Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2017-11-29
ECLI:NL:RBNHO:2017:10031
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Sectie Familie & Jeugd locatie Alkmaar Zaak-/rekestnr.: C/15/261452 / FA RK 17-4031 beschikking van 29 november 2017 betreffende adoptie, omgangsregeling en benoeming bijzondere curator gegeven op het verzoek van: [verzoeker] , en [verzoekster] , echtelieden, beiden wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: verzoekers, advocaat: mr. M.J. van der Staaij, kantoorhoudende te Haarlem. Als belanghebbenden worden aangemerkt: - [de moeder] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. L. Scheffer, kantoorhoudende te Amsterdam, - Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering , gevestigd te [plaats] , hierna te noemen: LdH. 1 Verloop van de procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift, met bijlagen, van verzoekers, ingekomen op 11 juli 2017; het verweerschrift, tevens verzoekschrift, met bijlagen, van de moeder, ingekomen op 30 oktober 2017. 1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 november 2017 in aanwezigheid van verzoekers bijgestaan door mr. M.J. van der Staaij, de moeder bijgestaan door mr. L. Scheffer, alsmede mevrouw [naam] en mevrouw [naam] namens LdH. Voorts is verschenen mevrouw [naam] die ten behoeve van de moeder is opgetreden als tolk in de Arabische taal. 1.3 De minderjarige [minderjarige] heeft haar mening kenbaar gemaakt in een gesprek met de kinderrechter. Voorts heeft zij daarbij een brief met haar zienswijze overgelegd. Na overleg met [minderjarige] , is een kopie van deze brief afgegeven aan mr. Van der Staaij, mr. Scheffer en LdH. 2 Verzoek 2.1 Verzoekers hebben verzocht: - de adoptie uit te spreken door hen van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [plaats] (verder: [minderjarige] ); - te bepalen dat de geslachtsnaam van [minderjarige] na de adoptie [geslachtsnaam] zal zijn. 3 Verweer en zelfstandig verzoek 3.1 De moeder heeft verweer gevoerd en verzocht de verzoeken van verzoekers af te wijzen. Van haar kant heeft de moeder verzocht: - een bijzondere curator te benoemen over [minderjarige] aangaande de verzochte adoptie en wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige] ; - een omgangsregeling vast te stellen tussen haar en [minderjarige] van, zoals ter zitting gewijzigd, minimaal eens in de zes weken, waarbij de tijdsduur van het contact wordt overgelaten aan [minderjarige] . Standpunt LdH 3.2 Ter zitting heeft LdH het volgende aangegeven. [minderjarige] voelt zich zeer goed thuis bij verzoekers. [minderjarige] heeft in haar jeugd veel gemist. LdH vond omgang tussen [minderjarige] en de moeder belangrijk. Hoewel er wel contacten tussen hen hebben plaatsgevonden, is er geen band gegroeid tussen [minderjarige] en de moeder. [minderjarige] heeft het contact met haar moeder niet als plezierig ervaren. Ook is moeder regelmatig gemaakte afspraken over omgang niet nagekomen. [minderjarige] komt nu tot rust en het gaat goed met haar. [minderjarige] zit nu in 4 VWO. Gelet op haar oorspronkelijke vooruitzicht op school heeft zij een enorm goede ontwikkeling doorgemaakt. Uit onderzoek blijkt dat kinderen heel lang loyaal blijven aan hun ouder(s). Bij [minderjarige] is dat niet het geval. Dit zegt iets over de band van [minderjarige] met verzoekers. 4 Feiten en omstandigheden 4.1 [minderjarige] is geboren als dochter van de moeder. De (biologische) vader van [minderjarige] is onbekend. 4.2 Uit de stukken blijkt dat [minderjarige] sinds augustus 2003 in het gezin van verzoekers verblijft. 4.3 Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 9 april 2004 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de Werkstichting Jeugdbescherming van het Bureau Jeugdzorg Amsterdam voor één jaar met ingang van 15 april 2003. Deze ondertoezichtstelling is telkens verlengd en is geëindigd op 26 april 2006. 