Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2017-12-15
ECLI:NL:RBNHO:2017:10508
Rechtbank Noord-Holland Zittingsplaats Haarlem zaaknummer: HAA 17/2141 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2017 in de zaak tussen [X] , wonende te [Z] , eiser(gemachtigde: M. Boerop), en de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren dienstverlening en bezwaar, kantoor Amsterdam , verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 23 maart 2017 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2014 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en de aan hem in rekening gebrachte belastingrente. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2017. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L.J. Keyser en mr. R.G.A. de Jong. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. De gemachtigde van eiser heeft op 11 maart 2015, aan de hand van door eiser verstrekte gegevens, namens eiser digitaal aangifte IB/PVV over het jaar 2014 gedaan. De gemachtigde van eiser heeft een bedrag van € 285 als loon van [A BEDRIJF] vermeld onder het kopje ‘loon, uitkering ZW en andere inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking’. Bij het kopje ‘Pensioen, AOW, WAO, bijstand etc. uit vroegere dienstbetrekking’ heeft de gemachtigde van eiser aangegeven een bedrag van € 5.285 van het UWV te hebben ontvangen. 2. Naast de onder overweging 1 genoemde inkomensgegevens heeft de gemachtigde van eiser in de aangifte onder het kopje 1. Ondertekening en persoonlijke gegevens onder de vraag ‘geboortedatum jongste kind (<27 jaar begin belastingjaar)’ vermeld: 22-09-2011. Tot slot heeft de gemachtigde van eiser in de aangifte onder het kopje 59. Overzicht drempelinkomen partner loon uit tegenwoordige dienstbetrekking vermeld: € 78.929. 3. Bij het invullen van het aangifteprogramma door de gemachtigde eiser zijn geen vragen aan de orde geweest over de toepassing van de inkomensafhankelijke combinatiekorting. 4. Bij brief van 17 oktober 2017 heeft verweerder aan de gemachtigde van eiser laten weten dat uit de door de werkgevers en/of uitkeringsinstanties verstrekte loongegevens is gebleken dat eiser in 2014 ook een bedrag van € 10.146 heeft ontvangen als inkomsten uit loon of uitkering. Eiser heeft in 2014 in totaal een bedrag van € 15.716 heeft ontvangen aan inkomsten uit loon of uitkering. Verweerder heeft in de brief aangegeven dat hij voor de berekening van de IB/PVV uit gaat van dit laatste bedrag. In de brief staat vermeld dat als eiser het eens is met de wijziging van zijn gegevens, hij niets hoeft te doen. Ook staat in de brief vermeld dat als eiser het niet eens is met de wijziging van zijn inkomsten uit loon of uitkering, hij dan een brief moet sturen naar verweerder waarin wordt uitgelegd waarom hij denkt dat de wijziging niet juist is. De bijlage bij de brief vermeldt loon uit tegenwoordige arbeid van € 10.146, loon uit tegenwoordige arbeid van € 285 en loon uit vroegere arbeid van € 5.285. 5. Aangezien er bij eiser en zijn gemachtigde instemming was met de wijziging, heeft de gemachtigde van eiser niet gereageerd naar aanleiding van de brief. 6. Met dagtekening 8 december 2016 heeft verweerder de definitieve aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.716 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 259. Bij het opleggen van de aanslag is door verweerder geen rekening gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting. 7. In een bezwaarschrift, gedagtekend 27 december 2016, heeft de gemachtigde van eiser verzocht om toepassing van de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Tevens heeft de gemachtigde van eiser verzocht om een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. 8. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de inkomensafhankelijke combinatiekorting toegekend. Het verzoek om een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten heeft verweerder afgewezen omdat het oorspronkelijke besluit is herzie