Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2017-12-11
ECLI:NL:RBNHO:2017:11351
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 17/3072 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2017 in de zaak tussen 1. [eiser 1] te [woonplaats] , 2. [eiser 2] en [eiser 3] te [woonplaats] , 3. [eiser 4] en [eiser 5] te [woonplaats] , 4. [eiser 6] te [woonplaats] , 5. [eiser 7] te [woonplaats] , 6. [eiser 8] en [eiser 9] [woonplaats] , 7. [eiser 10] en [eiser 11] te [woonplaats] , 8. [eiser 12] te [woonplaats] , 9. [eiser 13] te [woonplaats] , 10. [eiser 14] te [woonplaats] , 11. [eiser 15] en [eiser 16] te [woonplaats] , 12. [eiser 17] en [eiser 18] te [woonplaats] , (gemachtigde: mr. B.P. van Overeem), eisers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bloemendaal , verweerder (gemachtigde: mr. R. Visser). Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: 1. De besloten vennootschap Heiko Hulsker Architecten B.V., 2. De besloten vennootschap Voogel en De Wit Onroerend Goed B.V., (gemachtigde: mr. Th. F. Roest). Procesverloop Bij ongedateerd besluit (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij sub 1 omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en het maken van een uitweg verleend ten behoeve van het realiseren van een woongebouw met vier appartementen en een ondergrondse parkeergarage aan de Hartenlustlaan 2, 2a, 4 en 4a te Bloemendaal. Bij afzonderlijke besluiten van 22 mei 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiser sub 1 niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren van de overige eisers ongegrond. Eisers hebben elk tegen het aan hen gerichte besluit van 22 mei 2017 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2017. Van eisers zijn verschenen [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 9] , [eiser 10] , [eiser 15] en [eiser 18] . De gemachtigde van eisers is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Derde-partij sub 1 is vertegenwoordigd door [naam 1] . Derde-partij sub 2 is vertegenwoordigd door [naam 2] en [naam 3] . De gemachtigde van derde-partijen is verschenen. Overwegingen Met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiser sub 1 1.1 Eiser sub 1 betoogt dat verweerder zijn bezwaar bij het bestreden besluit ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser sub 1 is van mening dat hij als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het primaire besluit is aan te merken. Ter zitting heeft eiser sub 1 desgevraagd verklaard dat hij met name vreest voor schade als gevolg van het ten behoeve van het project slaan van damwanden. 1.2 Verweerder stelt zich in het bestreden besluit, onder verwijzing naar een advies van de Bezwaarschriftencommissie (commissie) van 20 maart 2017, op het standpunt dat eiser sub 1 niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het primaire besluit is aan te merken. Hij overweegt daartoe dat eiser sub 1 geen direct zicht heeft op het perceel waarop het project betrekking heeft en niet in de directe nabijheid daarvan woont. Eiser sub 1 woont namelijk op meer dan 50 meter afstand van het perceel en tussen zijn woning en het perceel is sprake van tussenliggende bebouwing. Er is volgens verweerder wat betreft eiser sub 1 dan ook niet voldaan aan het zicht-, afstands- en nabijheidscriterium. 1.3 Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. 1.4 Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, heeft overwogen moet voor het zijn van belanghebbende aannemelijk zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden. Het uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het beslu horeca-activiteiten in categorie 1, beschreven zoals in Bijlage 2 Staat van Horeca-activiteiten, met daarbij behorende: b. parkeervoorzieningen; c. groenvoorzieningen, d. tuinen, erven en horecaterrassen; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op grond van artikel 10.1.2 van de planregels zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘wonen' tevens bestemd voor wonen. Op grond van artikel 23.1.1, aanhef, van de planregels, voor zover van belang, zijn de voor 'Wonen' aangewezen gronden bestemd voor a. wonen; (…) met daarbij behorende: (…) f. parkeervoorzieningen (…). Op grond van artikel 23.1.12 van de planregels zijn ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' de in lid 23.1.1 bedoelde gronden mede bestemd voor een ondergrondse parkeergarage. Op grond van artikel 23.2.1, aanhef en onder b, van de planregels, voor zover van belang, geldt ten aanzien van de in lid 23.1.1 bedoelde gronden dat het bestaande aantal woningen niet mag worden vermeerderd, (…). In artikel 35.3 onder het kopje “Ondergronds bouwen” is het volgende bepaald: 1. Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. ondergrondse bouwwerken mogen worden gerealiseerd binnen de aangegeven bouwvlakken en binnen de direct omringende erven waar de bijgebouwen mogen worden opgericht, enkel onder de gebouwen die daar zijn of worden opgericht; indien onder de bestemming is aangegeven dat ondergronds bouwen niet is toegestaan, mag niet ondergronds worden gebouwd; b. indien onder de bestemming is aangegeven dat ondergronds bouwen niet is toegestaan, mag niet ondergronds worden gebouwd; c. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' (s) geldt dat ondergronds bouwwerken mogen worden gerealiseerd binnen de aangegeven bouwvlakken. 2. Ondergrondse bouwwerken die meer dan 1 m buiten het buitenwerk van het bovengronds gelegen gebouw worden gerealiseerd, worden aangemerkt als bijgebouwen. 2.5 Eisers betogen dat het project in strijd is met het bestemmingsplan. Ten eerste voeren zij daartoe aan dat de gronden binnen de bestemming “Horeca-1” tevens zijn bestemd voor wonen. Het project voorziet evenwel uitsluitend in de realisatie van woonruimte (en een ondergrondse parkeergarage). Ten tweede voeren zij daartoe aan dat het project een vermeerdering van het aantal woningen oplevert van één naar vier, hetgeen in strijd is met artikel 23.2.1 van de planregels. Volgens eisers dient voor de uitleg van de functieaanduiding “Wonen” aansluiting te worden gezocht bij het begrip “Wonen” als bedoeld in artikel 23 van de planregels. Het past niet binnen de systematiek van het bestemmingsplan om dezelfde begrippen verschillend in te vullen. Verweerder is op dit punt afgeweken van het advies van de commissie zonder dit deugdelijk te motiveren. Ten derde voorziet het bestemmingsplan volgens eisers ter plaatse niet in de mogelijkheid tot het aanleggen van een ondergrondse parkeergarage. Ook op dit punt is verweerder van het advies van de commissie afgeweken op basis van een ondeugdelijke motivering. 2.6 De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat ter plaatse van de bestemming “Horeca-1” en de functieaanduiding “Wonen” gebruik ten behoeve van “horeca” en “wonen” alleen tezamen kan worden uitgeoefend. De bestemming biedt de mogelijkheid om de gronden (binnen het bouwvlak) eveneens en dus ook uitsluitend voor wonen te gebruiken. In zoverre is het project dan ook niet in strijd met het bestemmingsplan. 2.7 Gelet op het onder 2.2 overwogene bevinden de vier appartementen zich uitsluitend binnen de bestemming “Horeca 1” met functieaanduiding “Wonen”. Artikel 10.1.2 van de planregels regelt het eveneens toegestane gebruik binnen de bestemming “Horeca 1”. De restrictie van het niet mogen vermeerderen van het aantal woningen waarnaar eisers verwijzen is opgenomen in de bouwregels behorende bij de bestemming “Wonen” in artikel 23.2.1 van de planregels. De rechtbank is van oordeel dat die bouwregels uitsluitend zouden gelden indien het relevante deel van he Het betreft het ondergrondse deel van de hellingbaan. Nu de verbeelding en genoemde planregels in onderlinge samenhang bezien duidelijk zijn, kan het betoog van verweerder, wat daar ook van zij, dat uit de toelichting bij het bestemmingsplan blijkt dat artikel 23.1.12 van de planregels uitsluitend betrekking heeft op reeds bestaande ondergrondse parkeergarages buiten bespreking blijven. De rechtbank merkt verder op dat in artikel 35.3 van de planregels bouwregels zijn opgenomen en dat artikel op zichzelf dus niets regelt over ter plaatse van de bestemming “Wonen” (eveneens) toegestaan gebruik. Het project is op voornoemd punt in strijd met het bestemmingsplan. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit niet onderkend. Het betoog slaagt in zoverre. 2.8.4 Naar het oordeel van de rechtbank is het gebruik ten behoeve van het overige gedeelte van de ondergrondse parkeergarage, te weten het bovengrondse gedeelte van de hellingbaan en het ondergrondse gedeelte, niet zijnde de hellingbaan, in overeenstemming met het bestemmingsplan. Zij overweegt daartoe dat binnen de bestemming “Horeca 1” , waarbinnen genoemde delen van de ondergrondse parkeergarage zijn gelegen, parkeervoorzieningen zijn toegestaan. Binnen de bestemming “Horeca 1 is, anders dan binnen de bestemming “Wonen”, niet de restrictie opgenomen dat ter plaatse uitsluitend een ondergrondse parkeergarage is toegestaan, indien het perceel tevens is voorzien van de aanduiding “parkeergarage”. