met verticale, ronde spijlen. Aan de linkerzijde van het rechte gedeelte van de trap (van bovenaf gezien) is een trapleuning aan de muur bevestigd vanaf de balustrade tot aan de onderste trede van de trap. 2.4. Door de val heeft [verzoekster] vier gebroken ribben, gebroken middenhandsbeentjes, een gebroken jukbeen en snijwonden in haar gezicht opgelopen. Tot op heden is zij niet in staat haar werkzaamheden volledig te hervatten. 2.5. [verzoekster] heeft Komen aansprakelijk gesteld. De verzekeraar van Komen, Delta Lloyd, heeft onderzoek laten verrichten door expertisebureau Cunningham Lindsey. Op 11 juli 2016 heeft Cunningham Lindsey een bezoek gebracht aan het bedrijfspand en op 4 augustus 2016 een definitief rapport uitgebracht. 2.6. Het Bouwbesluit 2012 luidt voor zover in deze zaak relevant als volgt: Artikel 2.35 Leuning Een trap (…) voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1 m en met een helling ter plaatse van de klimlijn groter dan 2:3 heeft aan ten minste een zijkant een leuning. (…). 2.7. Op 8 september 2016 heeft Delta Lloyd aan [verzoekster] bericht dat zij aansprakelijkheid afwijst. 2.8. Na enige correspondentie tussen partijen heeft Delta Lloyd op 19 oktober 2016 meegedeeld dat de afwijzing van de aansprakelijkheid wordt gehandhaafd. 3 Het geschil 3.1. Verzoekster verzoekt de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat verweersters hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [verzoekster] geleden en te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval; de proceskosten te begroten en te bepalen dat verweersters deze aan [verzoekster] dienen te voldoen. 3.2. Aan dit verzoek heeft [verzoekster] - samengevat - het volgende ten grondslag gelegd. Komen is als bezitter van de bedrijfsunit aansprakelijk op basis van artikel 6:174, lid 1, BW. De trap was ter hoogte van de bovenste drie treden aan de linkerzijde niet voorzien van een leuning en voldeed daardoor ni Omdat het Bouwbesluit een leuning over de gehele lengte van de trap vereist, voldoet de trap niet aan de veiligheidseisen van het Bouwbesluit. Dat is een gebrek in de zin van 6:174, lid 1, BW. 4.4. De rechtbank zal vervolgens het verweer van verweersters over het ontbreken van causaal verband bespreken. Bij overtreding van een veiligheidsvoorschrift geldt dat, indien die overtreding leidt tot een verwezenlijking van het gevaar waartegen die norm beoogt te beschermen, de aansprakelijkheid van de bezitter in beginsel gegeven is. De rechtbank verwijst in dit geval naar een oud arrest van de Hoge Raad van 21 juni 1974, NJ 1974/453 (Windmill/Roelofsen): “het ontbreken van een leuning, welke ter voorkoming van ongevallen wettelijk is voorgeschreven, (heeft, Rb.) de kans op het aan Roelofsen overkomen letsel in aanmerkelijke mate (…) verhoogd; dat hiermede het vereiste verband tussen het verzuim van Windmill om te doen hetgeen juist is voorgeschreven met het oog op een gevaar dat zich te dezen heeft verwezenlijkt en het aan Roelofsen overkomen ongeval is vastgesteld, en het op de weg van Windmill zou hebben gelegen om te stellen en aan te tonen dat het aanwezig zijn van een leuning het ongeval waarschijnlijk niet zou hebben voorkomen.” Dit laatste hebben verweersters naar het oordeel van de rechtbank gedaan. Uitgaande van de toedracht zoals die is beschreven door [verzoekster] zelf, en van alle omstandigheden van het geval, neemt de rechtbank geen causaal verband aan tussen het ontbreken van een gedeelte van de leuning en de val. [verzoekster] maakte op de derde trede van boven een misstap als gevolg waarvan zij haar evenwicht verloor. De overgelegde foto’s van de trap gezien hebbende, constateert de rechtbank dat een persoon die zich op de derde trede bevindt de leuning aan de muur binnen handbereik heeft. Bovendien is op de derde trede door de draai die de trap naar rechts maakt logischerwijs al een draai met het lichaam naar rechts gemaakt. Ook al ontbrak aan de balustrade een leuning, op de derde trede kan een ieder zonder te hoeven reiken de daar aanwezige leuning aan de muur vastpakken. Zelfs in het geval [verzoekster] op de tweede trede haar misstap zou hebben gemaakt, zoals zij ter zitting bij nader inzien ook voor mogelijk hield, is de leuning eenvoudig vast te pakken. Dat [verzoekster] bij het verliezen van haar evenwicht geen steun heeft gevonden, is naar het oordeel van de rechtbank niet het gevolg van de ontbrekende leuning ter hoogte van de balustrade. 4.5. Waarschijnlijker is dat [verzoekster] bij het verlies van haar evenwicht door de misstap bij het hervinden van haar evenwicht en het zoeken van steun gehinderd werd door het feit dat de trap is afgedaald met haar hondje onder haar rechterarm en een tasje aan de linkerarm dat – naar Pannekeets eigen zeggen – in haar elleboog hing. Daarbij heeft te gelden dat het een feit van algemene bekendheid is dat elke trap het gevaar in zich heeft dat ervan af gevallen kan worden. Ook dient als uitgangspunt dat een ieder met de armen vol minder bewegingsvrijheid, bewegingsgemak en ook minder evenwicht heeft dan wanneer vrij van elke ballast de trap kan worden afgedaald. Dat [verzoekster] haar linkerhand vrij had maakt dat niet anders, omdat ook het tasje aan haar linkerarm, hoe licht dit ook was, een zekere belemmering in de motoriek moet hebben gevormd. Waarbij immers een feit van algemene bekendheid is dat een aan de elleboog hangende tas daar eerst blijft hangen indien de linkerhand omhoog wordt gehouden. Deze hand is alsdan juist niet geschikt voor het vastpakken van een leuning; dan valt de tas. 4.6. Alles in aanmerking genomen, is niet aannemelijk geworden dat [verzoekster] haar val had voorkomen als de balustrade voorzien was geweest van een leuning. 4.7. Het verzoek wordt daarom afgewezen. De kosten 4.8. [verzoekster] heeft de rechtbank verzocht de kosten van deze procedure, na vermindering met één uur reistijd, te begroten op in totaal (inclusief twee nota’s van buiteng