4.4 De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 26 april 2006 de moeder ontheven van het gezag over [minderjarige] met benoeming tot voogd van Bureau Jeugdzorg A De moeder wil er onverminderd steeds voor [minderjarige] zijn, als [minderjarige] daar behoefte aan heeft. Bij het kennelijk belang van [minderjarige] hoort ook de cultuur van Marokko. Het is niet opportuun [minderjarige] nu over te hevelen van de Marokkaanse cultuur naar de Nederlandse cultuur, omdat kinderen in de puberteit vaak op zoek gaan naar hun identiteit. Door de adoptie zou [minderjarige] een deel van haar identiteit kwijtraken, omdat adoptie in Marokko niet wordt erkend. 5.7 De rechtbank is van oordeel dat aan de tegenspraak van de moeder voorbij gegaan dient te worden op de grond dat [minderjarige] en de moeder niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd. Vast staat immers dat [minderjarige] vanaf haar geboorte tot januari 2003, dus feitelijk maar vijf maanden, samen met de moeder is geweest en dat [minderjarige] daarna een half jaar bij twee andere pleeggezinnen heeft verbleven. Vanaf het moment dat [minderjarige] één jaar was (thans derhalve ruim 14 jaar) verblijft [minderjarige] in het gezin van verzoekers. Aangenomen kan worden dat de moeder wel de intentie heeft gehad om een band op te bouwen met [minderjarige] . In weerwil van het standpunt van de moeder, moet echter worden geconstateerd dat een dergelijke band feitelijk niet is ontstaan, hetgeen [minderjarige] ook bij haar gesprek met de kinderrechter heeft aangegeven. De rechtbank is voorts van oordeel dat, anders dan de moeder heeft gesteld, op grond van het ontbreken van een band tussen de moeder en [minderjarige] , vaststaat dat op het tijdstip van het verzoek tot adoptie en voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat [minderjarige] niets meer van de moeder in haar hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. Met inachtneming van het vorenstaande, waaronder het standpunt van LdH, en mede op grond van de overgelegde stukken, het gesprek met [minderjarige] zelf en de behandeling ter terechtzitting heeft de rechtbank de overtuiging dat de gevraagde adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige] is. Nu ook overigens aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, zal de rechtbank het verzoek tot adoptie toewijzen. 5.8 Verzoekers hebben ervoor gekozen dat [minderjarige] de geslachtsnaam [geslachtsnaam] zal dragen. 5.9 Verzoekers zijn met elkaar gehuwd. Uit het systeem van de wet (artikel 1:251, eerste lid, BW) volgt dat er in die situatie sprake is van gezamenlijk gezag van verzoekers. De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder k, van het Besluit gezagsregisters bepalen dat de griffier, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van deze beschikking. Bijzondere curator 5.10 De moeder verzoekt benoeming van een bijzondere curator zodat die verder onderzoek kan doen in deze complexe zaak, gelet op de culturele, internationaalrechtelijke en psychosociale aspecten. Ook zou de bijzondere curator moeten onderzoeken of de belangen van [minderjarige] wel stroken met de mening van verzoekers en LdH. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat dit verzoek van de moeder bij gebrek aan een wettelijke grondslag moet worden afgewezen. 5.11 De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van de moeder niet kan worden toegewezen bij gebrek aan een wettelijke grondslag in het kader van afstamming (artikel 1:212 BW). Naar het oordeel van de rechtbank komt het verzoek van de moeder evenmin voor toewijzing in aanmerking op grond van het bepaalde in artikel 1:250 BW. Volgens dit artikel dient er in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding dan wel het vermogen van de minderjarige sprake te zijn van tegenstrijdige belangen van de minderjarige en de met het gezag belaste ouders of een van hen dan wel van de voogd of de beide voogden. Uit de verklaringen van verzoekers, LdH en [minderjarige] blijkt echter dat er geen sprake is van tegenstrijdige belangen. Dat de moeder ter zitting heeft verklaard