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat onder parkeervoorzieningen niet tevens het gebruik ten behoeve van een ondergrondse parkeergarage valt. Bovendien bestaat er ook in dit kader om dezelfde redenen als vermeld onder 2.7 geen aanleiding voor de uitleg van de planregels behorende bij de bestemming “Horeca 1” aansluiting te zoeken bij de planregels met betrekking tot de bestemming “Wonen”. Het betoog van eisers faalt in zoverre. 3. De rechtbank overweegt verder dat zo al sprake zou zijn van een omissie in het bestemmingsplan waar het het vaststellen van het bouwvlak aangaat, vaststaat dat het bestemmingsplan onherroepelijk is voor wat betreft het onderhavige perceel. Verweerder dient de aanvraag om omgevingsvergunning te toetsen aan het op dat moment geldende bestemmingsplan en met inachtneming van dat bestemmingsplan een besluit te nemen, zoals hij heeft gedaan. Activiteit bouwen 4.1 Eisers betogen dat het project niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Het project voldoet daar volgens hen met name niet aan vanwege de afwezigheid van de bouw van een torentje. In eerste instantie heeft de welstandscommissie de aanwezigheid van het torentje op het gebouw als beeldbepalend beschouwd. Toen evenwel bleek dat vanwege de aanwezigheid van het torentje het gehele bouwwerk niet meer voldeed aan de eisen die het bestemmingsplan daaraan stelde, is het project gewijzigd waarbij het torentje is weggelaten. Het is volstrekt onbegrijpelijk dat de welstandscommissie het project vervolgens toch van een positief advies heeft voorzien. 4.2 Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo, wordt voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien het uiterlijk of plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend. 4.3 Volgens vaste rechts De welstandscommissie heeft immers, gelet op de hiervoor weergegeven adviezen en haar brief van 21 november 2016, concreet uiteengezet waarom het project ondanks de afwezigheid van het torentje volgens haar niettemin aan redelijke eisen van welstand voldoet. Eisers hebben geen tegenadvies overgelegd van een andere deskundig te achten persoon of instantie. 4.6 De beroepsgrond slaagt niet. 5. Eiser betogen verder dat de bebouwing een groot risico vormt voor de omgeving. Dit betoogt slaagt niet, reeds omdat het niet is onderbouwd. Activiteit uitweg 6.1 Eisers betogen dat verweerder in strijd met het bepaalde in artikel 2.12 van de Algemene plaatselijke verordening Bloemendaal 2017 (Apv) een omgevingsvergunning heeft verleend voor de activiteit het maken van een uitweg. De aanvraag had volgens eisers geweigerd moeten worden. Verweerder heeft de vergunning verstrekt zonder voldoende inzicht te hebben in de vraag of de uitweg voldoet aan artikel 2.12 van de Apv. Aan die bepalingen kan niet achteraf worden getoetst. Ten eerste is de uitrit volgens eisers niet in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg. De in- en uitrit ligt volgens eisers in een gevaarlijke bocht aan een belangrijke doorgaande weg voor veel fietsers. Bij het met de auto verlaten van de uitrit is er absoluut geen overzicht over de verkeerssituatie ter plekke. Een auto kan niet eerst horizontaal gaan staan alvorens de openbare weg (inclusief het trottoir) op te rijden. Ten tweede is de in- en uitrit niet in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving. Het bouwwerk van de in- en uitrit ontsiert de omgeving. Ten derde is de in- en uitrit niet in het belang van de bescherming van de groenvoorziening in de gemeente. De in- en uitrit vormt een bedreiging voor de monumentale plataan. Eisers verwijzen in dit verband naar het rapport “Boomanalyse bomen. Plangebied Restaurant Chapeau. Hartenlustlaan Bloemendaal” van H.A. van Scherpenzeel (Scherpenzeel) van 9 augustus 2016. 6.2 Verweerder stelt zich in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het advies van de commissie, op het standpunt dat door een aantal voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden in verband met de uitweg de betrokken belangen zijn gewaarborgd. Verweerder komt beleidsvrijheid toe bij het uitoefenen van zijn in artikel 2.12 van de Apv 2017 neergelegde bevoegdheid. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat verweerder in het kader van het uitoefenen van de bevoegdheid als neergelegd in artikel 2.12 van de Apv 2017 geen juiste belangenafweging heeft gemaakt. Eisers hebben bovendien geen advies van een deskundige overgelegd waaruit blijkt dat het maken van de uitweg onwenselijk is. In het verweerschrift geeft verweerder nog aan dat derde-partij sub 1 er bij brief van 26 september 2016 op is gewezen dat hij op grond van artikel 4.19 van de Apv gehouden is voorzorgsmaatregelen te nemen ten aanzien van de plataan. 