Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2017-11-21
ECLI:NL:RBNHO:2017:10889
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/810079-17 (P) Uitspraakdatum: 21 november 2017 Tegenspraak Vonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 november 2017 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [woonplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] (thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie [naam 1] en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, [naam 2] , advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht. 1 Tenlastelegging Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat: Feit 1 hij in of omstreeks de periode van 15 augustus 2014 tot en met 17 maart 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en/of Alkmaar en/of Zwolle en/of Enschede, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte veelvuldig, althans met grote regelmaat - telefonisch contact gezocht met die [slachtoffer] en/of - berichtjes met beledigende en/of bedreigende teksten naar die [slachtoffer] gestuurd en/of - zich opgehouden in de buurt van de woning van die [slachtoffer] en/of - die [slachtoffer] gevolgd; Feit 2 hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 augustus 2014 tot en met 30 maart 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en/of Alkmaar en/of Amsterdam, [slachtoffer] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] (telkens) dreigend de woorden toegevoegd, zoals: "Ik maak je dood" en/of "Ik verbrand jouw huis" en/of "Als je de aanklacht niet weg haalt, ik breek je botten, Ik slacht je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; Feit 3 Primair hij op of omstreeks 01 augustus 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] - een kopstoot heeft gegeven en/of - aan haar haren heeft getrokken en/of - een knietje tegen haar gezicht heeft gegeven en/of - haar hard op de grond heeft gegooid, waardoor zij op de grond is gevallen en/of - ( vervolgens) een of meerdere malen in/tegen haar gezicht en/of lichaam heeft geslagen en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Subsidiair hij op of omstreeks 01 augustus 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, zijn (ex)levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met kracht) een kopstoot in haar gezicht en/of tegen haar hoofd te geven en/of door die [slachtoffer] aan haar haren te trekken en/of die [slachtoffer] een knietje in haar gezicht te geven en/of door die [slachtoffer] op de grond te gooie en/of terwijl zij op de grond lag, (met kracht) in/tegen haar gezicht en/of in haar buik te schoppen. 2 Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten. 3.2. Redengevende feiten en omstandigheden met betrekking tot de feiten 1 en 2 De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende be (…) Toen ik naar buiten liep zag ik [verdachte] staan bij de auto van [slachtoffer] . (…) Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] bij haar haren pakte. Ik zag dat [verdachte] met zijn vuist in het gezicht van [slachtoffer] sloeg. Ik zag vervolgens dat [verdachte] [slachtoffer] aan haar haren naar beneden trok en een knietje gaf in haar gezicht. Ik zag dat [slachtoffer] met haar rug en hoofd tegen een geparkeerde auto aan viel. Ik zag dat [slachtoffer] eerst nog bleef zitten. Ik zag dat [verdachte] , met volle kracht, [slachtoffer] een schop in haar gezicht gaf en in haar buik. Ik hoorde [verdachte] schreeuwen: “Ik maak je dood! Ik vermoord je!” Nadat [slachtoffer] geschopt was zag ik dat ze om viel, snel ademde en dat haar ogen weg draaiden. Ik zag bloed uit de neus en mond komen van [slachtoffer] . (…) Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] d.d. 6 augustus 2017, dossierpagina’s 023 tot en met 024 : (…) Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] bij haar haren pakte en naar beneden trok en haar een knietje in haar gezicht gaf. (… ) [slachtoffer] kwam ten val. Hierbij kwam bij tegen een geparkeerde auto aan. Ik zag dat [verdachte] haar vervolgens een schop in haar gezicht en buik gaf. Dit deed hij met volle kracht. (…) Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4] d.d. 1 augustus 2017, dossierpagina’s 025 tot en met 026 : (…) Ik zag dat [slachtoffer] uitstapte. In een beweging pakte haar ex-man haar haren met beide handen vast en gaf haar een kopstoot. Ik zag dat er een gevecht ontstond. (…) 3.4. Bewijsoverweging De raadsman heeft betoogd dat met betrekking tot feit 3 niet kan worden bewezen dat verdachte aangeefster een kopstoot heeft gegeven omdat in drie getuigenverklaringen niet over een kopstoot wordt gesproken. Gelet hierop kan niet worden bewezen dat verdachte heeft gepoogd aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank overweegt dat het geven van een kopstoot bewezen kan worden omdat zowel aangeefster als getuige [getuige 4] verklaren dat verdachte aangeefster een kopstoot heeft gegeven. Gelet hierop en op hetgeen de overige getuigen verklaren namelijk dat verdachte aangeefster diverse malen in haar gezicht heeft geslagen, verdachte haar een knietje gaf waardoor ze door haar benen zakte waarna verdachte haar vervolgens nog eens in haar gezicht en tegen haar lichaam schopte en gelet op het letsel dat aangeefster is toegebracht, is de rechtbank van oordeel dat een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend bewezen kan worden. 3.5. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat: Feit 1 hij in de periode van 1 maart 2016 tot en met 17 maart 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en/of Alkmaar, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft verdachte veelvuldig, althans met grote regelmaat - telefonisch contact gezocht met die [slachtoffer] en - berichtjes met beledigende en bedreigende teksten naar die [slachtoffer] gestuurd en - zich opgehouden in de buurt van de woning van die [slachtoffer] en - die [slachtoffer] gevolgd; Feit 2 hij in de periode van 15 augustus 2014 tot en met 30 maart 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en/of Alkmaar en/of Amsterdam, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend woorden toegevoegd, zoals: "Ik maak je dood" en "Ik verbrand jouw huis" en "Als je de aanklacht niet weg haalt, ik breek je botten, Ik slacht je"; Feit 3 Primair hij op 1 augustus 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe t De rechtbank rekent het verdachte tevens zwaar aan dat hij, nadat hij onder voorwaarden, waaronder een locatieverbod en een contactverbod met zijn ex- vrouw, geschorst was uit de voorlopige hechtenis, zich niet aan deze voorwaarden heeft gehouden en haar na zijn vrijlating heeft opgezocht en haar uiteindelijk zelfs lichamelijk letsel heeft toegebracht terwijl hij tot op de zitting heeft volgehouden dat hij haar, de moeder van zijn kinderen, ondanks de bedreigingen die hij uitte, nooit iets aan zou doen. Ter terechtzitting heeft verdachte opnieuw laten zien dat hij zich slecht kan verplaatsen in de positie het slachtoffer en dat hij de aanleiding voor zijn handelen steeds buiten zichzelf legt. Verdachte heeft er onvoldoende blijk van gegeven thans inzicht te hebben in het effect van zijn handelen. Vanwege de ernst van de feiten acht de rechtbank het stellen van bijzondere voorwaarden van groot belang. Onderzoek psycholoog Bij de door de rechtbank te beantwoorden vraag of bij de verdachte ten tijde van het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarmee samenhangend de vraag in hoeverre de verdachte strafbaar is ten aanzien van die feiten, heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het rapport van drs. [deskundige 1] , GZ-psycholoog en forensisch gedragsdeskundige, geregistreerd in het Nederlands Register voor Gerechtelijk Deskundigen (NRGD) die na inzage van de gerechtelijke stukken een onderzoek omtrent de geestvermogens van verdachte ten tijde van het begaan van het ten laste gelegde heeft ingesteld. De deskundige heeft op 19 oktober 2017 als volgt over haar bevindingen gerapporteerd. Verdachte lijdt aan een post traumatische stress stoornis (PTSS), een aandoening met aandacht tekort en hyperactiviteit (ADHD), een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, theatrale en narcistische trekken en aan stoornissen in het gebruik van alcohol, cocaïne en cannabis. Deze stoornissen waren ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig en beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 en 2 lijkt er een verband tussen het feit dat