6.3.1 Op grond van artikel 2.2, eerste lid en onder e, van de Wabo geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen, een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Op grond van artikel 2.18 van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening. 6.3.2 Op grond van artikel 2.12, eerste lid, van de Apv is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag: a. een uitweg te maken naar de weg; b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. Op grond van artikel 2.12, derde lid, van de Apv kan een vergunni Aangegeven is dat aan de te nemen maatregelen nadere voorschriften worden verbonden, waarover de aanvrager separaat wordt geïnformeerd. Dit is gebeurd bij brief van 26 september 2016. In die brief heeft verweerder aan derde-partij sub 1 aangegeven welke maatregelen getroffen en nageleefd moeten worden teneinde de boom te beschermen. Tevens is aangegeven dat de aannemer een boomgarantieplan dient te overleggen ter goedkeuring aan verweerder en dat pas kan worden begonnen met de bouwwerkzaamheden na goedkeuring door verweerder van dat plan. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende is gewaarborgd dat schade aan de monumentale plataan zoveel mogelijk wordt voorkomen. Verweerder heeft kunnen concluderen dat ook deze weigeringsgrond zich niet voordoet. 6.8 In hetgeen eisers overigens hebben aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond gelegen voor het oordeel dat de weigeringsgrond “in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving” als genoemd in artikel 2.12, derde lid, onder c, van de Apv zich voordoet. 6.9 Verweerder heeft gelet op het op het voorgaande in redelijkheid omgevingsvergunning voor de activiteit uitweg kunnen verlenen. Het betoog van eisers slaagt niet. 7. Gelet op het onder 2.8.3 overwogene is het beroep voor zover het is ingesteld door eisers sub 2 tot en met 12 gegrond. Het bestreden besluit komt wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking voor zover verweerder daarbij heeft beslist op het bezwaar van deze eisers. 8. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij bereid is omgevingsvergunning voor de activiteit gebruiken te verlenen ten behoeve van het project, voor zover tot de conclusie zou worden gekomen dat het project in strijd is met het bestemmingsplan. Omdat niet duidelijk is of het deel van het project dat in strijd is met het bestemmingsplan een zogeheten kruimelgeval betreft als bedoeld in artikel 2.12, aanhef, onder a, onderdeel 2° van de Wabo in verbinding gelezen met artikel 4 van bijlage II van het Bor, bestaat er (nog) geen grond om het primaire besluit te herroepen. Verweerder zal alsnog dienen te beoordelen of vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12, aanhef en onder a, van de Wabo mogelijk is. Verweerder zal daartoe allereerst dienen te beoordelen of het project tot een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen (de kruimelgevallenlijst) behoort (onderdeel 2°). Is dat het geval, dan zal verweerder, indien hij de vergunning wenst te verlenen, dienen te motiveren waarom hij bereid is de vergunning te verlenen. De vergunning heeft uitsluitend betrekking op het deel van het project dat in strijd is met het bestemmingsplan. Behoort het project niet tot een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen dan zal verweerder dienen te beoordelen of met toepassing van onderdeel 3° van artikel 2.12, aanhef en onder a, van de Wabo vergunningverlening mogelijk is. Verweerder zal zich er daarbij alvorens tot vergunningverlening dan wel –weigering over te gaan, gelet op de uitspraak van de Afdeling 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:921, wel van dienen te vergewissen of een (weigering van een) verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad van de gemeente Bloemendaal is vereist. Verweerder zal diens beslissing, indien vergunning op grond van onderdeel 3° wordt verleend dan wel geweigerd, bovendien, gelet op het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, dienen voor te bereiden op grond van de in afdeling 3.4 van de Awb neergelegde uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Verweerder zal, in het geval sprake is van een kruimelgeval (onderdeel 2° van artikel 2.12, aanhef en onder a, van de Wabo) een nieuw besluit op het bezwaar van eisers sub 2 tot en met 12 dienen te nemen, waarbij hij de omgevingsvergunning voor de activiteit gebruiken alsnog verleent dan wel weigert. In het geval sprake is van een situatie als bedoeld in on