aangeefster verdachte in 2014 verliet en een toename van zijn middelengebruik. Dit middelengebruik kan verdachte agressiever en achterdochtiger maken. Verdachte lijkt op basis van de bij hem geconstateerde stoornissen ADHD en PTSS minder in staat geweest zijn middelengebruik, ondanks de bij hem bekende consequenties daarvan, zoals agressie en achterdocht, te controleren. De spanning liep voor verdachte op doordat zijn vrouw hem na een moeizame relatie uiteindelijk heeft verlaten. Van daadwerkelijk inzicht in het effect dat de bedreigingen van verdachte op zijn ex-vrouw kunnen hebben gehad, geeft hij geen blijk en evenmin toont hij doorvoelde schaamte of spijt over het gebeurde, hetgeen, tezamen met zijn dreigende gedrag, duidt op een gebrekkige gewetensontwikkeling die past bij de bij hem vastgestelde persoonlijkheidsstoornis. Op basis daarvan wordt geadviseerd om betrokkene de feiten onder 1 en 2 in licht verminderde mate toe te rekenen. Ten aanzien van het derde feit speelde, naast de eerder genoemde feiten en omstandigheden, de factor een rol dat betrokkene naar zijn zeggen zijn ex-vrouw in de zomer van 2017 voor het eerst had verteld over het feit dat hij als kind seksueel misbruikt was door oudere jongens in Marokko. Volgens verdachte heeft zijn ex-vrouw hem ervan te beschuldigd dat hij “geen echte man” was. In combinatie met zijn persoonlijkheidsproblematiek waarbinnen agressie gemakkelijk geprikkeld wordt en tevens wordt aangewakkerd door excessief middelengebruik, heeft betrokkene ‘verhaal willen halen’ bij aangeefster, hetgeen zodanig is geëscaleerd dat hij haar een kopstoot heeft gegeven, heeft geslagen en geschopt. Op basis van het voorgaande adviseert rapporteur de rechtbank om betrokkene het feit onder 3 in sterk verminderde mate to Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat de onder 1, 2 en 3 primair bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF (12) MAANDEN. Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes (6) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van vijf jaren. Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde: - zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt. - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - zich houdt aan de aanwijzingen die GGZ Reclassering Palier hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Hij dient zich gedurende de proeftijd te blijven melden zo frequent als de reclassering dit gedurende deze periode nodig acht; - wordt verplicht te verblijven in en mee te werken aan een langdurige klinische behandeling in Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) De Kijvelanden of een voor betrokkene meest geschikte behandelsetting in een inrichting te bepalen door het Nederlandse Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, werkeenheid Indicatiestelling Forensische Zorg (NIFP/IFZ), dat hiertoe een inrichting zal aanwijzen waar feitelijke invulling aan een dergelijke intramurale behandeling zal kunnen worden gegeven, met inachtneming van de mate van zorg en beveiliging die voor betrokkene noodzakelijk is. Deze behandeling van betrokkene zal minimaal twaalf maanden duren of eventueel korter als de leiding van de te bepalen inrichting in overleg met de reclassering dit noodzakelijk acht; - wordt verplicht om zich voor zijn problematiek ambulant te laten behandelen bij Brijder Verslavingszorg of een soortgelijke instelling. Daarbij is hij verplicht mee te werken aan een nog nader te indiceren behandelaanbod, waarbij een korte klinische opname, voor de duur van maximaal zeven weken ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek tot de mogelijkheden behoort, hetgeen deel uit kan maken van een ambulant behandeltraject. - wordt verplicht om na het klinisch traject te verblijven in een begeleid wonen setting of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich dient te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. - wordt verboden contact te (laten) leggen met zijn ex-vrouw, mevrouw [slachtoffer] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. - wordt verboden om zich binnen de grenzen van Hoofddorp te bevinden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Otter, voorzitter, mr. M. Goedhuis-Visser en mr. J.C.